Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201103497/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college aan [appellant sub 3] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer geweigerd voor zover het een aangevraagd mestbassin betreft en voor het overige verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te Enter. Dit besluit is op 10 februari 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Besluit mestbassins milieubeheer
Besluit mestbassins milieubeheer 1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/833
JOM 2012/924
Milieurecht Totaal 2012/5708

Uitspraak

201103497/1/A4.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Enter, gemeente Wierden,

2. [appellant sub 2], wonend te Enter, gemeente Wierden,

3. [appellant sub 3A], [appellante sub 3B] en [appellante sub 3C], wonend onderscheidenlijk gevestigd te Enter, gemeente Wierden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellant sub 4], wonend te Enter, gemeente Wierden,

5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te Enter, gemeente Wierden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college aan [appellant sub 3] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer geweigerd voor zover het een aangevraagd mestbassin betreft en voor het overige verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te Enter. Dit besluit is op 10 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2011, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, en [appellant sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 20 april 2011. [appellant sub 5] en anderen hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 20 april 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2012, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. Paalman, advocaat te Almelo, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede, en door P. Boverhof, [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door A. ter Avest en L. Pak, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Intrekking beroepsgrond [appellant sub 2]

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond dat [appellant sub 3] dode varkens aan de openbare weg laat liggen, hetgeen een gevaar voor de volksgezondheid oplevert, ingetrokken.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Vergunningsituatie

2.3. Op 12 september 2005 is voor de inrichting een revisievergunning verleend voor het houden van 2.786 gespeende biggen, 227 kraamzeugen, 657 guste en dragende zeugen, 6 dekberen en 15 opfokzeugen. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 1.142 gespeende biggen, 395 kraamzeugen, 1.344 guste en dragende zeugen, 5 dekberen, 15 opfokzeugen, 20 schapen en een pony.

Ontvankelijkheid beroep [appellant sub 5] en anderen

2.4. [appellant sub 3] stelt zich op het standpunt dat M.H. Middelkamp zijn bevoegdheid om namens [appellant sub 5] en anderen beroep in te stellen onvoldoende heeft aangetoond.

M.H. Middelkamp heeft machtigingen van [appellant sub 5] en anderen overgelegd die mede betrekking hebben op het instellen van beroep tegen het bestreden besluit.

2.5. [appellant sub 3] stelt zich op het standpunt dat van [appellant sub 5] en anderen [appellant sub 5A] geen belanghebbende is, omdat hij hemelsbreed op bijna een kilometer afstand van de inrichting woont.

2.5.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.5.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

2.5.3. Anders dan [appellant sub 3] stelt, bedraagt de afstand van de woning van [appellant sub 5A] tot de inrichting niet hemelsbreed bijna een kilometer, maar ongeveer 600 meter. Gelet op de aard en omvang van de inrichting is aannemelijk dat [appellant sub 5A] bij zijn woning milieugevolgen van de inrichting kan ondervinden. [appellant sub 5A] is dan ook belanghebbende bij het bestreden besluit.

2.6. [appellant sub 3] stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 5] en anderen op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover het de grond betreft dat de voor de inrichting op 12 september 2005 verleende vergunning niet in werking is getreden en deels is komen te vervallen en voor zover het de grond betreft dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld.

2.6.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit artikel 6:13 vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning die, zoals hier, vóór 1 april 2011 bekend zijn gemaakt, worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. Bij besluiten die op of na 1 april 2011 zijn bekendgemaakt, worden dergelijke beslissingen voor de toepassing van artikel 6:13 niet langer als besluitonderdelen aangemerkt (zie de uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201006983/1/M2).

2.6.2. De grond dat de op 12 september 2005 verleende vergunning niet in werking is getreden en deels is komen te vervallen en de grond dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld, hebben geen betrekking op besluitonderdelen als hiervoor bedoeld. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 5] en anderen in zoverre op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.

Algemeen toetsingskader

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Beroep [appellant sub 3]

2.8. [appellant sub 3] betoogt dat het college de gevraagde vergunning ten onrechte heeft geweigerd voor het mestbassin. Volgens haar is op het aangevraagde mestbassin, anders dan waarvan het college bij zijn beoordeling is uitgegaan, het Besluit mestbassins milieubeheer (hierna: het Besluit mestbassins) van toepassing, nu de oppervlakte van het mestbassin maximaal 300 m2 bedraagt. Ook indien echter geoordeeld wordt dat het Besluit mestbassins niet van toepassing is, berust de weigering van de gevraagde vergunning voor het mestbassin volgens [appellant sub 3] op een ondeugdelijke motivering. Volgens haar heeft het college in dat geval onvoldoende gemotiveerd waarom het mestbassin zodanige geur- en geluidhinder veroorzaakt dat de vergunning in zoverre moest worden geweigerd.

