Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201109064/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2009 heeft de minister een verzoek van RTL met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om een afschrift van een rapportage van de Commissie van Onderzoek onder leiding van prof. dr. J.W. Greve, inzake de bariatrische chirurgie in het Scheper ziekenhuis te Emmen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/362 met annotatie van R.J.G.M. Widdershoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109064/1/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2011 in zaak nr. 10/3853 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V., gevestigd te Hilversum,

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2009 heeft de minister een verzoek van RTL met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om een afschrift van een rapportage van de Commissie van Onderzoek onder leiding van prof. dr. J.W. Greve, inzake de bariatrische chirurgie in het Scheper ziekenhuis te Emmen, afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2010 heeft de minister het door RTL daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door RTL daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 september 2011.

De stichting Stichting Zorggroep Leveste Middenveld en de minister van Veiligheid en Justitie hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, bij onderscheidenlijke brieven van 28 november 2011 en 27 juni 2012 een schriftelijke reactie gegeven.

RTL, Leveste en de minister van Veiligheid en Justitie hebben de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om mede op de grondslag van de stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd uitspraak te doen.

Bij besluit van 19 december 2011 heeft de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het door RTL gemaakte bezwaar beslist en het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.W.Th. Berg en mr. S. Sadradein, werkzaam bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ), is verschenen. Voorts zijn ter zitting Leveste, vertegenwoordigd door mr. F. Lijffijt, advocaat te Zwolle, en de minister van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door mr. P. Hirschhorn, werkzaam bij het Parket-Generaal van het College van Procureurs-Generaal, als belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

(…).

2. De minister heeft in het besluit van 7 december 2009 vermeld dat hij beschikt over een brief van 24 september 2009 van de Raad van Bestuur van Leveste aan de IGZ, met als bijlage de rapportage van de Commissie van Onderzoek "Rapport commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheper ziekenhuis Emmen". Bij de rapportage bevinden zich twee bijlagen, aldus de minister. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van openbaarmaking van de brief, rapportage en bijlagen niet opweegt tegen de belangen, genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Wob.

Bij het besluit op bezwaar heeft de minister uiteengezet dat deze stukken betrekking hebben op een onderzoek naar maagverkleiningsoperaties en het handelen van een chirurg in het Scheper ziekenhuis. Het betreft een zogenoemd incidentenonderzoek, dat naar aanleiding van een melding is ingesteld. In deze zaak zijn voorts een opsporingsonderzoek en een gerechtelijk vooronderzoek geopend. De stukken zien op feiten die deel uitmaken van die onderzoeken en maken grotendeels deel uit van het strafrechtelijke onderzoeksdossier. Volgens het openbaar ministerie kan het verstrekken van de stukken de opsporing en vervolging in deze zaak ernstig schaden, aldus de minister. Gelet hierop heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het belang, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob in dit geval zwaarder weegt dan het openbaarheidsbelang. Het verzoek kan reeds op deze grond worden geweigerd. De andere weigeringsgrond die in het besluit van 7 december 2009 is gehanteerd, behoeft daarom geen verdere bespreking, aldus de minister.

3. De rechtbank heeft overwogen dat in het besluit op bezwaar uitsluitend is ingegaan op de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob. Het standpunt van de minister ter zitting dat hij de weigering tot openbaarmaking van de verzochte documenten op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob handhaaft, maakt dit niet anders, aldus de rechtbank. Zij heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar wat betreft de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob onzorgvuldig is voorbereid en niet is voorzien van een deugdelijke motivering en dit besluit daarom vernietigd.

3.1. De minister betoogt terecht dat de omstandigheid dat in het besluit op bezwaar de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, onbesproken is gebleven, onverlet laat dat bij dit besluit het besluit van 7 december 2009, met inbegrip van deze weigeringsgrond, is gehandhaafd. RTL heeft in het bezwaarschrift van 15 januari 2010 aangevoerd dat - samengevat weergegeven - het belang, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob niet aan openbaarmaking van de gevraagde stukken in de weg staat, omdat die niet in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn opgemaakt. Bovendien is de strafrechtelijke opsporingsfase afgerond, zodat geen reden meer bestaat voor afscherming van de gevraagde gegevens. Inhoudelijke kennis en bevindingen, berustend bij en onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de IGZ, zijn openbaar. De gevraagde stukken bevatten dergelijke bevindingen en moeten daarom, hooguit onder weglating van in de stukken vermelde inspectie- en controletechnieken, openbaar gemaakt worden, aldus RTL. Naar het oordeel van de Afdeling bevat het bezwaarschrift echter geen gronden tegen de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob. RTL heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid haar bezwaar mondeling toe te lichten. Voor de minister bestond daarom geen aanleiding in het besluit op bezwaar uitdrukkelijk op deze weigeringsgrond in te gaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.2. Nu de toepassing van de - zelfstandig dragende - weigeringsgrond, neergelegd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, in bezwaar niet is bestreden, moet in rechte van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Gelet hierop en gelet op het feit dat deze weigeringsgrond in het besluit op bezwaar is gehandhaafd, heeft de rechtbank het besluit van 9 juli 2010 ten onrechte vernietigd.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 juli 2010 ongegrond verklaren.

5. Bij besluit van 19 december 2011 heeft de minister, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door RTL gemaakte bezwaar beslist.

Ingevolge artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van deze wet, wordt dit besluit geacht eveneens voorwerp te zijn van het geding.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dit besluit de grondslag komen te ontvallen. De Afdeling zal het beroep tegen dit besluit daarom gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2011 in zaak nr. 10/3853;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2011, kenmerk DWJZ/R&E-2010000049 gegrond;

V. vernietigt dat besluit.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

176-598.