Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201200980/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeerplaatsen Biltstein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200980/1/R2.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te De Bilt,

en

de raad van de gemeente de Bilt (hierna: de raad),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeerplaatsen Biltstein" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 februari 2012.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2012, waar [appellanten], bijgestaan door mr. N.A. van Renssen, advocaat te Utrecht en ing. P.A.J. Bouman, en de raad, vertegenwoordigd door ing. M. Corsel en A. van Breda, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in ongeveer 40 parkeerplaatsen aan de Biltstein te De Bilt.

Procedureel

2.2. [appellanten] betogen dat het onderzoek van het bureau Keypoint Consultancy "Parkeeronderzoek De Bilt - Dorpsstraat e.o." van 4 augustus 2011 (hierna: het parkeeronderzoek), dat is opgesteld in opdracht van de raad, ten onrechte niet ter inzage is gelegd met het ontwerpbestemmingsplan.

2.2.1. Blijkens de stukken is het parkeeronderzoek opgesteld naar aanleiding van de tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediende zienswijzen. Gelet hierop was het niet mogelijk om dit stuk tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Het betoog faalt derhalve.

Inhoudelijk

2.3. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het plan. [appellanten] betogen allereerst dat de noodzaak van het plan onvoldoende is aangetoond. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat er geen behoefte is aan de (mede)functie van het voorziene parkeerterrein als park & ride (hierna: P&R). Zij betogen verder dat het parkeeronderzoek gebreken bevat, onder meer omdat het is gebaseerd op incorrecte gegevens. Voorts voeren [appellanten] aan dat de raad ten onrechte deze locatie heeft gekozen voor het parkeerterrein, waarbij zij vrezen voor een aantasting van het dorpse karakter. Ook betogen zij dat de raad de veiligheidsaspecten van het voorziene parkeerterrein onvoldoende heeft onderzocht. Tevens betogen [appellanten] dat de raad onvoldoende alternatieve mogelijkheden, ter vermindering van de parkeerdruk in het dorpscentrum, heeft onderzocht.

2.4. Blijkens het besluit en de plantoelichting is de grondslag van het plan het "Inrichtingsplan Dorpsstraat en omgeving de Bilt" opgesteld door het bureau BDP.Khandekar in oktober 2009 (hierna: het inrichtingsplan), vastgesteld door de raad op 17 december 2009. In het inrichtingsplan staat het voorziene parkeerterrein aan de Biltstein weergegeven op de inrichtingsschets op pagina 13.

2.5. In het vorige bestemmingsplan "Dorpsstraat en omgeving 2005", vastgesteld door de raad op 28 april 2005, was aan het plangebied de bestemming "Groenvoorzieningen" toegekend.

Blijkens de plantoelichting zijn de gronden in het plangebied onderdeel van het beschermd dorpsgezicht van De Bilt. In de plantoelichting staat verder dat door de herinrichting van de openbare ruimte in de Dorpsstraat en omgeving onder meer de daar gelegen parkeerplaatsen opnieuw worden gerangschikt. Er is, onder meer ten behoeve van de veiligheid van fietsers, gekozen voor met name langsparkeren in deze straten. Door deze herinrichting komt een aantal parkeerplaatsen te vervallen. In de tabel op pagina 9 van de plantoelichting staat dat er (zonder de parkeerplaatsen aan de Biltstein) in de huidige situatie 187 parkeerplaatsen beschikbaar zijn in en rondom de Dorpsstraat en na de herinrichting 171. Het plan voorziet in een compensatie van het verlies van deze parkeerplaatsen op de locatie aan de Biltstein. Verder zal het voorziene parkeerterrein een P&R-functie vervullen.

2.6. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat er geen behoefte bestaat aan de voorziene parkeerplaatsen, acht de Afdeling het volgende van belang. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat in de huidige situatie een parkeerdruk van 100% bestaat. Gestreefd wordt naar een bezetting van 85%, omdat dit geldt als de maximaal acceptabele parkeerbezetting. De raad is van mening dat een grotere parkeerbezetting ongewenst is. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Voor zover [appellanten] betogen dat er geen behoefte bestaat aan de P&R-functie van het voorziene parkeerterrein, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bushalte aan de Utrechtseweg vanaf het parkeerterrein goed toegankelijk is en makkelijk bereikbaar is voor automobilisten die hun auto's parkeren op het parkeerterrein. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat de mensen die nu gebruik maken van de bushalte aan de Utrechtseweg hun auto's parkeren in de woonwijken. Omdat de raad dit ongewenst acht, wenst hij met het voorziene parkeerterrein het parkeren van deze auto's te faciliteren, zodat de nabijgelegen woonstraten worden ontlast. Verder heeft de raad erop gewezen dat de visie ten aanzien van het realiseren van een openbaar vervoer knooppunt, met daarbij een P&R-functie, rond de kruising van de Utrechtswegweg en de Universiteitsweg nog niet bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De raad heeft er bovendien op gewezen dat deze visie nog nader moet worden uitgewerkt. [appellanten] hebben deze standpunten niet weersproken. De stelling van [appellanten] dat het niet gebruikelijk is om in een dorpskern een P&R-functie te realiseren, kan, wat daar van ook zij, niet leiden tot het oordeel dat de keuze van de raad om in het plangebied additionele parkeerplaatsen op te nemen voor een P&R-functie onredelijk is.