2.8.1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Besluit mestbassins is dit besluit niet van toepassing op een inrichting waar dunne mest wordt bewaard in een bassin, dat is gelegen:

a. op minder dan 50 meter afstand van een woning van derden, die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;

b. op minder dan 100 meter afstand van een gevoelig object van derden of een woning van derden, niet zijnde een woning als bedoeld onder a.

Ingevolge het derde lid bedragen, indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 m2, de in het tweede lid bedoelde afstanden respectievelijk 25 en 50 meter.

2.8.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het Besluit mestbassins niet van toepassing is. Volgens het college bedraagt de oppervlakte van het aangevraagde mestbassin 456 m2, berekend aan de hand van de lengte en breedte van de buitenrand van de onderzijde van het mestbassin. Nu op ongeveer 83 meter van het mestbassin de burgerwoning Achteresweg 7 is gelegen, wordt niet voldaan aan de in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit mestbassins genoemde afstand van 100 meter, aldus het college.

2.8.3. In het Besluit mestbassins is niet nader geregeld hoe de oppervlakte van een mestbassin moet worden berekend. Naar het oordeel van de Afdeling dient de oppervlakte van een mestbassin in het kader van het Besluit mestbassins te worden berekend aan de hand van de lengte en breedte van de binnenrand van de bovenzijde van het mestbassin. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de aldus berekende oppervlakte overeenkomt met het geuremitterend oppervlak van het mestbassin bij volledige vulling. De lengte en breedte van de binnenrand van de bovenzijde van het aangevraagde mestbassin bedragen 20 en 15 meter, zodat de oppervlakte van dit mestbassin 300 m2 bedraagt. Dit betekent dat het derde lid van artikel 1 van het Besluit mestbassins van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat aan de daarin genoemde afstanden niet wordt voldaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat op de inrichting het Besluit mestbassins van toepassing is. Nu het college dit heeft miskend, berust de weigering van de gevraagde vergunning voor het mestbassin in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.

Beroep [appellant sub 2]

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat het college bij de beoordeling van de geurhinder de locatie van een door hem gesloopte woning had moeten behandelen als geurgevoelig object, omdat hij op deze locatie mogelijk een nieuwe woning wil bouwen en het college heeft toegezegd dat dit mag. De verlening van de revisievergunning voor de inrichting leidt ertoe dat deze woning niet meer kan worden gebouwd, hetgeen in strijd is met het vertrouwensbeginsel, aldus [appellant sub 2].

2.9.1. Het college heeft de gevolgen van de geuremissie vanuit de dierenverblijven van de inrichting getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv). De Wgv vormt het exclusieve kader voor de beoordeling van deze geuremissie. Zoals de Afdeling eerder, bij uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200905428/1/M2, heeft overwogen, biedt de Wgv geen grondslag om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen. Nu vaststaat dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op de door [appellant sub 2] genoemde locatie geen woning aanwezig was, heeft het college deze locatie terecht niet bij de beoordeling van de geuremissie op grond van de Wgv betrokken. De door [appellant sub 2] genoemde toezeggingen kunnen niet leiden tot het oordeel dat het college de betrokken locatie in afwijking van de Wgv als geurgevoelig object had moeten behandelen. De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant sub 2] voert aan dat de afstand van de inrichting tot de woning Achteresweg 3 ongeveer 90 meter bedraagt, terwijl deze 100 meter zou moeten zijn.

2.10.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.10.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de woning Achteresweg 3 buiten de bebouwde kom is gelegen. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dit standpunt stelt. Gelet hierop geldt voor de woning Achteresweg 3 op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv een minimale afstand van 50 meter. Niet in geschil is dat aan die afstand wordt voldaan. De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 2] voert aan dat [appellant sub 3] de luchtwasser in de praktijk veelal uitschakelt en de deuren van de stallen vaak openzet. Voorts wordt de mest volgens hem vaak in de nacht afgevoerd en wordt veevoer vaak vóór 06:00 uur afgeleverd.

