Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
201112539/1/V2.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De informatie in de brief van de minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 20 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 19 637, nr. 1433) en in de uitspraak van de Rb. 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht van 21 maart 2011 (14 april 2011 red.) in zaak nrs. 11/9706 en 11/9704 (LJN: BQ1642), wijkt niet wezenlijk af van de informatie die in de uitspraak van 31 mei 2012 aan de orde was. Nu het standpunt van de minister in de besluiten van 23 oktober 2011, dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat een Oeigoer van wie de autoriteiten er van op de hoogte zijn dat in het buitenland om asiel is verzocht, bij terugkeer naar China reeds daarom een reëel risico loopt op schending van art. 3 EVRM, dezelfde strekking heeft als het standpunt over die bepaling in de zaak die tot de uitspraak van 31 mei 2012 heeft geleid, heeft de minister dat standpunt ook in de besluiten van 23 oktober 2011 deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112539/1/V2.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 november 2011 in zaken nrs. 11/34142, 11/34144, 11/34560 en 11/34561 in de gedingen tussen:

(de vreemdelingen)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 23 oktober 2011 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 december 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 februari 2012 hebben de vreemdelingen nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De vreemdelingen hebben zich in hun verweerschrift in hoger beroep op enige stukken beroepen die zij niet hebben overgelegd en waarvan zij evenmin een vindplaats hebben vermeld. Reeds hierom kunnen deze stukken niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken. De door de vreemdelingen bij brief van 20 februari 2012 gevoegde stukken die dateren van ná de aangevallen uitspraak en waarvan de inhoud ziet op de periode van ná de aangevallen uitspraak, kunnen niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, nu de aangevallen uitspraak ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dwingend als object van hoger beroep is aangewezen. De informatie in de overige stukken kan dat evenmin. Uit die stukken blijkt dat de gegeven informatie steunt op informatie uit de periode september 2001 tot en met juli 2009. De vreemdelingen hebben geen rechtens te honoreren verklaring gegeven waarom zij die informatie niet redelijkerwijs reeds in beroep bij de rechtbank hadden kunnen inbrengen.

2.3. In de enige grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij in de besluiten van 23 oktober 2011 niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar China een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De voorzieningenrechter heeft miskend dat de door de vreemdelingen ingebrachte stukken geen grond bieden voor de conclusie dat een Oeigoer van wie de autoriteiten er van op de hoogte zijn dat in het buitenland om asiel is verzocht, bij terugkeer naar China reeds daarom een risico loopt als vorenbedoeld, aldus de minister.

2.3.1. De Afdeling heeft eerder (bij uitspraak van 31 mei 2012 in zaak nr. 201200257/1/V2; www.raadvanstate.nl) overwogen dat de minister in het daarin aan de orde zijnde besluit, in het licht van het thematisch ambtsbericht inzake Xinjiang van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2011 en de brief van Amnesty International van 4 oktober 2011, deugdelijk heeft gemotiveerd dat een Oeigoer van wie de autoriteiten er van op de hoogte zijn dat in het buitenland om asiel is verzocht, bij terugkeer naar China niet reeds daarom een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

2.3.2. De informatie in de brief van de minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 20 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 19 637, nr. 1433) en in de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht van 21 maart 2011 in zaak nrs. 11/9706 en 11/9704 (LJN BQ1642), wijkt niet wezenlijk af van de informatie die in de uitspraak van 31 mei 2012 aan de orde was. Nu het standpunt van de minister in de besluiten van 23 oktober 2011, dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat een Oeigoer van wie de autoriteiten er van op de hoogte zijn dat in het buitenland om asiel is verzocht, bij terugkeer naar China reeds daarom een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, dezelfde strekking heeft als het standpunt over die bepaling in de zaak die tot de uitspraak van 31 mei 2012 heeft geleid, heeft de minister dat standpunt ook in de besluiten van 23 oktober 2011 deugdelijk gemotiveerd. De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

2.5. Voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, wordt aan deze gronden niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van de bij de rechtbank bestreden besluiten waarop ze betrekking hebben en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.6. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 november 2011 in zaken nrs. 11/34142 en 11/34560;

III. verklaart de in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

572-657.

Verzonden: 29 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser