Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6512

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201004747/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Oud Poelgeest" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004747/1/R4.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Leiden,

2. de vereniging Vereniging Hofbrouckerpark/Hofwijck (hierna: de Vereniging), de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest (hierna: SBDO), beide gevestigd te Oegstgeest en de leden van de Groen Advies Commissie (hierna: de GACO), wonende te Oegstgeest,

3. [appellant sub 3], wonend te Oegstgeest,

4. [appellant sub 4], wonend te Oegstgeest,

en

de raad van de gemeente Oegstgeest,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Oud Poelgeest" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, de Vereniging, SBDO en de leden van de GACO, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Oegstgeest heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en de Vereniging, SBDO en de leden van de GACO hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. L.J. Smale, advocaat te Leiden, de Vereniging, SBDO en de leden van de GACO, vertegenwoordigd door mr. J.J.L. de Soeten, en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. A.C.M. Goud, mr. K.V.L. Troost, ir. M. Wezenbeek en ing. F. Martens, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 8 februari 2012, nr. 201004747/1/T1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin beschreven gebrek in het besluit van 18 februari 2010 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 27 april 2012, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2012, heeft de raad te kennen gegeven het gebrek in het besluit te hebben hersteld door het nemen van een besluit van 26 april 2012 dat strekt tot het gewijzigd vaststellen van artikel 5 van de planregels van het plan "Oud Poelgeest".

Bij brief van 16 mei 2012 zijn appellanten in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Door [appellant sub 1] en anderen is bij brief van 29 mei 2012 een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Gelet op de overwegingen 2.3 en 2.4 van de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4], voor zover gericht tegen de ten opzichte van het ontwerpplan ongewijzigde onderdelen van het vastgestelde plan, niet-ontvankelijk.

Gelet op overweging 2.5 van de tussenuitspraak is het beroep van de Vereniging, SBDO en de leden van de GACO voor zover ingediend namens de Vereniging en de leden van de GACO niet-ontvankelijk.

Procedureel

2. In voornoemde tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Groen" gelegen binnen het rijksmonument "Oud Poelgeest" (hierna: de Ezelenweide), is genomen in strijd met de op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat binnen de bestemming "Groen" geen voorschriften zijn gesteld ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van de gronden binnen het rijksmonument. Niet is gebleken dat onderzoek is verricht naar de noodzaak van bescherming van de cultuurhistorische waarden voor deze gronden, met name gelegen in de zichtlijnen, in aanvulling op de bescherming van de Monumentenwet 1988. Door de raad is ter zitting aangegeven dat ten aanzien van de bestemming "Groen", voor zover gelegen binnen het rijksmonument, bij nader inzien had moeten zijn voorzien in nadere bescherming.

2.1. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen door:

- met inachtneming van overweging 2.11.2 alsnog te onderzoeken of de cultuurhistorische waarden binnen de bestemming "Groen" voor zover gelegen binnen het rijksmonument "Oud Poelgeest" aanvullend beschermd dienen te worden en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek het besluit van 18 februari 2010 alsnog toereikend te motiveren, danwel zo nodig het besluit van 18 februari 2010 te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

2.2. Bij brief van 27 april 2012 heeft de raad de Afdeling meegedeeld dat de raad op 26 april 2012 een nader besluit heeft genomen inzake de bescherming van de cultuurhistorische waarden van de Ezelenweide. Dit besluit strekt tot wijziging van artikel 5 van het bestemmingsplan "Oud Poelgeest". De raad stelt dat de cultuurhistorische waarden van de Ezelenweide zijn gewaarborgd door de aanvullende voorschriften die in het gewijzigde artikel 5 zijn opgenomen.

2.3. In hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld hebben [appellant sub 1] en anderen te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met de wijze waarop de raad het gebrek in het besluit van 18 februari 2010 heeft hersteld.

2.4. Het besluit van 26 april 2012 is ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

3. [appellant sub 1] en anderen stellen dat aan hen geen efficiënte rechtsbescherming is geboden nu de landgoederenbiotoop in meerdere plannen is opgenomen en zij niet in één en dezelfde procedure tegen de plannen kunnen opkomen. Tevens achten zij de termijn om op het besluit van 26 april 2012 te reageren te kort omdat zij niet in staat waren een tegenrapport te laten maken.