2.11.1. Ingevolge voorschrift 1.1.3 van de vergunning moeten, behoudens het doorlaten van personen of goederen, de deuren en ramen van alle stallen gesloten worden gehouden. Uit paragraaf 22 van het aanvraagformulier van 28 april 2009 volgt dat geen vrachtwagenbewegingen of trekkerbewegingen in de nacht zijn aangevraagd. Nu dit aanvraagformulier ingevolge voorschrift 1.1.7 deel uitmaakt van de vergunning, zijn op grond van de vergunning geen vrachtwagenbewegingen of trekkerbewegingen in de nacht toegestaan. Ook het uitzetten van de luchtwasser is op grond van de vergunning niet toegestaan. Het betoog van [appellant sub 2] komt erop neer dat [appellant sub 3] de vergunning op deze punten niet naleeft. Dit betoog heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de verleende vergunning en kan reeds hierom niet slagen. De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 2] voert aan dat door het uitschakelen van de ventilatie in de inrichting veel zeugen doodgaan.

Dierenwelzijn is geen aspect dat een rol kan spelen in deze procedure, nu het geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant sub 2] stelt dat het aantal zeugen dat gehouden wordt te veel is voor dit dichtbevolkte gebied.

[appellant sub 2] heeft deze stelling niet nader onderbouwd, zodat de beroepsgrond reeds daarom faalt.

Beroep [appellant sub 1]

2.14. [appellant sub 1] voert aan dat de inrichting door de veroorzaakte geur-, geluid-, verkeers- en visuele hinder niet past in de omgeving. Wat geur betreft voert hij daarbij aan dat ondanks toepassing van een luchtwasser nog steeds onaanvaardbare hinder optreedt, waardoor hij niet buiten kan zitten. De inrichting zou volgens [appellant sub 1] in een landschapsontwikkelingsgebied moeten worden gevestigd.

2.14.1. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunningverlening niet leidt tot onaanvaardbare geur-, geluid-, verkeers- en visuele hinder. De beroepsgrond faalt.

2.15. [appellant sub 1] voert aan dat het college onvoldoende optreedt tegen ontoelaatbare activiteiten van [appellant sub 3] en onvoldoende reageert op klachten van omwonenden.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

Beroep [appellant sub 4]

2.16. [appellant sub 4] voert aan dat de inrichting onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt. In de inrichting worden 's avonds regelmatig luiken opengezet en wordt de luchtwasser regelmatig uitgezet, aldus [appellant sub 4]. Hierop wordt volgens hem door het college onvoldoende gecontroleerd. Volgens [appellant sub 4] is de regelgeving onvoldoende en kan het college hem geen verzekeringen geven dat geen geurhinder optreedt.

2.16.1. Voor zover [appellant sub 4] stelt dat de vergunning niet wordt nageleefd en hierop door het college niet voldoende wordt gecontroleerd, heeft dit geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan zijn betoog reeds om die reden niet slagen. Verder is de enkele stelling dat de regelgeving onvoldoende is en het college hem geen verzekeringen kan geven dat geen geurhinder optreedt, onvoldoende voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunningverlening niet tot onaanvaardbare geurhinder leidt. De beroepsgrond faalt.

2.17. [appellant sub 4] voert aan dat vergunningverlening zeer waarschijnlijk zal leiden tot een waardedaling van zijn woning.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds om die reden.

Beroep [appellant sub 5] en anderen

2.18. [appellant sub 5] en anderen betogen dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat en niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

2.18.1. Hetgeen [appellant sub 5] en anderen in dit verband hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de milieugevolgen. De beroepsgrond faalt.

2.19. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het college bij zijn beoordeling heeft miskend dat de op 12 september 2005 voor de inrichting verleende revisievergunning ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking is getreden en voorts deels is komen te vervallen.

[appellant sub 5] en anderen hebben hun stelling dat de revisievergunning van 12 september 2005 niet in werking is getreden en deels is vervallen niet gemotiveerd. De beroepsgrond faalt.

2.20. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het college bij de beoordeling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met dieren die in gehuurde stallen in de omgeving van de inrichting worden gehouden.

2.20.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.20.2. De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus dat de genoemde stallen volgens [appellant sub 5] en anderen samen met de varkenshouderij aan de [locatie] één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vormen. Voor het antwoord op de vraag wat als één inrichting moet worden beschouwd, is de aanvraag bepalend. De genoemde stallen maken geen onderdeel uit van de aangevraagde inrichting, zodat het college daarmee bij de beoordeling terecht geen rekening heeft gehouden. De beroepsgrond faalt.

2.21. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld. Volgens hen is, nu in de inrichting in totaal meer dan 1.700 zeugen worden gehouden, categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) van toepassing.

