Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201205941/1/A3 en 201205941/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlenging van een voorrangsverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205941/1/A3 en 201205941/2/A3.

Datum uitspraak: 30 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wassenaar,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 mei 2012 in zaken nrs. 12/2869 en 12/2874 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlenging van een voorrangsverklaring afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2012, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2012 en 21 augustus 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. de Heij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tot het waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het eerste Protocol daarbij zijn opgenomen (hierna: het Vierde Protocol) heeft een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, het recht zich binnen dat grondgebied vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.

Ingevolge het derde lid mag de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge het vierde lid kunnen de in het eerste lid genoemde rechten ook, in bepaalde omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving.

Ingevolge artikel 31, deel I, van het Europees Sociaal Handvest heeft een ieder recht op huisvesting.

Ingevolge artikel 31, deel II, verbinden de Partijen zich, teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op huisvesting te waarborgen, maatregelen te nemen die erop zijn gericht:

1. de toegang tot adequate huisvesting te bevorderen;

2. dak- en thuisloosheid te voorkomen en te verminderen teneinde het geleidelijk uit te bannen;

3. de kosten voor huisvesting binnen het bereik te brengen van een ieder die niet over voldoende middelen beschikt.

Ingevolge artikel 34, derde lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, teneinde al diegenen die niet over voldoende middelen beschikken een waardig bestaan te verzekeren, onder de door het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Grondwet is bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg der overheid.

Ingevolge artikel 94 vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Ingevolge artikel 120 treedt de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet, voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een huisvestingsverordening vast, indien het naar het oordeel van de gemeenteraad noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, gaat de gemeenteraad, ten behoeve van de toepassing van het eerste lid, in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld, kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen.

Ingevolge 1, aanhef en onder jj, van de Regionale Huisvestingsverordening van het stadsgewest Haaglanden 2005 (hierna: Huisvestingsverordening) wordt in deze verordening verstaan onder stadsgewest het grondgebied van de aan de Regeling stadsgewest Haaglanden 1995 deelnemende gemeenten.

Ingevolge artikel 2 is het bepaalde in deze verordening van toepassing op woonruimten gelegen in de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, onder a, verlenen burgemeester en wethouders, voor zover woningzoekenden zelf een daartoe strekkend verzoek indienen, een voor het gehele stadsgewest geldende voorrangsverklaring aan woningzoekenden die:

- 18 jaar of ouder zijn;

- gedurende de termijn van minimaal één jaar ingezetene zijn, dan wel beschikken over een economische of maatschappelijke binding, dan wel in de positie verkeren als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, van de Huisvestingswet en

- de Nederlandse nationaliteit bezitten dan wel beschikken over een geldige verblijfstitel in Nederland en

- buiten eigen schuld en toedoen in een dusdanige situatie verkeren dat zij binnen drie maanden andere woonruimte behoeven en

- naar verwachting bij toepassing van de in artikel 22, eerste en tweede lid, bedoelde volgordecriteria niet binnen die termijn andere woonruimte zullen krijgen en

- hun betreffende situatie niet op een andere wijze kunnen oplossen.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, geldt de in het eerste lid bedoelde voorrangsverklaring alleen voor de door burgemeester en wethouders aan te geven categorieën woonruimte waarmee enkel de voorrangsverklaring binnen drie maanden kan worden opgelost.

Ingevolge het vierde lid, onder a, geldt de in het eerste lid bedoelde voorrangsverklaring alleen voor een termijn van drie maanden.

Ingevolge het bepaalde onder c, eerste volzin, kan de duur van de voorrangsverklaring ten hoogste één maal worden verlengd, indien de woningzoekende kan aantonen dat de voorrangsverklaring niet binnen de termijn waarvoor de voorrangsverklaring geldt kon worden benut én er niet sprake is van een (of meer) weigeringen van een passende woningaanbieding.

