Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201108462/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft de staatssecretaris de aan de stichting ten behoeve van het project "Senioriteit: het verschil creëert de toekomst!" verleende subsidie lager vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:15
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/237 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JIN 2012/209 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108462/1/A2.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Senioriteit Nederland, gevestigd te Nijmegen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 juni 2011 in zaak nr. 09/2218 in het geding tussen:

de stichting

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft de staatssecretaris de aan de stichting ten behoeve van het project "Senioriteit: het verschil creëert de toekomst!" verleende subsidie lager vastgesteld.

Bij besluit van 9 november 2009 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2011 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2012, waar de stichting, vertegenwoordigd door haar [voorzitter] en [bestuurslid] van de stichting, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder b, an het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien het bezwaar geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2. De staatssecretaris heeft aan het besluit van 9 november 2009 ten grondslag gelegd dat de stichting niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 20 augustus 2009, nu op de laatste dag van de bezwaartermijn slechts per e-mail bezwaar is gemaakt en de stichting niet binnen de daarna geboden termijn om dit verzuim te herstellen alsnog schriftelijk bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar van de stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. De stichting komt op tegen voormeld oordeel van de rechtbank. Zij betoogt in de eerste plaats dat zij erop mocht vertrouwen dat haar per e-mail ingediende bezwaarschrift ontvankelijk zou zijn. Daartoe voert zij aan dat een medewerker van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid haar had meegedeeld dat zij per e-mail bezwaar kon maken.

3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 13) blijkt dat een bestuursorgaan zowel in een algemene regeling als in een bericht aan een of meer geadresseerden kenbaar kan maken dat een bericht elektronisch naar hem kan worden verzonden. Niet in geschil is dat de staatssecretaris de elektronische weg voor het indienen van een bezwaarschrift niet heeft opengesteld in een algemene regeling. In geschil is of door middel van een bericht aan de stichting kenbaar is gemaakt dat langs elektronische weg bezwaar kon worden gemaakt.

Op 1 oktober 2009, de laatste dag van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit van 20 augustus 2009, heeft de voorzitter van de stichting een medewerker van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de medewerker) telefonisch benaderd met de vraag hoe hij nog tijdig bezwaar kon maken namens de stichting, nu hij in het buitenland verbleef. De medewerker heeft toen geadviseerd per e-mail een bezwaarschrift in te dienen. Op dezelfde dag heeft de stichting per e-mail bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 augustus 2009. Bij e-mail van 2 oktober 2009 heeft de medewerker de stichting medegedeeld dat haar bezwaarschrift is doorgezonden naar het archief voor inname op 1 oktober 2009 en dat de stichting vanzelf nader bericht zou ontvangen. Bij e-mail van 20 december 2009 heeft de medewerker er ter toelichting op gewezen dat hij destijds telefonisch heeft geadviseerd om het bezwaarschrift te mailen, zodat er in elk geval iets binnen de gestelde termijn binnen zou zijn en het gebrek dat aan de indiening kleefde met toepassing van artikel 6:6 van de Awb nog zou kunnen worden hersteld.

Aan de op 1 oktober 2009 door de medewerker gedane mededeling kon de stichting slechts het vertrouwen ontlenen dat met de verzending van het bezwaarschrift per e-mail, overschrijding van de bezwaartermijn was voorkomen. Gelet op de bij e-mail van 2 oktober 2009 verzonden ontvangstbevestiging waarin was vermeld dat zij nader bericht zou ontvangen kon zij evenwel niet het gerechtvaardigde vertrouwen koesteren dat met deze wijze van indienen van het bezwaarschrift kon worden volstaan.

Het betoog faalt.

4. De stichting betoogt verder dat de rechtbank de overschrijding van de termijn voor het herstellen van het verzuim ten onrechte niet verschoonbaar heeft geacht. Zij voert daartoe aan dat zij de herstelverzuimbrief van 14 oktober 2009 niet tijdig heeft ontvangen. Dit kan haar niet worden aangerekend, omdat de brief per post was verzonden, terwijl met de staatssecretaris was afgesproken dat de communicatie na het einde van het project "Senioriteit: het verschil creëert de toekomst!" per e-mail of telefonisch zou plaatsvinden. Zij had daarom ook erop mogen vertrouwen dat de verzuimbrief haar per e-mail zou worden toegezonden en mocht ervan uitgaan dat zij geen verdere maatregelen hoefde te nemen om van nadere berichtgeving van de staatssecretaris op de hoogte te blijven, aldus de stichting.

4.1. De staatssecretaris heeft de stichting bij brief van 14 oktober 2009 in de gelegenheid gesteld om vóór 21 oktober 2009 alsnog een ondertekend bezwaarschrift per reguliere post in te dienen, waartoe hij, gelet op de uitspraak van 29 augustus 2012, in zaak nr. 201102653/1/R1, ook was gehouden. Niet in geschil is dat de stichting van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Eerst bij brief van 23 november 2009, derhalve na afloop van de geboden termijn, heeft de stichting alsnog per reguliere post een bezwaarschrift ingediend. De vraag ligt voor of deze overschrijding van de termijn die is geboden voor het herstel van het verzuim verschoonbaar is.

De stichting had behoren te begrijpen dat de suggestie van de medewerker, gedaan nadat hij door de stichting op de laatste dag van de bezwaartermijn werd benaderd met de vraag hoe zij nog tijdig zou kunnen opkomen, het karakter had van een noodoplossing. Mede gelet op de e-mail van de medewerker van 2 oktober 2009 had zij voorts moeten begrijpen dat zij nader bericht zou ontvangen over de behandeling van haar bezwaarschrift. Derhalve lag het op haar weg maatregelen te treffen opdat ze op de hoogte zou blijven van correspondentie dienaangaande. Dat, zoals de stichting betoogt, alle correspondentie met de staatssecretaris na afloop van het project via e-mail plaatsvond, zodat zij erop mocht vertrouwen dat de verzuimbrief haar ook per e-mail zou worden toegezonden en dat zij derhalve erop mocht vertrouwen dat zij geen verdere maatregelen hoefde te treffen om van vorenbedoelde correspondentie op de hoogte te blijven, kan niet worden gevolgd. Daartoe is van belang dat uit de overgelegde e-mailcorrespondentie niet blijkt van een toezegging of een afspraak dat na het einde van het project uitsluitend nog per e-mail zou worden gecorrespondeerd. De brief van 14 oktober 2009 is voorts verzonden naar hetzelfde correspondentieadres waarnaar ook het primaire besluit is verzonden. Van de stichting mocht derhalve worden verwacht dat zij een voorziening had getroffen teneinde tijdig op de hoogte te zijn van op dat adres binnengekomen post. De rechtbank heeft gelet hierop met juistheid geoordeeld dat overschrijding van de geboden termijn om alsnog per reguliere post bezwaar te maken niet verschoonbaar is.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

502-735.