2.21.1. In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is als activiteit waarvoor het maken van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer genoemd de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 900 plaatsen voor zeugen.

2.21.2. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2011 in zaak nr. 201006537/1/M2, bestaat bij een wijziging of uitbreiding van een inrichting pas een verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport wanneer de toename van het aantal dieren de in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer genoemde drempelwaarde overschrijdt. De aangevraagde en vergunde toename van het aantal zeugen ten opzichte van de op 12 september 2005 vergunde situatie blijft onder de in categorie 14 van onderdeel C genoemde drempelwaarde van 900, zodat geen verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport bestond. De beroepsgrond faalt.

2.22. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het college door de gevraagde vergunning te weigeren voor het mestbassin, de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Volgens hen had de gevraagde vergunning geheel geweigerd moeten worden. Daarnaast is volgens hen door de weigering van het mestbassin onduidelijk waar op het terrein van de inrichting mest en spuiwater moet worden opgeslagen.

2.22.1. Door de weigering van het mestbassin ontstaat niet een zodanig andere inrichting dat de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Niet gebleken is verder dat de bedrijfsvoering van de inrichting onmogelijk wordt door de weigering van het mestbassin. De stallen hebben drijfmestkelders waar de mest wordt opgeslagen. Op de plattegrondtekening bij de aanvraag is verder aangegeven waar het spuiwater van de luchtwassers wordt opgeslagen. De weigering van de gevraagde vergunning voor het mestbassin heeft hiervoor geen gevolgen. De beroepsgrond faalt.

2.23. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het college de risico's voor de volksgezondheid als gevolg van de verspreiding van infectieziekten onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken.

2.23.1. [appellant sub 5] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het in werking zijn van de inrichting zodanige risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. De beroepsgrond faalt.

2.24. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het college de emissie van fijn stof onjuist heeft beoordeeld.

2.24.1. Het college heeft een indicatieve berekening uitgevoerd van de concentraties zwevende deeltjes (PM10). Daaruit blijkt volgens het college dat wordt voldaan aan de voor zwevende deeltjes (PM10) in voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen normen. Hetgeen [appellant sub 5] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college dat aan de normen voor zwevende deeltjes (PM10) wordt voldaan. De beroepsgrond faalt.

2.25. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 22.1a van de Wet milieubeheer. Volgens hen zijn te weinig staltechnieken ter reductie van fijn stof, geur en ammoniak voorgeschreven, zodat niet de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.25.1. Ingevolge artikel 22.1a van de Wet milieubeheer draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat vergunningen, verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren, voor zover die niet in overeenstemming zijn met de regels die voor 31 oktober 2007 ter uitvoering van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) bij of krachtens deze wet zijn gesteld, uiterlijk met ingang van die datum daarmee in overeenstemming zijn.

2.25.2. Het college heeft bij de beoordeling of in de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast, gebruik gemaakt van de interne salderingsmethode, zoals voorgeschreven in onder meer artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. [appellant sub 5] en anderen hebben niet gesteld dat het college op onjuiste wijze intern heeft gesaldeerd. De Afdeling begrijpt hun betoog aldus dat interne saldering volgens hen in strijd is met de IPPC-richtlijn en daarmee met artikel 22.1a van de Wet milieubeheer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in de uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201003072/1/M2, bestaat geen grond voor het oordeel dat het toepassen van interne saldering bij vergunningverlening zich niet verdraagt met de IPPC-richtlijn. De beroepsgrond faalt.

2.26. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de vergunningvoorschriften die zijn gesteld ter waarborging van een goede werking van de emissiearme stalsystemen, onvoldoende duidelijk en ontoereikend zijn. Volgens hen is onvoldoende duidelijk wat met de begrippen 'reinigingsrendement' en 'rendementsmeting' in de voorschriften 8.4.1 en volgende en 9.4.1 en volgende wordt bedoeld. Voorts is volgens hen in voorschrift 8.4.1 ten onrechte niet voorgeschreven dat de daar bedoelde rapportage ter goedkeuring aan het college dient te worden voorgelegd.

2.26.1. In voorschrift 8.4.1 is over het gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14.v1 bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk negen maanden na ingebruikname van de stal aan het bevoegd gezag dient te rapporteren over de werkelijke emissie van ammoniak en geur en het reinigingsrendement van de luchtwasser voor beide stoffen.

In voorschrift 9.4.1 is over de chemische luchtwasser BWL 2006.04.v1 bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk negen maanden na ingebruikname van de stal aan het bevoegd gezag dient te rapporteren over de werkelijke emissie van ammoniak en het reinigingsrendement van de luchtwasser.

