Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201112233/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de korpschef van de regiopolitie Haaglanden geweigerd aan [appellant] een verlof te verlenen tot het voorhanden hebben van wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112233/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 oktober 2011 in zaak nr. 11/4150 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister (lees: staatssecretaris) van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de korpschef van de regiopolitie Haaglanden geweigerd aan [appellant] een verlof te verlenen tot het voorhanden hebben van wapens en munitie.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 augustus 2010 vernietigd en geweigerd aan [appellant] een verlof te verlenen tot het voorhanden hebben van wapens en munitie.

Bij uitspraak van 12 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 december 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. El Hadouchi, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) is het verboden zonder vergunning tot vervoer, als bedoeld in artikel 9, vierde lid, dan wel verlof tot vervoer, als bedoeld in artikel 24, een wapen of munitie van de categorieën II en III te vervoeren.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, worden de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, geweigerd indien:

a. […];

b. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;

c. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt; of

d. […].

Ingevolge artikel 38, tweede lid, voor zover thans van belang, volgen de korpschefs bij de uitvoering van de Wwm de aanwijzingen van de staatssecretaris.

De Circulaire wapens en munitie 2005 (hierna: de CWM 2005) vormt een geheel van aanwijzingen als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wwm.

Volgens paragraaf 1.1 van het bijzondere deel "B" van de CWM 2005 zijn "vrees voor misbruik" en "het niet langer kunnen toevertrouwen" twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen in paragraaf 1.2 wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het "vrees voor misbruik-criterium" kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om de reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

Volgens paragraaf 1.2 kan vrees voor misbruik blijken uit:

a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Volgens deze paragraaf, ad b, voor zover thans van belang, kan de vrees voor misbruik eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid. Een dergelijk geval doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is of kan zijn geweest.

2.2. De staatssecretaris heeft zich, beslissend op het administratief beroep, op het standpunt gesteld dat het besluit van de korpschef van 12 augustus 2010, tot het weigeren van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, niet in stand kan blijven, omdat aan dat besluit geen juiste motivering ten grondslag ligt. De staatssecretaris heeft bij besluit van 29 maart 2011, ingevolge artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht, het besluit van 12 augustus 2010 vernietigd en een nieuw besluit genomen waarin het verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwm, is geweigerd. Hieraan heeft de staatssecretaris een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en een mutatierapport van de regiopolitie Haaglanden, beide van 3 december 2010, ten grondslag gelegd, waaruit volgens hem volgt dat er reden is om te vrezen dat aan [appellant] het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Hierbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal volgt dat [appellant] op 25 mei 2010 in strijd met artikel 22, eerste lid, van de Wwm zonder vergunning wapens en munitie heeft vervoerd en dat hij in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wwm wapens en munitie voorhanden had, onder meer omdat hij in strijd met het aan het verlof verbonden voorschrift zijn verlof niet uiterlijk veertien dagen voor het verstrijken ervan ter verlenging heeft aangeboden aan de korpschef.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte het proces-verbaal van 3 december 2010 aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Uit artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een proces-verbaal 'ten spoedigste' wordt opgemaakt. Het feit dat het proces-verbaal lang na de gerelateerde gebeurtenissen is opgemaakt, maakt de inhoud daarvan dermate ongeloofwaardig dat het dient te worden uitgesloten als bewijs. Daarbij komt dat hij het in het proces-verbaal gestelde gemotiveerd heeft betwist.

Nu niet van het proces-verbaal kon worden uitgegaan, is volgens hem ten onrechte bij de beoordeling in aanmerking genomen dat het te laat ter verlenging aanbieden van zijn verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ertoe heeft geleid dat hij in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wwm wapens en munitie voorhanden had. Hiertoe voert hij aan dat hij, nadat hij op 29 april 2010 zijn verlof ter verlenging had aangeboden, met het Bureau Bestuurlijke Politiezorg en Milieu (hierna: het BBPM) had afgesproken om op 31 mei 2010 ter verlenging van zijn verlof aldaar te verschijnen. Voorts betoogt hij dat hem is medegedeeld dat zijn wapens en munitie tot die datum verlofgedekt waren. Gelet hierop mocht hij erop vertrouwen dat zijn wapens en munitie in ieder geval tot 31 mei 2010 verlofgedekt waren. Dat zijn wapens en munitie nog verlofgedekt waren, volgt volgens hem tevens uit een mutatierapport van de politie Haaglanden van 3 december 2010 en uit een gespreksverslag van 10 oktober 2010 dat is opgemaakt naar aanleiding van de behandeling van zijn klacht over de handelwijze van de politie Haaglanden.

