Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201103560/1/A4 en 201104730/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het college drie beslissingen tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang naar aanleiding van een asbestverontreiniging als gevolg van een brand op het perceel [locatie] te [plaats] op schrift gesteld. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de toepassing van de bestuursdwang voor rekening van [appellant] komen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/236
JAF 2012/146 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2012/918
JOM 2012/987
JBO 2013/3 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Milieurecht Totaal 2012/5717

Uitspraak

201103560/1/A4 en 201104730/1/A4.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Woudrichem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het college drie beslissingen tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang naar aanleiding van een asbestverontreiniging als gevolg van een brand op het perceel [locatie] te [plaats] op schrift gesteld. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de toepassing van de bestuursdwang voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 8 februari 2011, verzonden op 11 februari 2011, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college de kosten van de bestuurdwang vastgesteld op een bedrag van € 140.355,34.

Tegen het besluit van 8 februari 2011 heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 mei 2011.

Tegen het besluit van 15 maart 2011 is door [appellant] een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door het college doorgezonden aan de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Tilburg, R. Bergsma, wethouder, en E.F. Meijdam en M.G. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Inleiding

2.1. Op zondag 11 juli 2010 is brand uitgebroken als gevolg van een blikseminslag in een schuur van [appellant] aan de [locatie] te [plaats]. Daarbij is een hoeveelheid asbest vrijgekomen en verspreid in de directe omgeving. Op 11 juli 2010 is in opdracht van het college begonnen met het reinigen van het openbaar gebied in de directe omgeving van het perceel [locatie]. Op 13 en 14 juli 2010 is in opdracht van het college asbest verwijderd van ten noorden en noordoosten van het perceel [locatie] gelegen percelen, door het college aangeduid als het effectgebied. Tenslotte is vanaf 16 juli 2010 in opdracht van het college asbest verwijderd van het perceel [locatie] en de belendende percelen [locaties]. Bij het besluit van 27 juli 2010 heeft het college zijn beslissingen om op deze wijze bestuursdwang toe te passen met betrekking tot de asbestverontreiniging op schrift gesteld.

Toepassing van spoedeisende bestuursdwang

2.2. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij artikel 1.1a van de Wet milieubeheer heeft overtreden. Volgens [appellant] kan hem niet worden verweten dat hij geen maatregelen heeft getroffen ten aanzien van de asbestverontreiniging. Hij stelt in dit verband dat het voor hem onduidelijk is wat hij nog meer had kunnen doen dan het inschakelen van zijn opstalverzekeraar, die Analysebureau Safety Inventarisatie B.V. (hierna: ASI) een asbestinventarisatierapport heeft laten opmaken en asbestsaneringsbedrijf Ureco B.V. (hierna: Ureco) heeft verzocht om op 20 juli 2010 met saneringswerkzaamheden op het perceel van [appellant] te beginnen.

[appellant] voert verder aan dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens hem was er niet zodanige spoed dat het nodig was om direct tot toepassing van bestuursdwang over te gaan. In dit verband wijst hij erop dat in het asbestinventarisatierapport van ASI is vermeld dat gelet op de gezondheidsrisico's geen onmiddellijke noodzaak bestond tot het treffen van maatregelen als inkapselen of verwijderen van het materiaal. Ook uit een brief van het college aan omwonenden van 11 juli 2010 blijkt volgens hem dat er geen gezondheidsrisico's waren. Nu spoed ontbrak, had een last onder bestuursdwang kunnen worden opgelegd en had hij voorafgaand daaraan kunnen worden gehoord, aldus [appellant]. Ook had volgens hem geprobeerd kunnen worden Ureco eerder dan de geplande datum van 20 juli 2010 met de sanering van het perceel van [appellant] te laten beginnen.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer neemt een ieder voldoende zorg voor het milieu in acht.

Ingevolge het tweede lid houdt de zorg, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid van hem kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 december 2004 in zaak nr. 200401808/1 geldt de in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer vervatte zorgplicht in beginsel slechts in gevallen waarin ernstige nadelige gevolgen optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de Wet milieubeheer er niet op andere wijze in voorziet om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken.

2.2.2. Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zonder voorafgaande last zal worden toegepast.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

2.2.3. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat door het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels als gevolg van de brand in de schuur aan de [locatie] te [plaats] ernstige nadelige gevolgen zijn ontstaan of acuut dreigden te ontstaan voor mens en milieu, die niet op een andere wijze door de Wet milieubeheer dan op grond van artikel 1.1a van die wet worden gereguleerd.

2.2.4. Een eigenaar van een schuur die na het vrijkomen en de verspreiding van asbest tengevolge van een brand in zijn schuur nalaat direct maatregelen te treffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, kan redelijkerwijs vermoeden dat door dit nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt. Op grond van de resultaten van een in opdracht van het college op 11 juli 2010 door Milieutechnisch Adviesbureau AA&I (hierna: AA&I) uitgevoerd asbestinventarisatieonderzoek en door de GGD aan het college uitgebrachte adviezen is aannemelijk dat de door de asbestverspreiding ontstane situatie vanuit een oogpunt van volksgezondheid dermate spoedeisend was dat zo snel mogelijk tot sanering diende te worden overgegaan. Het rapport van ASI leidt niet tot een ander oordeel, omdat het slechts betrekking heeft op het perceel [locatie] en niet op openbare ruimte en de omliggende percelen. [appellant] heeft nagelaten zo spoedig mogelijk tot sanering over te gaan, zodat hij artikel 1.1a van de Wet milieubeheer heeft overtreden.

