Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
201206910/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat de minister voornemens was de vreemdeling aan België over te dragen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling en dat daartoe concrete aanknopingspunten bestonden.

Gelet op het bepaalde in art. 62a, lid 1, aanhef en onder c, van de Vw 2000 betoogt de vreemdeling terecht dat de Rb. niet heeft onderkend dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit jegens hem heeft uitgevaardigd. (…) Nu uit voormelde brief van de minister aan de Rb. van 2 juli 2012 voorts volgt dat de minister ook na de afwijzing van het verzoek om terugname voornemens is gebleven de vreemdeling aan België over te dragen en dat voor het verzoek om heroverweging concrete aanknopingspunten bestonden, gelet op de bij faxbericht van 30 juni 2012 aan de minister overgelegde stukken, is de maatregel ook na 27 juni 2012 zonder terugkeerbesluit niet onrechtmatig geworden. De vreemdeling heeft het oordeel van de Rb. over de rechtmatigheid van de maatregel voorts niet anderszins bestreden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2012-08-29
Vreemdelingenwet 2000 62a, geldigheid: 2012-08-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/433

Uitspraak

201206910/1/V3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 9 juli 2012 in zaken nrs. 12/20396 en 12/20397 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling vervolgens in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2012, verzonden op 10 juli 2012, heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 juli 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet zeker is dat hij aan België kan worden overgedragen en dat het terugkeerbesluit daarom rechtmatig is.

De vreemdeling betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat concrete aanknopingspunten voor een overdracht aan België bestaan en dat de minister steeds de bedoeling heeft gehad hem over te dragen, ook nadat de Belgische autoriteiten het verzoek om terugname op

17 juni 2012 hadden afgewezen. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling evenmin onderkend dat nu het terugkeerbesluit onrechtmatig is, dit eveneens geldt voor de daarop volgende maatregel van bewaring.

2.1.1. Uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van

7 juni 2012 blijkt, voor zover thans van belang, dat de vreemdeling bij die gelegenheid heeft verklaard dat hij rechtmatig verblijf heeft in België, op welk adres hij in België staat ingeschreven en wat zijn Rijksregisternummer is. Voorts heeft de vreemdeling verklaard dat zijn papieren van hem zijn afgenomen en dat hij in België een nieuwe verblijfsaanvraag heeft ingediend.

Op 14 juni 2012 heeft de minister de Belgische autoriteiten op grond van de Beschikking van de Ministeriële werkgroep voor het Personenverkeer van de Benelux Economische Unie betreffende de verwijdering en de overname van personen van 28 juni 1967 (Trb. 1978, 171) verzocht de vreemdeling terug te nemen. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 27 juni 2012 afgewezen, omdat sinds meer dan zes maanden geen spoor van aanwezigheid van de vreemdeling op Belgisch grondgebied bestaat.

Tijdens het vertrekgesprek van 28 juni 2012 heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, verklaard dat hij nader bewijs van zijn verblijf in België zal laten faxen. Bij faxbericht van 30 juni 2012 heeft de minister nadere stukken van de zwager van de vreemdeling ontvangen, waaronder een aan de vreemdeling gericht poststuk van 10 april 2012, geadresseerd op het adres waar de vreemdeling, naar gesteld, in België staat ingeschreven. Bij brief van 2 juli 2012 heeft de minister aan de rechtbank te kennen gegeven dat hij op grond van deze stukken beoordeelt of een verzoek om heroverweging van de afwijzing van het verzoek om terugname bij de Belgische autoriteiten kan worden ingediend.

2.1.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door onze minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder c, stelt de minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op

13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

24 april 2012 in zaak nr. 201207709/1/V3, www.raadvanstate.nl) verplicht een terugkeerbesluit de derdelander om terug te keren naar een land buiten de Europese Unie. Uit deze uitspraak volgt voorts dat een redelijke uitleg van artikel 6, derde lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) en de daarin vervatte woorden 'wordt teruggenomen' met zich brengt dat de lidstaat waarin de illegale derdelander is aangetroffen geen terugkeerbesluit neemt zolang het voornemen bestaat de derdelander over te dragen aan een andere lidstaat en daartoe concrete aanknopingspunten bestaan.

De Afdeling heeft voorts overwogen dat artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op de bewaring van een vreemdeling jegens wie geen terugkeerprocedure loopt en dat dit onverlet laat dat artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 naar nationaal recht een grondslag biedt voor het in bewaring stellen van een vreemdeling met het oog op diens overdracht aan een andere lidstaat.

Artikel 6, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn is inmiddels geïmplementeerd in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder c, van de

Vw 2000. Artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn is inmiddels geïmplementeerd in artikel 59 van de Vw 2000. De Afdeling ziet geen grond over die bepalingen anders te oordelen dan zij in voormelde uitspraak over artikel 6, derde lid, en artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn heeft gedaan.

2.1.4. Niet in geschil is dat de minister voornemens was de vreemdeling aan België over te dragen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling en dat daartoe concrete aanknopingspunten bestonden. Gelet op het bepaalde in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 betoogt de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit jegens hem heeft uitgevaardigd.

De grief slaagt in zoverre.

2.1.5. Uit hetgeen onder 2.1.3. is overwogen, volgt, anders dan de vreemdeling betoogt, dat het terugkeerbesluit geen voorwaarde is voor de rechtmatigheid van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2012 in zaak nr. 201103609/1/V3, www.raadvanstate.nl) betekent dit niet dat het niettemin nemen van een dergelijk besluit de maatregel onrechtmatig maakt.

Nu uit voormelde brief van de minister aan de rechtbank van

2 juli 2012 voorts volgt dat de minister ook na de afwijzing van het verzoek om terugname voornemens is gebleven de vreemdeling aan België over te dragen en dat voor het verzoek om heroverweging concrete aanknopingspunten bestonden, gelet op de bij faxbericht van 30 juni 2012 aan de minister overgelegde stukken, is de maatregel ook na 27 juni 2012 zonder terugkeerbesluit niet onrechtmatig geworden. De vreemdeling heeft het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de maatregel voorts niet anderszins bestreden.

De grief faalt in zoverre.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het terugkeerbesluit van

7 juni 2012 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

2.3. Het verzoek om schadevergoeding komt reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking.

2.4. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 9 juli 2012 in zaak nr. 12/20397;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het tegen de vreemdeling uitgevaardigde terugkeerbesluit van 7 juni 2012;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

345-699.

Verzonden: 29 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser