Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201206212/1/A3 en 201206212/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2011 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een Nederlands paspoort afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201206212/1/A3 en 201206212/2/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 mei 2012 in zaak nr. 12/447 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2011 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een Nederlands paspoort afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2012, verzonden op 11 mei 2012, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2012.

Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2012, waar [appellant] in persoon en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander, binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 22 kan weigering of vervallenverklaring geschieden op verzoek van de minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, het bestuurscollege, dan wel een ander tot invordering bevoegd orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, dat het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon,

[…]

d. die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende onderhoudsverplichting, dan wel een bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde onderhoudsverplichting, zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, richten de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24, het verzoek tot weigering, onderscheidenlijk vervallenverklaring, onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden, bedoeld in artikel 18 en de artikelen 20 tot en met 24, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister van BZK).

Ingevolge het tweede lid geeft de autoriteit die een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan, indien de gronden zijn vervallen, de minister van BZK daarvan onverwijld kennis.

Ingevolge het derde lid vermeldt de minister van BZK, indien een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon, op wie het verzoek betrekking heeft, dan wel de persoon, ten aanzien van wie bij hem gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door de minister van BZK bij te houden register.

Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, deelt de minister van BZK de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken, dan wel in te houden, mede, aan welke personen die ingevolge het bepaalde in het derde lid in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden ingehouden.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, is in het buitenland de minister van Buitenlandse Zaken tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten op de gronden genoemd in hoofdstuk III bevoegd.

Ingevolge het tweede lid overtuigt een tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit, zodra deze een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon, ten aanzien van wie een mededeling, als bedoeld in artikel 25, vierde lid, is gedaan, zich ervan of de gronden tot weigering of vervallenverklaring ten aanzien van betrokkene nog bestaan.

Ingevolge het derde lid zendt de minister van BZK op verzoek van de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit aan deze de in het register opgenomen gegevens van de betrokkene toe.

Ingevolge het vierde lid deelt de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit, indien de gronden tot weigering of vervallenverklaring nog bestaan, de aanvrager, onderscheidenlijk de houder, terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag, onderscheidenlijk de inhouding, mede dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren, dan wel het ingehouden reisdocument vervallen te verklaren, tenzij de aanvrager, onderscheidenlijk de houder, hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, teneinde met de autoriteit, bij wie de gronden bestaan, een zodanige overeenstemming te bereiken, dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument of teruggave van het ingehouden reisdocument, dan wel verstrekking van een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur, onderscheidenlijk de territoriale geldigheid, beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, wordt, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, door de autoriteit, bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, aan de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit wordt medegedeeld dat overeenstemming is bereikt met de aanvrager, onderscheidenlijk de houder, dan wel, indien de gronden bij de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke overeenstemming is bereikt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, overeenkomstig de bereikte overeenstemming het gevraagde reisdocument verstrekt of het ingehouden reisdocument teruggegeven, dan wel het reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, verstrekt.

Ingevolge het tweede lid gaat de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan, als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager, onderscheidenlijk de houder, geen verzoek doet, als bedoeld in artikel 44, vierde lid, tot weigering of vervallenverklaring over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager onderscheidenlijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld.

2.3. De minister heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: het LBIO) [appellant] met toepassing van artikel 22, aanhef, onder d en slot, van de Paspoortwet heeft doen vermelden in het Register Paspoortsignaleringen (hierna: het register) vanwege een openstaande schuld. Overeenstemming, als bedoeld in artikel 44, vierde lid, van die wet, tussen het LBIO en [appellant] is uitgebleven. De minister acht [appellant] door de weigering niet onevenredig benadeeld in de zin van artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 44, tweede lid, van de Paspoortwet op hem rustende plicht zich ervan te overtuigen dat de gronden tot weigering ten aanzien van hem nog bestaan. De minister heeft er volgens hem mee volstaan vast te stellen dat hij nog in het register staat vermeld en ten onrechte niet onderzocht of het gegronde vermoeden in de zin van artikel 22 van de Paspoortwet nog bestaat. Dat is volgens [appellant] niet het geval, aangezien hij aan de hem opgelegde betalingsverplichtingen voldoet, de schuld naar vermogen aflost en het paspoort niet zal gebruiken om zich aan zijn betalingsverplichting te onttrekken.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juni 2007 in zaak nr. 200606713/1), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 44, tweede lid, van de Paspoortwet (Kamerstukken II 1987/88, 20 393, nr. 3, blz. 49-50 en 63) af te leiden dat bedoeld is dat de bevoegde autoriteit na ontvangst van een aanvraag om afgifte van een paspoort van een persoon die in het register staat vermeld onderzoekt of de gronden tot weigering zodanig zijn, dat afgifte van het paspoort moet worden geweigerd, dient de vraag naar de juistheid van de vermelding in het register bij de beoordeling van de aanvraag van een nieuw paspoort te worden betrokken en dient in die procedure te worden onderzocht of de gronden voor vermelding in het register nog aanwezig zijn.

Hieruit volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een paspoort niet mag worden volstaan met de enkele vaststelling dat de aanvrager in het register vermeld staat. De rechtbank heeft [appellant] evenwel terecht niet gevolgd in het betoog dat de minister zich bij het onderzoek als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Paspoortwet ten onrechte daartoe heeft beperkt. In het besluit van 9 december 2011 heeft de minister in aanmerking genomen dat de schuld van [appellant] ter zake van de kinderbijdrage € 133.301,62 bedraagt en hij die schuld, gelet op de hoogte van het bedrag dat hij maandelijks dient te betalen, slechts in zeer beperkte mate aflost. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden voor vermelding in het register daarom nog bestaan. In de door [appellant] gestelde omstandigheid dat hij maandelijks het door een Engelse rechtbank bepaalde bedrag aan kinderbijdrage betaalt, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op voormeld standpunt heeft gesteld. Dat [appellant] zich, naar hij stelt, in het buitenland niet aan zijn betalingsverplichtingen zal onttrekken, heeft haar terecht niet tot een ander oordeel geleid. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 april 2009 in zaak nr. 200806957/1/H3, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22 van de Paspoortwet (Kamerstukken II 1987/88, 20 393, nr. 3, blz. 42-44) dat, omdat invordering van de in die bepaling bedoelde schulden in het buitenland aanzienlijk problematischer is dan in het Koninkrijk, bedoeld is dat bij een betrokkene die zich reeds in het buitenland heeft gevestigd, eerder een gegrond vermoeden zal kunnen bestaan dat deze zich aan zijn verplichtingen zal onttrekken. Nu [appellant] in het buitenland woont en er geen zekerheden zijn dat hij de schuld zal aflossen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat een dergelijk vermoeden gegrond is.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij door de weigering niet onevenredig wordt benadeeld, heeft miskend dat niet aan hem te wijten is dat geen overeenstemming met het LBIO is bereikt, nu hij onvoldoende draagkrachtig is om aan de eis van het LBIO om een substantieel gedeelte van de schuld af te lossen te voldoen. Verder heeft zij miskend dat hij door de weigering een arbeidsovereenkomst niet kan sluiten en daardoor geen inkomen kan verwerven. Ook heeft zij miskend dat de minister hem eerder wel paspoorten heeft verstrekt, terwijl de schuld ook toen bestond, aldus [appellant].

2.5.1. Indien zijn financiële draagkracht, zoals [appellant] stelt, een belemmering is om met het LBIO tot overeenstemming te komen over de aflossing van de schuld, ligt het op zijn weg om desgewenst de daartoe bevoegde rechter te verzoeken zijn verplichtingen te wijzigen, dan wel op nihil te stellen. Nu de schuld reeds gedurende lange tijd bestaat, heeft de rechtbank in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister de gevolgen van het ontbreken van overeenstemming met het LBIO ten onrechte voor rekening van [appellant] heeft gelaten, door de afgifte te weigeren.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is werk te krijgen in de landen, waar met een Nederlandse identiteitskaart kan worden volstaan. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gestelde verminderde arbeidsmobiliteit niet zo belastend is, dat [appellant] door de weigering van het paspoort onevenredig wordt benadeeld.

Eerder heeft de minister aan [appellant] Nederlandse paspoorten met een beperkte geldigheidsduur afgegeven, nadat hij had voldaan aan door de minister betreffende aflossing van de schuld gestelde eisen. Naar de minister onbetwist heeft gesteld, hebben deze afgiften plaatsgevonden onder voorwaarde dat [appellant] binnen afzienbare termijn met het LBIO tot overeenstemming zou komen. Nu deze overeenstemming niet is bereikt, kon [appellant] onder die omstandigheden aan de eerdere afgiften niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat aan hem opnieuw een paspoort zou worden afgegeven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de eerdere afgiften niet maken dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] door de weigering niet onevenredig wordt benadeeld.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

640.