Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201105193/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2011, kenmerk C2014020, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oosterhout bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105193/1/R3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiecentrum De Hannebroek B.V., Beheer- en Beleggingsmaatschappij De Hannebroek B.V., [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: De Hannebroek), alle gevestigd te Oosterhout,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011, kenmerk C2014020, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oosterhout bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied".

Tegen dit besluit heeft De Hannebroek, bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 3 mei 2011, beroep ingesteld.

De Hannebroek heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2012, waar De Hannebroek, vertegenwoordigd door [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door P.C.H. van der Made, werkzaam bij de gemeente, ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. De bezwaren van De Hannebroek, die een recreatiecentrum exploiteert aan de Hoevestraat 12 te Oosterhout, zijn in de eerste plaats gericht tegen de verlening van goedkeuring aan de oostelijke plangrens langs haar perceel. Zij stelt dat haar bedenkingen met betrekking tot dit deel van de oostelijke plangrens ten onrechte niet zijn besproken in het bestreden besluit.

2.2.1. Blijkens het raadsbesluit heeft de raad bij de vaststelling beoogd de gronden ten westen van de Hoevestraat en ten oosten van het plangebied, waaraan in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Bosgebied" was toegekend, in het plan op te nemen en daaraan de bestemming "Recreatieve doeleinden" toe te kennen. Deze gronden maken echter geen deel uit van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan dat ter inzage is gelegd. In haar bedenkingen van 25 augustus 2008 tegen het bestemmingsplan heeft De Hannebroek op deze discrepantie tussen het raadsbesluit en de plankaart gewezen. Omdat haar bedenkingen met betrekking tot de oostelijke plangrens niet zijn besproken in het besluit van het college van 23 februari 2009 over de goedkeuring van het plan, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 4 augustus 2010 in zaak nr. 200903145/1/R3 aanleiding gezien dat besluit in zoverre te vernietigen. In het thans voorliggende besluit van 8 februari 2011 is het college wederom niet ingegaan op de bedenkingen van De Hannebroek ten aanzien van de discrepantie tussen het raadsbesluit en de plankaart inzake de oostelijke plangrens. Nu het college erop toe dient te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met de rechtszekerheid, had het op de weg van het college gelegen in zoverre goedkeuring aan het raadsbesluit te onthouden. Nu het college dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit genomen in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover goedkeuring is verleend aan het gedeelte van de oostelijke plangrens langs het perceel van De Hannebroek aan de Hoevestraat 12 in Oosterhout, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van deze wet de raad op te dragen om binnen een jaar na en met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan voor het desbetreffende planonderdeel vast te stellen.

2.3. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de plandelen met de bestemming "Recreatieve doeleinden" die zien op gedeelten van de gronden tussen het perceel van het bestaande recreatiecentrum van De Hannebroek aan de Hoevestraat 12 en de rijksweg A12. Het college stelt in dit verband dat bij de in het plan voorziene uitbreiding van het recreatieterrein onvoldoende rekening is gehouden met de noodzaak om een verzorgingsplaats langs de rijksweg A27 te realiseren, met een toekomstige verbreding van de A27, met een groene geleding langs de A27 en tussen het recreatieterrein en de Hoevestraat, en met een ecoduct, zoals vermeld in de Gebiedsvisie landschapspark Oosterhout-Breda. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met een goede landschappelijke inpassing van de uitbreiding van het recreatiecentrum.

2.3.1. De Hannebroek stelt dat naar de effecten van de door haar gewenste uitbreiding op de natuurwaarden van de omgeving en de inpassing van de uitbreiding in de omgeving uitvoerig onderzoek is verricht. De Hannebroek wijst op het in haar opdracht door bureau Van den Bijtel Ecologisch Onderzoek ingestelde verkennend ecologisch onderzoek uit 2007. Hieruit blijkt volgens De Hannebroek dat de natuurwaarden, voor zover aanwezig, door de uitbreiding niet worden aangetast. Uit dit onderzoek en uit het bedrijfsplan voor het recreatiecentrum van De Hannebroek blijkt voorts dat voldoende noodzaak bestaat voor de uitbreiding. Voorts staat in het concept-rapport ten aanzien van Landschapspark Oosterhout-Breda dat de uitbreiding van De Hannebroek inpasbaar lijkt. De raad heeft geen bezwaren tegen de door De Hannebroek gewenste uitbreiding en deze wordt door de raad wenselijk geacht, aldus De Hannebroek.