In de voorschriften 8.4.4 en 9.4.4 is bepaald dat de rendementsmeting moet worden uitgevoerd volgens de beschrijving in de checklist rendementsmeting luchtwassystemen van augustus 2008 die deel uitmaakt van het technisch informatiedocument 'Luchtwassystemen voor de veehouderij'. De meting moet plaatsvinden onder representatieve bedrijfscondities.

2.26.2. De voorschriften 8.4.1 en 9.4.1 schrijven een rendementsmeting voor, die nader is uitgewerkt in de voorschriften 8.4.4 en 9.4.4. Uit deze voorschriften volgt wat gemeten moet worden en op welke wijze. Hetgeen [appellant sub 5] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften in zoverre onvoldoende duidelijk zijn. Voorts geeft het feit dat in voorschrift 8.4.1 niet is bepaald dat de daar bedoelde rapportage ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden voorgelegd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit voorschrift niet in redelijkheid op deze wijze heeft kunnen vaststellen. De beroepsgrond faalt.

2.27. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat vergunningvoorschrift 9.5.1 overbodig is, omdat hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer reeds voorziet in een regeling voor ongewone voorvallen. Volgens hen is verder onduidelijk wat in dit voorschrift wordt bedoeld met 'gedurende meer dan 24 uren'. Het voorschrift staat volgens hen ten onrechte toe dat gedurende 23 uren achtereen ongezuiverde lucht in de buitenlucht wordt gebracht, terwijl dit niet is aangevraagd.

2.27.1. Ingevolge artikel 17.1 van de Wet milieubeheer treft degene die een inrichting drijft, indien zich in de inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

Ingevolge artikel 17.2, eerste lid, meldt degene die een inrichting drijft, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1, voordoet of heeft voorgedaan, dat voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge voorschrift 9.5.1 moet, indien door wat voor oorzaak c.q. storing dan ook gedurende meer dan 24 uren ongezuiverde stallucht in de buitenlucht terecht komt dan wel is gekomen, het bevoegd gezag onmiddellijk hiervan in kennis worden gesteld.

2.27.2. Eventuele overbodigheid van voorschrift 9.5.1 ten opzichte van de regeling in de artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer vormt op zichzelf geen reden voor vernietiging van dit voorschrift. Het voorschrift verleent verder, anders dan [appellant sub 5] en anderen veronderstellen, geen toestemming om ongezuiverde stallucht in de buitenlucht te brengen, maar regelt slechts in welke situatie aan het bevoegd gezag moet worden gemeld dat ongezuiverde stallucht in de buitenlucht terecht komt of is gekomen. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling dat de regeling van deze meldingsplicht in voorschrift 9.5.1 niet overeenkomt met hetgeen het college beoogde. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

2.28. [appellant sub 5] en anderen hebben verder nog aangevoerd dat de grens van de inrichting niet correct is, dat de vergunning in strijd is met het geldende bestemmingsplan, dat de vergunningvoorschriften onvoldoende maatregelen bevatten om onder meer luchtvervuiling en lichthinder tegen te gaan en dat niet is aangetoond dat aan de geluidvoorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, kan worden voldaan. [appellant sub 5] en anderen hebben deze beroepsgronden echter niet toegelicht, zodat zij falen.

Slotoverwegingen

2.29. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zijn ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het de weigering van de gevraagde vergunning voor het mestbassin betreft en voor zover het voorschrift 9.5.1 betreft. De Afdeling zal het college opdragen om in zoverre met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en daartoe een termijn stellen.

2.30. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderen te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3A], [appellante sub 3B] en [appellante sub 3C] gegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 5] en anderen gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wierden van 1 februari 2011, kenmerk UIT2010-9969, voor zover het de weigering van de gevraagde vergunning voor het mestbassin betreft en voor zover het voorschrift 9.5.1 betreft;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Wierden op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen over verlening van de gevraagde vergunning voor het mestbassin en over het opnemen van een nieuw voorschrift 9.5.1 en dit op de voorgeschreven wijze bekend te maken en daarvan mededeling te doen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wierden tot vergoeding van de bij [appellant sub 3A], [appellante sub 3B] en [appellante sub 3C] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wierden tot vergoeding van de bij [appellant sub 5] en anderen in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wierden aan [appellant sub 3A], [appellante sub 3B] en [appellante sub 3C] het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wierden aan [appellant sub 5] en anderen het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

462-379.