Volgens paragraaf 5.1 van de Uitvoeringsregels voorrangsbepaling stadsgewest Haaglanden van februari 2008 (hierna: de Uitvoeringsregels) is de voorrangsverklaring geldig voor de gehele regio. Het zoekgebied betreft dan ook de gehele regio. Reageren in een beperkt gebied van Haaglanden is altijd mogelijk. Indien de aanvrager verzoekt om een voorrangsverklaring met een beperkt zoekgebied, heeft dat uiteraard ook zijn terugslag op de periode (sinds het ontstaan van de woonproblemen) voorafgaande aan de aanvraag om voorrang. Tevens is het van invloed op de beoordeling van een eventueel verzoek om verlenging van de voorrangspositie. De reden om de voorrangspositie met toepassing van de hardheidsclausule voor een beperkt gebied te laten gelden, kan samenhangen met sociale en/of zorgnetwerken waarvan de aanvrager (of leden van zijn huishouden) afhankelijk is. Ook zou er sprake kunnen zijn van de noodzaak tot een specifieke medische behandeling dan wel specifieke sociale, maatschappelijke begeleiding vanuit een daartoe toegeruste instantie in één van de regiogemeenten. Er is hier niet sprake van een volledige opsomming.

Volgens paragraaf 5.3, voor zover thans van belang, dient de woningzoekende bij een aanvraag voor verlenging van de voorrangspositie aan te tonen dat de voorrangspositie niet binnen de gestelde termijn kon worden benut. De aanvrager van de verlenging dient aan te tonen dat in de regio voor hem geen passend woningaanbod is geadverteerd in de periode dat hij een voorrangspositie had. Wanneer de aanvrager (in het geheel) niet gereageerd heeft op het in de voorrangsperiode beschikbaar gekomen passende woningaanbod en daarvoor geen juridisch houdbaar excuus heeft (bijvoorbeeld ernstige ziekte of ongeval) dan zal de voorrangspositie niet worden verlengd.

2.3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] van 14 oktober 2011 tot 14 januari 2012, de periode waarvoor de aan hem verleende voorrangsverklaring gold, niet heeft gereageerd op passend woningaanbod in de regio Haaglanden en hij daarvoor geen juridisch houdbaar excuus heeft.

2.4. [appellant] voert aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in de periode waarvoor de voorrangsverklaring gold in de advertenties geen hem passende woning werd aangeboden.

2.4.1. Met toepassing van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Huisvestingsverordening is aan [appellant] een voor het gehele stadsgewest geldende voorrangsverklaring verleend. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat dit betekent dat [appellant] gehouden was om in de bewuste periode te reageren op passend woningaanbod in de gehele regio Haaglanden en niet slechts in de gemeente Wassenaar. [appellant] betwist niet dat er in de bewuste periode passend woningaanbod is geweest in de regio Haaglanden. Voorts heeft hij te kennen gegeven bewust niet te hebben gereageerd op passend woningaanbod in de andere aangesloten gemeenten. Dat [appellant] slechts bereid is om te reageren op passend woningaanbod in de gemeente Wassenaar komt gelet op deze regeling in de Huisvestingsverordening voor zijn rekening en risico, zodat zijn betoog niet slaagt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat artikel 31 van de Huisvestingsverordening in strijd is met artikel 2 van het Vierde Protocol en daarom, gelet op het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing dient te blijven.

2.5.1. De voorzieningenrechter heeft, anders dan [appellant] betoogt, door artikel 31 van de Huisvestingsverordening, geen wet in formele zin, aan artikel 2 van het Vierde Protocol te toetsen niet in strijd met het in artikel 120 van de Grondwet neergelegde toetsingsverbod gehandeld, nu dit artikel een verbod tot het toetsen van formele wetten aan de Grondwet inhoudt. Het toetsen van voorschriften, waaronder die van een gemeentelijke verordening aan internationale verdragsbepalingen is door artikel 120 van de Grondwet niet verboden en ligt, gelet op artikel 94 van de Grondwet, juist op de weg van de rechter.