De Hannebroek stelt dat het college ten onrechte meer belang toekent aan de eventueel te realiseren verzorgingsplaats langs de A27 en de verbreding ter plaatse van deze rijksweg, nu niet vaststaat dat deze zullen worden gerealiseerd en het voornemen van De Hannebroek tot uitbreiding al geruime tijd bekend is. De verzorgingsplaats is volgens De Hannebroek voorts niet noodzakelijk en niet in overeenstemming met het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in de Gebiedsvisie landschapspark Oosterhout-Breda.

2.3.2. Zoals door De Hannebroek is betoogd en ter zitting is toegelicht, is een goede ruimtelijke inpassing van de uitbreiding niet alleen een gemeentelijk en provinciaal belang, maar ook in het belang van De Hannebroek en de gasten van het recreatiecentrum. In haar opdracht heeft Van den Bijtel Ecologisch Onderzoek in september 2007 het "Verkennend ecologisch onderzoek Recreatiecentrum De Hannebroeck gemeente Oosterhout" opgesteld en heeft Van Nuland en Partners op 16 september 2007 "het bedrijfsplan voor recreatiecentrum De Hannebroeck te Oosterhout" opgesteld. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 4 augustus 2010 heeft overwogen, is in deze onderzoeken uitvoerig ingegaan op onder meer de inpasbaarheid van de uitbreiding van het recreatiecentrum. Gelet hierop acht de Afdeling de motivering van het college dat onvoldoende rekening is gehouden met de inpasbaarheid van de uitbreiding, niet overtuigend. Dit neemt echter niet weg dat het college naar eigen inzicht dient te beoordelen of andere ontwikkelingen aan de realisering van de uitbreiding in de weg kunnen staan.

De Afdeling heeft voorts in haar uitspraak van 4 augustus 2010 overwogen dat de mogelijke aanleg van een verzorgingsplaats langs de rijksweg A27 weliswaar in de weg staat aan realisering van een gedeelte van de door De Hannebroek gewenste uitbreiding, maar dat dit geen reden is om goedkeuring te onthouden aan het gehele plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" dat ziet op de gronden ten noorden van het bestaande recreatiecentrum.

In het thans bestreden besluit heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" dat ziet op de gronden ten noorden van het bestaande recreatiecentrum langs de rijksweg A27. Gelet op de omstandigheid dat, zoals ter zitting is toegelicht, ten tijde van het bestreden besluit een voldoende concreet voornemen bestond om de verzorgingsplaats langs de A27 en de verbreding van de A27 te realiseren, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid goedkeuring kunnen onthouden aan dit plandeel. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat het behoud van een groene geleding langs de A27, die uit een oogpunt van de vereiste ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk is, en de realisering van een bijbehorende afscherming, waartoe De Hannebroek zich ter zitting bereid heeft verklaard, in het plan onvoldoende zijn verzekerd.

Wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" voor gronden aan de noordoostelijke zijde van het bestaande recreatiecentrum langs de Hoevestraat overweegt de Afdeling dat het door De Hannebroek gewenste gebruik van deze gronden als toegang tot zijn andere gronden door het college weliswaar niet onaanvaardbaar wordt geacht, maar dat ook voor die gronden geldt dat bij de bestemming "Recreatieve doeleinden", zoals hiervoor is overwogen, het behoud van een groene geleding langs de Hoevestraat, die uit een oogpunt van de vereiste ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk is, en de realisering van een bijbehorende afscherming, waartoe De Hannebroek zich ter zitting bereid heeft verklaard, in het plan onvoldoende zijn verzekerd.

Overigens heeft het college ter zitting te kennen gegeven onder bepaalde voorwaarden, waaronder de aanleg van een geluidswal in de vorm van stuifzand langs de A27, te kunnen instemmen met een verdere uitbreiding van het recreatiecentrum van De Hannebroek dan die waaraan bij het bestreden besluit goedkeuring is verleend.

2.3.3. De conclusie is dat hetgeen De Hannebroek heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 8 februari 2011, kenmerk C2014020, voor zover goedkeuring is verleend aan de oostelijke plangrens langs het perceel aan de Hoevestraat 12 in Oosterhout, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II bedoelde planonderdeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. draagt de raad van de gemeente Oosterhout op om binnen een jaar na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van een plan voor het onder II bedoelde planonderdeel te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiecentrum De Hannebroek B.V., Beheer- en Beleggingsmaatschappij De Hannebroek B.V., [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiecentrum De Hannebroek B.V., Beheer- en Beleggingsmaatschappij De Hannebroek B.V., [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

177-653.

<hr><img src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2011p05193-1.jpg" width="750">