3.1. Gelet op de systematiek van de Wro heeft de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit anderszins in strijd is met het recht. Het enkele feit dat de landgoederenbiotoop in meerdere bestemmingsplannen is opgenomen, maakt niet dat geen efficiënte rechtsbescherming open staat, nu tegen de besluiten tot vaststelling van die bestemmingsplannen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Het betoog faalt.

3.2. Wat betreft de termijn die [appellant sub 1] is geboden om te reageren op het besluit van 26 april 2012 overweegt de Afdeling als volgt. In de tussenuitspraak is de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin beschreven gebrek in het besluit van 18 februari 2010 te herstellen. Ingevolge artikel 8:51b, tweede lid, van de Awb in samenhang met artikel 46, eerste lid van de Wet op de Raad van State deelt het bestuursorgaan indien het overgaat tot het herstel van het gebrek de Afdeling zo spoedig mogelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld. Ingevolge het derde lid kunnen partijen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het tweede lid, schriftelijk hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De Afdeling kan deze termijn verlengen.

De raad heeft de Afdeling op 27 april 2012 meegedeeld op welke wijze het gebrek is hersteld. [appellant sub 1] en anderen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld tot en met 30 mei 2012 hun zienswijze in te dienen. Op 29 mei 2012 is de zienswijze van [appellant sub 1] ontvangen.

Gelet op het voorgaande is gehandeld in overeenstemming met artikel 8:51b van de Awb. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de termijn gesteld in artikel 8:51b, derde lid van de Awb, waarvan [appellant sub 1] overigens geen verlenging heeft gevraagd, dusdanig kort is dat [appellant sub 1] geen efficiënte rechtsbescherming is geboden. Het betoog faalt.

3.3. Voorts voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat niet voldaan is aan artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) omdat bij de voorbereiding van het nadere besluit geen vooroverleg heeft plaatsgevonden met de betrokken diensten van het Rijk en de provincie.

3.4. Uit artikel 3.1.1. van het Bro volgt dat de raad in het kader van de bestemmingsplanprocedure verplicht is overleg te voeren met, voor zover hier van belang, die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 november 2010, in zaak nr. 200908901/1/T1/R1) volgt uit de nota van toelichting bij het Bro dat indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, geen overleg zal hoeven plaats te vinden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die situatie hier aan de orde is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het nadere besluit van 26 april 2012 ten opzichte van het eerdere vaststellingsbesluit van 18 februari 2010 slechts een wijziging van geringe omvang betreft, waarbij de betrokken waarden van het plandeel een verderstrekkende bescherming krijgen dan in het bij het besluit van 18 februari 2010 vastgestelde plan.

Inhoudelijk

4. [appellant sub 1] en anderen stellen voorts dat de zichtlijnen niet voldoende in kaart zijn gebracht en ten onrechte niet zijn opgenomen in het besluit en de toelichting.

4.1. Ingevolge het gewijzigde artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;

b. paden, speelvoorzieningen inclusief bijbehorende hekwerken, water, voorzieningen voor de waterhuishouding;

c. nutsvoorzieningen;

d. beeldbepalend/ monumentaal (openbaar) groen en cultuurhistorische waarden, voor zover het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" en de gronden direct ten oosten hiervan tussen de aanduiding "ijsbaan" en de bestemming "Water",

met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap.

Ingevolge lid 5.1.2 mogen in aanvulling op het bepaalde in lid 5.1.1 de gronden ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" ten behoeve van een ijsbaan worden aangewend.

Ingevolge lid 5.2.1 mogen, voor zover hier van belang, gebouwen niet worden gebouwd. Ingevolge lid 5.2.2, aanhef en onder a en c, mogen, voor zover hier van belang in afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1 nutsvoorzieningen worden gebouwd die voldoen aan de volgende kenmerken:

a. bouwhoogte maximaal 3 m;

(…)

c. oppervlakte maximaal 15 m², voor zover het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" en de gronden direct ten oosten hiervan tussen de aanduiding "ijsbaan" en de bestemming "Water".

Ingevolge lid 5.3.1 is het ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" en de gronden direct ten oosten hiervan tussen de aanduiding "ijsbaan" en de bestemming "Water" verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

a. het ontgronden, uitdiepen, egaliseren, afgraven, diepploegen en ophogen van gronden en/of anderszins wijzigen van de bodemstructuur;

b. het planten, rooien, kappen of verminken van de houtopstand en gewassen;

c. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen (al dan niet tijdelijk);

d. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen,

e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.

Ingevolge lid 5.3.2 kan de aanlegvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden zoals beschreven in artikel 5.1.1 van de planvoorschriften.

Ingevolge lid 5.3.3 is geen omgevingsvergunning vereist voor:

a. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;

b. werken en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

4.2. In het voorstel van het college van burgemeester en wethouders dat aan het nadere besluit ten grondslag ligt, is verwezen naar het rapport "Trekvaartbrug, cultuurhistorische effectrapportage bestemmingsplangebied "Trekvaartbrug" Leiden/Oegstgeest" van het Monumenten Advies Bureau uit maart 2011, waarin onder andere de cultuurhistorische waarden van het landgoed Oud Poelgeest zijn beschreven. Geconcludeerd wordt dat de bevindingen in dit rapport ten aanzien van de cultuurhistorische waarden van het rijksmonument Oud Poelgeest goed bruikbaar zijn. Als relevante aanbevelingen uit het rapport worden het handhaven van de historische zichtlijnen en de karakteristieke openheid van de van oudsher open weidegronden genoemd. Op grond van deze bevindingen en motivering heeft de raad besloten artikel 5 te wijzigen teneinde de cultuurhistorische waarden waaronder de historische zichtlijnen en de openheid van de Ezelenweide te beschermen. In het rapport is op pagina 8 de omschrijving van Kasteel Oud Poelgeest opgenomen. Hierin is vermeld dat de gronden van de ijsbaan van oudsher behoorden tot het kasteel en in gebruik waren als weiland. Voorts staat vermeld dat vanaf de zuidoostelijke gevel van het kasteel vrij uitzicht over de ijsbaan en de Haarlemmertrekvaart bestaat.

4.3. Gelet op het in 4.2 vermelde rapport ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten behoeve van het besluit van 26 april 2012 onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de zichtlijnen en de openheid van het gebied. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescherming van de cultuurhistorische waarden, gelegen in de zichtlijnen en de openheid van het gebied gewaarborgd is door het nadere besluit. Het betoog faalt.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen stellen dat de toelichting op het plan onduidelijk en onvolledig is, overweegt de Afdeling dat, nu uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro volgt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting en deze toelichting geen deel uitmaakt van het plan, daaraan geen bindende betekenis kan worden toegekend. Het betoog over de plantoelichting kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

5. [appellant sub 1] en anderen stellen dat artikel 5, lid 5.1.1, onder d, van de planregels rechtsonzeker is, omdat niet duidelijk is welke gronden bedoeld worden met de in artikel 5, lid 5.1.1 onder d, genoemde gronden direct ten oosten van de aanduiding "ijsbaan" tussen de aanduiding "ijsbaan" en de bestemming "Water".

5.1. Op de verbeelding ligt ten oosten van de begrenzing van de aanduiding "ijsbaan" een strook met de bestemming "Groen" die aan de oostzijde begrensd wordt door een plandeel met de bestemming "Water".

5.2. Op grond van de verbeelding is duidelijk welke gronden in artikel 5, lid 5.1.1, onder d worden bedoeld. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om artikel 5, lid 5.1.1, onder d, rechtsonzeker te achten.

6. Voorts stellen [appellant sub 1] en anderen dat in artikel 5, lid 5.1.1 van de planregels ten onrechte het gebruik van de gronden voor water, voorzieningen voor de waterhuishouding en wegen, paden of parkeergelegenheid mogelijk wordt gemaakt. Zij stellen dat het rijksmonument hierdoor aangetast kan worden.

6.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.3.2, kan slechts een omgevingsvergunning worden verleend voor de werken of werkzaamheden genoemd in lid 5.3.1 indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het beeldbepalend/ monumentaal (openbaar) groen en de cultuurhistorische waarden.

