Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201112710/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2010 heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid af te geven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B, B+E, C, C+E, D en D+E.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112710/1/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 oktober 2011 in zaak nr. 11/357 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2010 heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid af te geven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B, B+E, C, C+E, D en D+E.

Bij besluit van 6 april 2011 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

 

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de Bijlage).

In paragraaf 10.5 "Hypnotica, sedativa, anxiolytica" van de Bijlage is bepaald dat personen die benzodiazepinen gebruiken met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III) ongeschikt zijn. Personen die - in een therapeutische dosis - benzodiazepinen gebruiken die geen tot matig negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er bij chronisch gebruik een week na de start van de behandeling ongeschiktheid is.

2. Op 21 juli 2010 heeft [appellant] een aanvraag ingediend tot registratie van een verklaring van geschiktheid voor een rijbewijs van de categorieën A, B, B+E, C, C+E, D en D+E. In dat kader is hij onderzocht door C. Bouwsma, neuroloog te Groningen, die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 27 september 2010. Daarin heeft hij, mede gelet op de door hem verkregen informatie van zes neurologen uit de behandelend sector, onder meer geconcludeerd dat [appellant] sinds 1994 geregeld lijdt aan partiële epilepsie met secundaire generalisatie. De oorzaak daarvan is volgens hem een auto-ongeval in 1983, waarbij [appellant] frontaal hersenweefsel heeft ingeleverd. Voorts volgt uit het rapport dat [appellant] tweemaal daags 1000 mg Diazepam gebruikt. Bij het besluit van 18 november 2010 heeft het CBR, gelet op dit rapport en de paragrafen 7.2.2, 7.7, 8.6.2 en 10.5 van de Bijlage, geweigerd een verklaring van geschiktheid te registeren.

3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom de bepalingen in de Bijlage, gelet op onder meer het imperatieve karakter daarvan en de ter zake geldende jurisprudentie, strikt moeten worden uitgelegd.

3.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 juli 2007 in zaak nr. 200700365/1 is de Bijlage een algemeen verbindend voorschrift en is het CBR niet bevoegd hiervan af te wijken. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht overwogen dat de Regeling strikt dient te worden uitgelegd.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij dagelijks het middel Diazepam gebruikt. Daartoe voert hij aan dat hij in de afgelopen jaren inderdaad gebruik heeft gemaakt van het middel Diazepam, maar niet voortdurend, waardoor de situatie van paragraaf 10.5 van de Bijlage zich niet voordoet. Verder staat volgens hem niet vast dat Diazepam een negatief effect zou hebben op de rijvaardigheid.

4.1. Ook dit betoog faalt. De stelling van [appellant] dat hij niet dagelijks Diazepam gebruikt, leidt niet tot het door hem beoogde doel. Paragraaf 10.5 van de Bijlage vereist namelijk geen dagelijks gebruik van Diazepam om van toepassing te worden geacht. [appellant] heeft niet betwist dat hij Diazepam gebruikt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat [appellant] reeds op grond van paragraaf 10.5 van de Bijlage ongeschikt moet worden geacht voor het besturen van motorrijtuigen. Gelet hierop behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

176-721.