Dat [appellant], naar hij stelt, op 11 juli 2010 voor het openbaar gebied en op 13 juli 2010 voor het effectgebied geen maatregelen kon treffen, nu het college hem daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld, kan hieraan niet afdoen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in verband met de spoedeisendheid van de situatie zijn beslissingen tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kon stellen, alsmede dat de vereiste spoed zich ertegen verzette dat [appellant] een termijn werd gegund om zelf maatregelen ter voorkoming van bestuursdwang te treffen.

2.2.5. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid aan artikel 5:31, tweede lid, van de Awb toepassing kunnen geven. De beroepsgrond faalt.

Kostenverhaal

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van de uitgeoefende bestuursdwang op hem kunnen worden verhaald. Hij voert hiertoe aan dat de asbestverontreiniging hem niet te verwijten valt, dat het college slechts vanuit het algemeen belang heeft gehandeld, dat de kosten zeer hoog zijn en dat hij een particulier is waardoor zijn positie anders is dan die van bedrijven, bijvoorbeeld wat de fiscale aftrekbaarheid van de kosten betreft. Volgens [appellant] kon van hem als particulier ook niet worden verlangd dat hij andere verzekeringen dan een opstal- en aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten om risico's bij asbestverspreiding in openbaar gebied en op de percelen van anderen af te dekken.

2.3.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.3.2. In artikel 5:25 van de Awb is neergelegd dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. Daarnaast dient te worden afgewogen of de hoogte van de kosten van de bestuursdwang aanleiding geeft om daar geheel of gedeeltelijk van af te zien.

2.3.3. Zoals volgt uit overweging 2.2.4, heeft [appellant] niet de maatregelen genomen die van hem konden worden gevergd. Gelet hierop kan hem de ontstane situatie worden verweten. De mate waarin het algemeen belang betrokken is bij het ongedaan maken van deze situatie, kan daarom geen aanleiding geven voor het oordeel dat de kosten daarvan redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen.

Niet gebleken is van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de kosten van de bestuursdwang redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van [appellant] zouden moeten komen. Dat [appellant] een particulier is, is niet een zodanige omstandigheid. De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat het college in de hoogte van de kosten van de bestuursdwang aanleiding had moeten zien om geheel of gedeeltelijk van het verhalen van deze kosten af te zien.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het verhalen van de kosten van de bestuursdwang op [appellant] niet onredelijk is. De beroepsgrond faalt.

Besluit tot vaststelling van de kosten

2.4. Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college de kosten van de bestuursdwang vastgesteld. Gelet op artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb wordt het besluit van 15 maart 2011 geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding, nu daartegen van rechtswege beroep is ontstaan.

2.4.1. [appellant] betoogt dat niet kosteneffectief is gesaneerd, althans dat het college dit onvoldoende heeft aangetoond. Hij voert in dit verband aan dat voor de door AA&I in opdracht van het college uitgevoerde asbestinventarisatie en de door onder meer Reco Groep B.V. (hierna: Reco Groep) in opdracht van het college verrichte saneringswerkzaamheden geen offertes zijn uitgebracht. De voor de inventarisatie en de sanering aan het college in rekening gebrachte kosten zijn volgens [appellant] onvoldoende inzichtelijk en onredelijk hoog. Daarbij voert hij aan dat de kosten van de asbestinventarisatie van het door zijn opstalverzekeraar ingeschakelde ASI de helft bedragen van de kosten die AA&I voor haar asbestinventarisatie in rekening heeft gebracht en dat Ureco in een offerte van 14 juli 2010 een aanzienlijk lager bedrag van € 22.305,94 heeft berekend voor het saneren van zijn perceel dan de hiervoor door Reco Groep aan het college in rekening gebrachte kosten van € 73.137,10.

2.4.2. Het college heeft bij de beslissing om de gekozen bedrijven in te schakelen voor de inventarisatie en sanering van de asbestverontreiniging, gelet op de spoedeisendheid van de situatie, van doorslaggevend belang mogen achten dat deze bedrijven onmiddellijk beschikbaar waren en niet het uitbrengen van offertes hoeven af te wachten. Het college heeft de voor de inventarisatie en de sanering gemaakte kosten inzichtelijk gemaakt aan de hand van de bij het verweerschrift overgelegde offerte van Reco Groep en facturen en voorts nader toegelicht naar aanleiding van hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd. Daarbij heeft het college tevens een verklaring gegeven voor de verschillen tussen de facturen van ASI en AA&I en tussen de offerte van Ureco en de facturen van Reco Groep. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het college gemaakte, aldus toegelichte, kosten onredelijk hoog zijn. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten van de bestuurdwang onjuist heeft vastgesteld. De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

462-379.