Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201109431/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het college zijn beslissing van 3 juni 2008 tot het onmiddellijk toepassen van bestuursdwang door het ontmantelen van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Tilburg op schrift gesteld en aan [appellant] kenbaar gemaakt. Daarbij heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109431/1/A1.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/1676 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het college zijn beslissing van 3 juni 2008 tot het onmiddellijk toepassen van bestuursdwang door het ontmantelen van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Tilburg op schrift gesteld en aan [appellant] kenbaar gemaakt. Daarbij heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] gebracht.

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.D.A. Dellevoet, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zoals dat gold ten tijde van belang, wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, gelezen in samenhang met het vijfde lid, van de Awb behoeft het bestuursorgaan geen termijn te gunnen waarbinnen belanghebbenden tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Ingevolge het zesde lid zorgt het college, indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid (Bouwbesluit).

Ingevolge artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder a, is het verboden een bouwwerk of standplaats te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b (Bouwverordening).

Ingevolge artikel 2.52, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 dient een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit te hebben.

Ingevolge artikel 2.55, eerste lid, moet een voorziening van elektriciteit aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften te voldoen.

Ingevolge artikel 6.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Tilburg, voor zover thans van belang en zoals dat gold ten tijde van belang, is het, onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met 6.3.2, verboden in, op of aan een bouwwerk of een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. brandgevaar wordt veroorzaakt;

c. het vluchten wordt belemmerd.

Ingevolge artikel 7.3.2 is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet dan wel onvoldoende vaststaat dat er sprake is van een overtreding van de artikelen 2.52, eerste lid, van het Bouwbesluit en de artikelen 6.4.1 en 7.3.2 van de Bouwverordening, nu niet is gebleken dat daartoe bevoegde medewerkers van het college deze overtredingen hebben vastgesteld.

2.1. De inspectie van het pand op 3 juni 2008 is uitgevoerd door onder meer twee medewerkers in dienst van de gemeente, belast met het toezicht op de naleving van de Woningwet. Zij beschikken over alle toezichthoudende bevoegdheden als bedoeld in hoofdstuk 5, titel 2, van de Awb en hebben de bevindingen van de inspectie vastgelegd in de checklist "ontmanteling hennepkwekerijen Gemeente Tilburg". Hieruit blijkt dat het pand ten tijde van de inspectie in gebruik was als hennepkwekerij en sprake was van een brandgevaarlijke situatie doordat de elektriciteitsvoorziening op een gevaarlijke en onprofessionele wijze was uitgebreid, trafo's en lampen op hout waren bevestigd, open aansluitingen aanwezig waren en de installatie in de meterkast was gemanipuleerd om illegaal aftappen van stroom mogelijk te maken.

Nu [appellant] de in de checklist opgenomen weergave van hetgeen bij de inspectie in het pand is aangetroffen niet heeft betwist, staat vast dat het gebruik van de woning als hennepkwekerij in strijd is met het bepaalde in artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet en de artikelen 2.52 en 2.55 van het Bouwbesluit, alsmede met artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet en de artikelen 6.4.1 en 7.3.2 van de Bouwverordening, zoals die artikelen luidden ten tijde van belang, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de schending van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb. Hiertoe voert hij aan dat de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang aan het college is komen te ontvallen, nu het het besluit tot het uitvoeren van bestuursdwang niet zo spoedig mogelijk op schrift heeft gesteld. Voorts voert [appellant] aan dat hij in de periode dat het besluit niet op schrift was gesteld, niet in de gelegenheid was om aannemelijk te maken dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

3.1. Het vereiste dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 5:24, zesde lid, van de Awb, alsnog zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan betrokkene kenbaar gemaakt wordt, biedt betrokkene de mogelijkheid in bezwaar en beroep de rechtmatigheid van de beslissing aan te vechten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. 201008437/1/H3), vormt de enkele omstandigheid dat het op schrift stellen en bekendmaken van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet zo spoedig mogelijk zou hebben plaats gevonden, wat daarvan ook zij, wel een schending van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb, maar betekent dit op zichzelf nog niet dat daardoor de beslissing tot de toepassing van de bestuursdwang alsnog onrechtmatig wordt. Nu [appellant] de rechtmatigheid van de beslissing in bezwaar en beroep heeft kunnen aanvechten, heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden om aan het verstrijken van een periode van 23 dagen de door [appellant] gewenste gevolgen te verbinden. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft volstaan met het afsluiten van de elektriciteitsvoorziening. [appellant] voert aan dat hij door de onmiddellijke ontmanteling niet in de gelegenheid is gesteld de hennepkwekerij zelf te ontmantelen, waardoor hij ten onrechte met kosten voor de ten uitvoer gelegde spoedeisende bestuursdwang is geconfronteerd.