2.5.2. Het in artikel 2 van het Vierde Protocol voorziene recht op het vrijelijk kiezen van verblijfplaats mag worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de in dat artikel genoemde doeleinden. De Huisvestingsverordening heeft onder meer als doel de verbetering van de aansluiting van het woningaanbod op de huidige en toekomstige vraag alsmede het vergroten van de keuzemogelijkheden van de financiële doelgroep van (rijks)beleid op de woningmarkt en het behoud van voldoende betaalbare huisvestingsmogelijkheden voor deze groep. De in artikel 31 van de Huisvestingsverordening opgenomen regeling kan een beperking met zich brengen om vrijelijk een verblijfplaats te kunnen kiezen. Onbestreden is dat deze beperking is voorzien bij wet, namelijk artikel 2 van de Huisvestingswet, en wordt ingegeven door het belang van een evenredige verdeling van het woningaanbod voor de betreffende doelgroepen. De voorzitter acht met de voorzieningenrechter artikel 31 van de Huisvestingsverordening niet in strijd met artikel 2 van het Vierde Protocol.

2.6. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat voorbij moet worden gegaan aan het bepaalde in de Huisvestingsverordening, omdat hij gelet op onder meer artikel 22 van de Grondwet, artikel 34, derde lid, van het Europees Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 31, deel I, en artikel 31, deel II, van het Europees Sociaal Handvest, recht heeft op deugdelijke en passende huisvesting wordt het volgende overwogen.

2.6.1. Alle door [appellant] genoemde bepalingen, voorzover deze zaak al valt binnen de materiële werkingssfeer van die bepalingen, op die bepalingen in rechte een beroep kan worden gedaan en die bepalingen al een rol kunnen spelen bij een besluit tot afwijzing van een verzoek om verlenging van een voorrangsverklaring, brengen niet met zich dat het college onder alle omstandigheden een woning in de gemeente Wassenaar dient te garanderen en geen eisen mag stellen aan woningzoekenden om een passende woning te betrekken. Het feit dat onder het begrip passende woning in artikel 31, eerste lid, onder a, van de Huisvestingsverordening ook wordt verstaan een woning buiten de gemeente Wassenaar, maar in de regio Haaglanden, is in ieder geval niet in strijd met die bepalingen.

2.7. [appellant] heeft de voorzitter met klem verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college dan wel de woningbouwvereniging wordt opgedragen [appellant] een passende woning toe te wijzen. Een zodanige voorziening gaat de reikwijdte van het besluit tot weigering van de verlenging van de voorrangsverklaring dat thans aan de orde is te buiten, zodat het reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het staat de voorzitter niet vrij los van het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit op dat verzoek te beslissen, omdat een zodanig verzoek valt buiten de grenzen van het geding, zoals artikel 8:69 van de Awb die bepaalt.

2.8. Er bestaat ook overigens in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond te oordelen dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niet in overeenstemming met de wet, in het bijzonder de Awb, of andere wettelijke voorschriften tot stand is gekomen.

Ook al het overige dat is aangevoerd kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen doel treffen.

De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat het college de verlenging van de voorrangsverklaring in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.9. Anders dan [appellant] betoogt, behoefde de voorzieningenrechter, gelet op het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, niet te beschikken over toestemming van partijen om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Wel was op grond van het tweede lid van dat artikel vereist dat partijen in de uitnodiging om ter zitting te verschijnen zijn gewezen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Nu [appellant] daar in de uitnodigingsbrief voor de zitting op is gewezen, was aan dit vereiste voldaan. Aangezien het oordeel van de voorzieningenrechter wordt bevestigd, heeft [appellant] voorts geen belang meer bij een bespreking van het betoog dat de voorzieningenrechter het gebruik van de bevoegdheid van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2012

280-697.