Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201200327/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Transvaalbuurt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200327/1/R1.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) beiden wonend te Amsterdam,

en

de raad van het stadsdeel Oost,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Transvaalbuurt" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. K. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door S.F.M. Heijsen, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de actualisering van een aantal plannen voor het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam en heeft voornamelijk een conserverend karakter.

2. [appellant] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer-2" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-kiosk" wat betreft de gronden gelegen aan de kruising van de Pretoriusstraat met de Linnaeusstraat. [appellant] voert als formeel bezwaar allereerst aan dat hij geen ontvangstbevestiging van zijn zienswijze heeft ontvangen.

2.1. In de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is degenen die een zienswijze naar voren hebben gebracht schriftelijk in kennis te stellen van de ontvangst daarvan.

Uit de memorie van toelichting bij de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Kamerstukken II 1999/2000, 27 023, nr. 3, blz. 16) volgt dat er geen reden bestaat om artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, op grond waarvan een bestuursorgaan verplicht is de ontvangst van een bezwaar- of beroepschrift schriftelijk te bevestigen, van overeenkomstige toepassing te verklaren op naar voren gebrachte zienswijzen. Blijkens de toelichting is er ten behoeve van de ontvangstbevestiging van zienswijzen voor gekozen om de afweging tussen de voordelen en de kosten van het verzenden van een ontvangstbevestiging aan de afzonderlijke bestuursorganen over te laten.

3. [appellant] voert aan dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de vergadering van de commissie Wonen op 10 oktober 2011 omtrent het bestemmingsplan en zodoende geen gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze mondeling toe te lichten.

3.1. De Afdeling overweegt dat, in overeenstemming met artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wro, een ieder gedurende de zienswijzentermijn in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen omtrent het ontwerpplan naar voren te brengen en dat [appellant] van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Dat [appellant] geen uitnodiging heeft gekregen voor de vergadering van de commissie Wonen op 10 oktober 2011 leidt niet tot het oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten, nu uit de Wro, de Awb, noch enige andere wettelijke bepaling de verplichting voortvloeit om hem in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze toe te lichten.

4. [appellant] voert aan dat hij nooit op de hoogte is gesteld van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Overigens is gebleken dat de raad op 11 januari 2012 een brief heeft verzonden aan [appellant], waarin is gewezen op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

5. [appellant] richt zich verder tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer-2" wat betreft de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk aan de kruising van de Pretoriusstraat met de Linnaeusstraat. Teneinde de bloemenkiosk ter plaatse (beter) te kunnen verkopen is volgens [appellant] onder meer een wijziging naar een winkelbestemming vereist. [appellant] betoogt dat rond 2003/2004 door de [portefeuillehouder] en [voormalig vice-voorzitter] van het dagelijks bestuur is toegezegd dat aan de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk een winkelbestemming zou worden toegekend. [appellant] betoogt dat deze toezegging ten onrechte niet in het plan is opgenomen. Een beroep van de raad op mogelijke precedentwerking acht [appellant] hier niet gerechtvaardigd.

5.1. De raad erkent dat rond 2003/2004 door ambtenaren van de gemeente onder meer de toezegging is gedaan dat aan de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk van [appellant] in het bestemmingsplan een winkelbestemming zou worden toegekend. De raad stelt zich echter op het standpunt dat deze toezegging geen bindend karakter heeft voor de raad. Voorts betoogt de raad dat hij de toezegging in de belangenafweging heeft betrokken, doch een zwaarder gewicht aan de verkeersbestemming heeft toegekend. De raad stelt dat hij met de toekenning van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-kiosk" de bloemenkiosk als zodanig heeft opgenomen in het bestemmingsplan. Een winkelbestemming acht de raad niet wenselijk, aangezien daarmee een permanent gebouw ter plaatse mogelijk wordt. De raad stelt dat met de aanwezigheid van een permanent gebouw de herinrichting van het plein aan de kruising van de Pretoriusstraat met de Linnaeusstraat moeilijker wordt en tevens de mogelijkheid met zich brengt tot plaatsing van bijgebouwen. Voorts voert de raad aan dat toekenning van een winkelbestemming kan leiden tot precedentwerking.

5.2. De gronden ter plaatse van de bloemenkiosk zijn in eigendom van de gemeente. Aan de desbetreffende gronden is in het plan de bestemming "Verkeer-2" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-kiosk" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer-2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. pleinen;

b. fiets- en/of voetpaden;

c. groenvoorzieningen;

d. bermen;

e. water;

f. sport- en speelvoorzieningen;

g. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-kiosk";

(..)

Ingevolge lid 10.2.1, aanhef en onder b, mogen binnen deze bestemming gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat gebouwen ten behoeve van

een kiosk uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-kiosk".

Ingevolge artikel 1, lid 1.24 wordt onder "detailhandel" verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die goederen kopen voor verbruik, gebruik of aanwending anders dan de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

5.3. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer haar uitspraken van 8 oktober 2008 in zaak nr. 200800761/1 en 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1), nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Een eventuele zodanige toezegging kan verder in de voorliggende procedure slechts aan de orde komen voor zover deze betrekking heeft op het bestemmingsplan.

[appellant] heeft zijn stelling dat door [portefeuillehouder] en [voormalig vice-voorzitter] de toezegging is gedaan dat aan de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk een winkelbestemming zou worden toegekend niet met enig stuk onderbouwd. De raad heeft een verklaring van [portefeuillehouder] overgelegd waarin [portefeuillehouder] weerspreekt dat een toezegging van een dergelijke strekking door hem of [voormalig vice-voorzitter] is gedaan. De raad erkent dat aan [appellant] door ambtenaren van de gemeente onder meer de toezegging is gedaan dat aan de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk een winkelbestemming zou worden toegekend, maar ontkent dat dit namens hem is gebeurd. In dit verband wijst de raad er terecht op dat de ambtenaren ter zake niet beslissingsbevoegd zijn.

Gelet op het voorgaande is het bestaan van een door de raad gedane of aan de raad toe te rekenen toezegging dat aan de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk een winkelbestemming zou worden toegekend door [appellant] niet aannemelijk gemaakt. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

De raad heeft verder te kennen gegeven dat hij de toezegging van de ambtenaren van de gemeente in zijn belangenafweging heeft betrokken. De raad heeft echter in de gedane toezegging geen aanleiding gezien om in het bestemmingsplan aan de desbetreffende gronden een ruimere winkelbestemming toe te kennen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat vanwege de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-kiosk" ter plaatse van de bloemenkiosk detailhandel is toegestaan en dat gezien 5.2 het begrip "detailhandel" ruim is gedefinieerd. Dienaangaande bestaat er geen relevant te achten verschil met een winkelbestemming. De Afdeling overweegt tevens dat de raad, gelet op de aanwezigheid van andere kiosken in de omgeving, in redelijkheid belang heeft kunnen hechten aan het feit dat het toekennen van een winkelbestemming aan de gronden ter plaatse van de bloemenkiosk precedentwerking kan hebben. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid.

6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het plan, voor zover bestreden, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

466-749.