4.1. Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat ten tijde van de inspectie van het pand op 3 juni 2008 sprake was van een brandgevaarlijke situatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet heeft behoeven te volstaan met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening, aangezien dan de kans bestaat dat een nieuwe aansluiting op het elektriciteitsnet zal worden aangelegd en de exploitatie van de hennepkwekerij zal worden voortgezet. Gelet op de brandgevaarlijke situatie heeft de rechtbank terecht overwogen dat voldoende feitelijke grondslag bestond om ter zake met spoed wegens overtreding van het Bouwbesluit en de Bouwverordening op te treden. In hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college [appellant] in de gelegenheid had moeten stellen om de hennepkwekerij zelf te ontmantelen.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. [appellant] voert hiertoe aan dat de jurisprudentie van de Afdeling, voor wat betreft de aan de eigenaar van het in strijd met de bestemming als hennepkwekerij in gebruik zijnde pand te stellen eisen, niet op dezelfde wijze kan worden tegengeworpen aan de eigenaar, die wordt verweten het Bouwbesluit en de Bouwverordening te hebben overtreden. Voorts voert hij aan dat hij niet op de hoogte was van de hennepteelt, dat het hem gelet op de Grondwet en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet vrij stond het pand te controleren en dat bovendien slechts een kortstondige huurperiode van ruim twee maanden was verstreken en hij daarom nauwelijks gelegenheid heeft gehad voor controle van het pand.

5.1. Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij eigenaar was van het door hem verhuurde pand. Gelet op de artikelen 1b, tweede lid, aanhef en onder a, en 7b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, mag van de eigenaar van een pand worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik daarvan door derden. Het ligt derhalve op de weg van de eigenaar van een pand om te controleren of de voorschriften uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening worden nageleefd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat bij beantwoording van de vraag of [appellant] als overtreder van voormelde artikelen uit de Woningwet en de voorschriften van het Bouwbesluit en de Bouwverordening moet worden aangemerkt, de jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot het gebruik van een pand in strijd met de bestemming als hennepkwekerij van toepassing is.

Niet in geschil is dat [appellant] het door hem verhuurde pand niet aan de binnenzijde heeft gecontroleerd of zich op andere wijze op de hoogte heeft gesteld van het gebruik van het pand. In geschil is evenmin dat bij betreding van het pand, dat niet in gebruik was als woning, de hennepkwekerij en de daardoor ontstane brandgevaarlijke situatie direct zou zijn ontdekt. Weliswaar heeft [appellant] ter zitting van de rechtbank gesteld dat hij na het sluiten van de huurovereenkomst enkele keren bij het pand is gaan kijken en ook een keer heeft aangebeld, maar dat is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende voor het oordeel dat [appellant] voldoende heeft ondernomen om zich te informeren over het gebruik van het pand en heeft aldus niet de benodigde zorgvuldigheid in acht genomen. Daar komt bij dat in 2006 ook reeds een hennepkwekerij in het pand was aangetroffen en de huurpenningen contant in een koffiehuis werden betaald, hetgeen extra aandacht van de verhuurder vereist. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het recht op privacy van een huurder niet in de weg hoeft te staan aan het kunnen controleren van het eigendom van de verhuurder. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het voor hem niet mogelijk was om afspraken met de huurder te maken teneinde het gebruik van de woning te kunnen controleren.

Onder deze omstandigheden heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij ondanks de korte huurperiode niet kon weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] moet worden aangemerkt als overtreder van de verboden, opgenomen in artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, om het pand in een staat te laten komen en te laten gebruiken in strijd met de daarop van toepassing zijnde voorschriften.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur heeft gehandeld door hem als overtreder aan te merken. Hiertoe voert hij aan dat het college beleid voert om bijvoorbeeld woningcorporaties niet aan te merken als overtreder indien in een verhuurde woning een hennepkwekerij wordt aangetroffen en de kosten van de spoedeisende bestuursdwang in dat geval niet in rekening te brengen bij de overtreder.

6.1. Dit betoog faalt eveneens. In het besluit van het college van 15 april 2008 "Bestuurlijke aanpak hennepteelt" is niet neergelegd dat bij de toepassing van spoedeisende bestuursdwang een onderscheid wordt gemaakt tussen woningcorporaties en andere eigenaren/verhuurders. Nu [appellant] zijn betoog niet heeft onderbouwd met voorbeelden, bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van het college dat bij de toepassing van spoedeisende bestuursdwang geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende verhuurders.

6.2. Verder heeft [appellant] eerst ter zitting aangevoerd dat het in de "Bestuurlijke aanpak hennepteelt" neergelegde aangescherpte handhavingsbeleid niet kenbaar is gemaakt aan hem als eigenaar, terwijl dit in het beleid wel is voorgeschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2012 in zaak nr. 201111923/1/A1) kunnen, behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

[appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk was deze grond eerder in te dienen. In aanmerking genomen dat het college hierop niet op passende wijze kon reageren, is het ter zitting indienen van deze beroepsgrond in strijd met de goede procesorde, zodat deze grond buiten beschouwing wordt gelaten.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Hiertoe voert hij aan dat de bezwaarprocedure bijna 2,5 jaar in beslag heeft genomen.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1) moet de vraag of een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

7.2. Zoals de Afdeling bij dezelfde uitspraak heeft overwogen, is in een zaak als deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de hierboven vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten.

7.3. Bij besluit van 30 december 2008 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 26 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2010 in zaak nr. 200909271/1/H3 heeft de Afdeling dat besluit op bezwaar vernietigd. Ten gevolge van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 15 februari 2011 opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant].

De beide behandelingen van het bezwaar hebben vijf, respectievelijk ruim zes maanden in beslag genomen. Gelet hierop hebben de behandelingen elk plaatsgevonden binnen de in de uitspraak van 24 december 2008 gestelde termijn van een jaar. Voorts ligt tussen het indienen van het eerste verweerschrift op 30 juli 2008 en de tweede uitspraak van de rechtbank van 13 juli 2011 een periode van minder dan drie jaar. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

604.