Tevens is hem ten onrechte verweten dat hij de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wwm langer heeft laten voortduren, omdat hij bij het afleveren van zijn wapens bij het politiebureau onderdelen van die wapens en munitie was vergeten. Uit het mutatierapport van 3 december 2010 volgt volgens hem dat de munitie nog niet hoefde te worden ingeleverd. Hij heeft derhalve zorgvuldig gehandeld door de munitie thuis te laten.

Verder is ten onrechte bij de beoordeling betrokken dat hij in strijd met artikel 22, eerste lid, van de Wwm wapens naar het politiebureau Voorburg-Leidschendam heeft vervoerd. Hoewel het proces-verbaal van 3 december 2010 anders vermeldt, stelt hij dat hij met unitchef P. van der Starre van de afdeling Handhaving en Opsporing Bijzondere Wetten van het BBPM had afgesproken dat hij zijn wapens naar het politiebureau zou brengen. Hij mocht er derhalve van uitgaan dat dit vervoer verlofgedekt was, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2010 in zaak nr. 201000947/1/H3), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dit sluit betwisting in rechte niet uit. Daarbij is de maatstaf of het geleverde tegenbewijs van die aard en strekking is dat het twijfel wekt aan de juistheid van het proces-verbaal.

Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 3 december 2010 volgt dat op 25 mei 2010 met [appellant] is afgesproken dat zijn wapens en munitie diezelfde dag om 20.00 uur bij hem thuis zouden worden opgehaald. De reden hiervoor was onder meer dat de geldigheid van zijn verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie was verstreken en dat [appellant] derhalve in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wwm wapens en munitie voorhanden had. Die avond zijn vijf vuurwapens van [appellant] in beslag genomen nadat hij die zelf naar het politiebureau had gebracht. Van de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wwm is geen proces-verbaal opgemaakt, omdat dergelijke overtredingen geen prioriteit hebben bij het OM. Daarnaast volgt uit het mutatierapport van 3 december 2010 dat [appellant] bij het inleveren van zijn wapens op 25 mei 2010 twee onderdelen van wapens was vergeten mee te nemen. Op 31 mei 2010 zijn die onderdelen alsnog in beslag genomen alsmede alle munitie die zich in het huis van [appellant] bevond.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 3 december 2010. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen omtrent de afspraak die hij op 25 mei 2010 met Van der Starre heeft gemaakt onjuist is. De enkele stelling van [appellant] dat die afspraak volgens hem anders luidde dan in het proces-verbaal staat vermeld is daarvoor onvoldoende. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de inhoud van de gemaakte afspraak, zoals weergegeven in het proces-verbaal, overeenkomt met hetgeen omtrent die afspraak is vermeld in het mutatierapport van 3 december 2010 en in het gespreksverslag van 10 oktober 2010. In de omstandigheid dat het proces-verbaal volgens [appellant] lang na de gerelateerde gebeurtenissen is opgemaakt, heeft de rechtbank terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat de staatssecretaris het proces-verbaal niet aan zijn beoordeling ten grondslag heeft mogen leggen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het strafrecht andere wettelijke bewijsregels gelden dan in deze procedure.

Uit het mutatierapport en het proces-verbaal valt voorts niet af te leiden dat het door [appellant] voorhanden hebben dan wel vervoeren van wapens en munitie vanaf 8 mei 2010 verlofgedekt was. Ook uit het door [appellant] aangehaalde gespreksverslag van 10 oktober 2010 valt zulks niet af te leiden.

2.3.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris uit mocht gaan van hetgeen in het proces-verbaal van 3 december 2010 staat vermeld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit de staatssecretaris voldoende grond bood voor het oordeel dat er reden is om te vrezen dat aan [appellant] het onder zich hebben van wapens en munitie niet kan worden toevertrouwd en dat de staatssecretaris op goede gronden heeft geweigerd aan [appellant] een verlof te verlenen tot het voorhanden hebben van wapens en munitie.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

176-730.