Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201110950/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college de aan [appellante] verleende vergunningen voor het parkeren op het parkeerterrein Nieuwe Emmasingel 31-33 te Eindhoven, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110950/1/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 augustus 2011 in zaak nr. 10/2867 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college de aan [appellante] verleende vergunningen voor het parkeren op het parkeerterrein Nieuwe Emmasingel 31-33 te Eindhoven, ingetrokken.

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en, onder aanvulling van de motivering, voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2011 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, en [belanghebbenden], en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:11, voor zover thans van belang, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. De rechtbank heeft ambtshalve een oordeel gegeven over de ontvankelijkheid van het door [appellante] ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 14 juli 2009.

Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat het college bij besluit van 24 april 2008 aan [appellante] heeft meegedeeld dat de aan haar verleende parkeervergunningen met ingang van 1 juni 2008 zouden komen te vervallen. Tegen dit besluit heeft [appellante] bezwaar gemaakt, waarna het college voormeld besluit op 21 augustus 2008 heeft ingetrokken. Op 14 juli 2009 heeft het college alsnog de aan [appellante] verleende parkeervergunningen met ingang van 24 september 2009, ingetrokken.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 14 juli 2009 geen besluit is als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college heeft het besluit van 24 april 2008 naar aanleiding van het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ingetrokken bij besluit van 21 augustus 2008. De bezwaarprocedure tegen het besluit van 24 april 2008 was daarmee beƫindigd, aldus de rechtbank.

Voorts heeft zij vastgesteld dat in het besluit van 14 juli 2009 geen rechtsmiddelenclausule stond opgenomen en dat het hiertegen ingediende bezwaarschrift na afloop van de termijn van zes weken is ingediend, namelijk op 18 september 2009. Deze termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar. Hiertoe heeft zij overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in een besluit onvoldoende is om een termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Zij heeft het beroep dan ook gegrond verklaard en, zelf voorziend, het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

3. [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb haar bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 april 2008 tevens is gericht tegen het besluit van 14 juli 2009.

Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is vanwege het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule. Allereerst voert zij hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen. Op 28 april 2008 had het college immers een besluit met dezelfde strekking als het besluit van 14 juli 2009 genomen, waartegen [appellante] op 9 mei 2008 bezwaar heeft gemaakt. Aldus kon het college volgens haar weten dat zij eveneens bezwaar had tegen het besluit van 14 juli 2009. Daarnaast voert zij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 (zaak nr. 201010355/1/H2) aan, dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in een besluit in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding leidt, mits de belanghebbende daarop een beroep doet stellende dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Aan deze eisen heeft zij voldaan, aldus [appellante]. Voorts kon van haar niet redelijkerwijs worden verwacht dat zij wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Pas na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift heeft [appellante] zich gewend tot een professionele rechtsbijstandverlener.

4. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van [appellante] tegen het besluit van 14 juli 2009 na afloop van de termijn neergelegd in artikel 6:7 van de Awb, namelijk op 18 september 2009, is ingediend.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat met het besluit van 21 augustus 2008 de bezwaarprocedure tegen het besluit van 28 april 2008 is beƫindigd. Anders dan [appellante] betoogt is het door haar tegen dit laatstgenoemde besluit gemaakte bezwaar, dan ook niet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht tegen het besluit van 14 juli 2009.

4.2. Met juistheid heeft [appellante] in haar hogerberoepschrift verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 in zaak nr. 201010355/1/H2. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat zij thans, gelet op het belang van de rechtseenheid in het bestuursrecht, van oordeel is dat het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing bij een besluit of uitspraak in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Aan deze eisen heeft [appellante] voldaan.

In die uitspraak is verder geoordeeld dat het daarin neergelegde beginsel uitzondering lijdt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Op 28 april 2008 heeft het college een besluit genomen met dezelfde strekking als het besluit van 14 juli 2009. Tegen dit besluit heeft [gemachtigde] namens [appellante] zonder tussenkomst van een professioneel rechtsbijstandverlener, tijdig, namelijk op 9 mei 2008, bezwaar gemaakt. Het besluit van 28 april 2008 was evenmin voorzien van een rechtsmiddelenclausule. Bovenaan het door [appellante] ingediende geschrift staat achter "Betreft", links bovenaan de brief, "Bezwaar intrekking parkeervergunning Nwe Emmasingel 31-33". Gelet hierop dient ervan uit te worden gegaan dat het voor [appellante] duidelijk was dat de brief van het college van 28 april 2008 een besluit betrof waartegen binnen een bepaalde termijn bezwaar kon worden gemaakt. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs worden aangenomen dat [appellante] wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2009 moest maken.

5. Gelet op het voorgaande heeft het college het overschrijden van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 14 juli 2009 door [appellante] ten onrechte verschoonbaar geacht en het bezwaar ten onrechte ontvankelijk verklaard. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

280-591.