In het collegevoorstel dat ten grondslag ligt aan het besluit van 26 april 2012 wordt gesteld dat de mogelijke aantasting van de openheid en de cultuurhistorische waarden door het mogelijk maken van onder andere nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en paden wordt voorkomen door het omgevingsvergunningsstelsel.

6.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de cultuurhistorische waarden niet aangetast worden door het in artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels toegestane gebruik, nu werken of werkzaamheden moeten worden uitgevoerd voor het realiseren van water, voorzieningen voor de waterhuishouding, wegen, paden of parkeergelegenheid, waarvoor ingevolge artikel 5, lid 5.3.1, alleen een omgevingsvergunning kan worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het beeldbepalend/ monumentaal (openbaar) groen en de cultuurhistorische waarden.

7. Volgens [appellant sub 1] en anderen is het besluit van 26 april 2012 in strijd met artikel 14 van de Verordening Ruimte Zuid-Holland (hierna: Verordening Ruimte) omdat de Ezelenweide in die verordening een aanduiding "vrijwaringszone landgoederenbiotoop" heeft gekregen en het bestemmingsplan al dan niet met een omgevingsvergunning bouwwerken en aanlegwerkzaamheden mogelijk maakt.

7.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Verordening Ruimte, voor zover hier van belang, dienen bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken voor gronden, gelegen binnen de biotoop van de afzonderlijke landgoederen en kastelen/kasteelruïnes, die zijn weergegeven op kaart 12 bij de Verordening, de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop te beschermen en waar mogelijk gericht te zijn op verbetering en versterking van de kwaliteit van het landgoed of het kasteel en hun biotoop. Omdat het besluit van 26 april 2012 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt op de gronden gelegen binnen de biotoop, is artikel 14 van de Verordening niet van toepassing op het besluit van 26 april 2012. Dit betoog faalt.

Conclusie

8. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit van 26 april 2012 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 26 april 2012 anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 26 april 2012 is ongegrond.

9. Gelet op overweging 2.11.2 van de tussenuitspraak is het besluit van 18 februari 2010 tot vaststelling van het plan in strijd met de op grond van artikel 3:2 van de Awb bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen, voor zover in de planregels voor de gronden met de bestemming "Groen" binnen rijksmonument "Oud Poelgeest" geen regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond. Het besluit van 18 februari 2010 komt voor vernietiging in aanmerking voor zover in de planregels voor de gronden met de bestemming "Groen" binnen rijksmonument "Oud Poelgeest" geen regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen.

10. Gelet op overweging 2.11, 2.11.1, 2.11.3 en 2.11.4 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen voor het overige ten aanzien van het besluit van 18 februari 2010 hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 18 februari 2010 voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit 18 februari 2010 is voor het overige ongegrond.

11. Gelet op overweging 2.14.2 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 18 februari 2010 in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

12. Gelet op overwegingen 2.14.2 en 2.18 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 18 februari 2010 tot vaststelling van het plan in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

13. Gelet op overwegingen 2.22, 2.22.1, 2.22.2 en 2.22.3 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen SBDO heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 18 februari 2010 tot vaststelling van het plan in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van SBDO is ongegrond.

14. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 18 februari 2010 niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de ten opzichte van het ontwerpplan ongewijzigd vastgestelde onderdelen van het plan;

verklaart het beroep van de vereniging Vereniging Hofbrouckerpark/Hofwijck, de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest en de leden van de Groen Advies Commissie tegen het besluit van 18 februari 2010 niet-ontvankelijk voor zover ingediend namens de vereniging Vereniging Hofbrouckerpark/Hofwijck en de leden van de Groen Advies Commissie;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 18 februari 2010, voor zover gericht tegen het niet opnemen van planregels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden voor de gronden met de bestemming "Groen" binnen rijksmonument "Oud Poelgeest", gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 18 februari 2010 met kenmerk nr. 04/10 voor zover in het plan geen planregels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden, als bedoeld onder III, zijn opgenomen;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 18 februari 2010 voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover gericht tegen het besluit van 26 april 2012 ongegrond;

VI. verklaart de beroepen van de vereniging Vereniging Hofbrouckerpark/Hofwijck, de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest en de leden van de Groen Advies Commissie, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 18 februari 2010, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Oegstgeest tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Oegstgeest aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

539-725.