Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201113281/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113281/1/A2.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 november 2011 in zaak nr. 11/1583 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2011 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2011, verzonden op 16 november 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L. Hermans, advocaat te Sittard, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Ter nadere invulling van zijn in onder meer artikel 32 van de Wrb neergelegde bevoegdheid, heeft het bestuur beleidsregels vastgesteld die zijn neergelegd in het Handboek Toevoegen, uitgave april 2007 (hierna: het Handboek).

Volgens aantekening 2 bij artikel 32 van de Wrb van het Handboek is het begrip rechtsbelang in artikel 1 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria gedefinieerd als het belang waarvoor de rechtzoekende rechtsbijstand aanvraagt. Aldus gedefinieerd zal in de beoordeling moeten worden betrokken wat het door de rechtzoekende met de rechtsbijstand beoogde eindresultaat is, met welk oogmerk rechtsbijstand is verzocht. De wijze waarop het belang behartigd wordt en de wegen die daartoe bewandeld worden, zijn voor de beoordeling minder bepalend. Indien sprake is van een samenstel van belangen, zal moeten worden beoordeeld of deze ieder afzonderlijk een zelfstandige betekenis hebben, dan wel zo nauw met elkaar samenhangen dat niet gesproken kan worden van een zelfstandig rechtsbelang.

Volgens aantekening 1 bij artikel 32 van de Wrb van het Handboek wordt, indien wordt vastgesteld dat de aanvraag betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang waarvoor reeds eerder rechtsbijstand op basis van toevoeging is verleend, de aanvraag getoetst aan het criterium diversiteit van procedures ten overstaan van verschillende instanties. Voor de toetsing aan dit laatste criterium is van belang of de eerder afgegeven toevoeging is aangewend voor het voeren van een procedure, en of de gevraagde toevoeging daadwerkelijk zal worden aangewend voor het voeren van een procedure voor een andere instantie.

2.2. De aanvraag van [appellant] om toevoeging ziet op rechtsbijstand door een advocaat voor het instellen van beroep tegen een besluit van de gemeente Sittard-Geleen tot terugvordering en beëindiging met terugwerkende kracht van de WWB-uitkering van [belanghebbende], omdat sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding. [belanghebbende] heeft eveneens een toevoegingsaanvraag ingediend voor rechtsbijstand door dezelfde advocaat. Deze toevoeging is bij besluit van 8 februari 2011 door de raad verstrekt.

De raad heeft aan het besluit op bezwaar van 5 april 2011 ten grondslag gelegd dat de in geding zijnde aanvraag diende te worden afgewezen omdat sprake is van hetzelfde rechtsbelang dan wel van een samenstel van belangen die zo nauw met elkaar samenhangen dat niet gesproken kan worden van een zelfstandig rechtsbelang. Van zodanig verschillende omstandigheden dat een afzonderlijke toevoeging gerechtvaardigd is, is onvoldoende gebleken.

2.3. [appellant] voert in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij een eigen rechtsbelang heeft. De raad heeft er ten onrechte geen betekenis aan toegekend dat hij zelf wordt aangesproken op terugbetaling van de WWB-uitkering. Indien [appellant] daartegen niet in beroep gaat, zal hij gehouden zijn tot terugbetaling van het desbetreffende bedrag aan de gemeente. Daarvoor zal hij zijn WAO-uitkering dienen aan te spreken. Zijn belang is dan ook gelegen in het veiligstellen van zijn WAO-recht, terwijl het belang van [belanghebbende] is gelegen in het behoud van de WWB-uitkering. Daarnaast is sprake van twee afzonderlijke procedures met elk een eigen procedurenummer bij de rechtbank Maastricht, waarvoor tweemaal griffierecht in rekening is gebracht. Tevens is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat hij de echtgenoot van [belanghebbende] is. Er is geen sprake van een huwelijksgemeenschap of een samenlevingscontract. Hij is een huisgenoot die bij [belanghebbende] inwoont omdat zij wegens persoonlijke omstandigheden niet alleen kan zijn, aldus [appellant].

2.4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201103154/1/H2) volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang gelezen, dat, indien sprake is van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen moeten worden verstrekt. Als sprake is van één rechtsbelang kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel van één procedure waarin sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb.

2.4.1. De procedures van [appellant] en [belanghebbende] zijn ingesteld naar aanleiding van één besluit, namelijk de beëindiging en terugvordering van de bijstandsuitkering van [belanghebbende]. Aan beide procedures ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag. In dit geval is het rechtsbelang van beiden, hoewel zij verschillende rechtssubjecten zijn, hetzelfde en gericht op het ongedaan maken van dat besluit. De procedures hangen daarmee zo nauw samen dat ter zake van de aan de orde zijnde aanvraag om toevoeging niet kan worden gesproken van een ten opzichte van de aan [belanghebbende] verleende toevoeging zelfstandig rechtsbelang. Dat [appellant] naar hij stelt hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering wat betreft de WWB-uitkering, is daarvoor niet voldoende. Evenmin kan de omstandigheid dat de rechtbank kennelijk abusievelijk [belanghebbende] als echtgenote van [appellant] heeft aangemerkt, tot een ander oordeel leiden.

2.4.2. Nu het één rechtsbelang betreft, kan met één toevoeging worden volstaan. Dit is anders wanneer het gaat om verschillende procedures dan wel om één procedure bij meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb. Indien het verschillende procedures betreft wordt aan de laatste uitzondering niet meer toegekomen. Er is geen sprake van verschillende procedures als beide procedures wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex identiek of vrijwel identiek zijn.

2.4.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van verschillende procedures, nu beide procedures worden gevoerd tegen hetzelfde besluit bij dezelfde rechtbank. Dit geldt temeer nu aan beide procedures een identiek feitencomplex ten grondslag ligt. De omstandigheid dat beide beroepsprocedures een eigen procedurenummer hebben en dat tweemaal griffierecht in rekening is gebracht, doet daaraan niet af.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

18-756.