2.6.1. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat het parkeeronderzoek, dat de raad ter onderbouwing van de noodzaak van het parkeerterrein heeft gebruikt, gebreken bevat, overweegt de Afdeling als volgt. In het parkeeronderzoek staan wat betreft het aantal parkeerplaatsen in tabel 3.1 dezelfde gegevens opgenomen als op pagina 9 van de plantoelichting. Uit deze gegevens blijkt dat er een tekort van 16 parkeerplaatsen ontstaat, zoals ook [appellanten] hebben gesteld. Op grond hiervan is het standpunt van de raad, dat het in de tekst opgenomen aantal van 24 parkeerplaatsen een kennelijke verschrijving is, aannemelijk. Het betoog van [appellanten] dat in het parkeeronderzoek in zoverre is uitgegaan van onjuiste gegevens, faalt derhalve.

Blijkens het parkeeronderzoek is het gebied in en rondom de Dorpsstraat onderzocht. Het gebied ten noorden van de Dorpsstraat betreft woonstraten. De raad heeft er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat deze woonstraten niet geschikt zijn voor het opvangen van de parkeerbehoefte van bezoekers van de Dorpsstraat en omgeving. Voorts heeft de raad erop gewezen dat bewoners van deze woonstraten reeds over parkeerdruk klagen. [appellanten] hebben hun stelling dat deze straten wel geschikt zijn voor het opvangen van de voormelde parkeerbehoefte niet aannemelijk gemaakt.

[appellanten] hebben aan het bureau Witteveen+Bos de opdracht gegeven om het parkeeronderzoek te beoordelen. Het advies van Witteveen+Bos is neergelegd in een notitie van 9 februari 2012 (hierna: de notitie van Witteveen+Bos). In deze notitie staat dat als onderzoek in een groter onderzoeksgebied zou aantonen dat ook ten noorden van de Dorpsstraat een parkeerprobleem is, dit de noodzaak voor compensatie van parkeerplaatsen in en rondom de Dorpsstraat aantoont. De omstandigheid dat het gebied ten noorden van de Dorpsstraat niet is onderzocht, kan gelet op het voorgaande niet leiden tot het oordeel dat het parkeeronderzoek gebreken vertoont.

In het parkeeronderzoek staat verder dat het onderzoeksgebied in 9 secties is onderverdeeld en dat er tijdens het verrichten van het onderzoek in twee secties werkzaamheden werden verricht. In deze twee secties zijn volgens het parkeeronderzoek echter slechts vier parkeerplaatsen. Aangezien het onderzoek een groter gebied dan alleen die twee secties betrof en het beperkte aantal van de niet beschikbare parkeerplaatsen in die secties, is de conclusie in het parkeeronderzoek dat dit geen significante invloed zal hebben gehad op de parkeervraag. De raad sluit zich hierbij aan en stelt zich bovendien op het standpunt dat vanwege de werkzaamheden minder auto's door de betreffende secties hebben gereden, waardoor de parkeervraag daar op dat moment eerder minder zal zijn geweest. In de notitie van Witteveen+Bos staat dat de invloed van de afgesloten straten op de parkeerdruk in het totale onderzoeksgebied beperkt zal zijn. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden ten tijde van het verrichten van het parkeeronderzoek tot aanzienlijk andere aantallen in de parkeervraag zouden hebben geleid.

Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat het de bedoeling van de herinrichting van de Dorpstraat en omgeving is om het centrum van De Bilt mooier en groener te maken. Door de herinrichting zijn parkeerplaatsen komen te vervallen die door middel van het voorziene parkeerterrein opgevangen worden. Gebleken is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vast stond dat het garagebedrijf "Auto Dorpsstraat" zal verplaatsen en ter zitting is verder gebleken dat het garagebedrijf "KIA garage De Bilt" naar alle waarschijnlijkheid verplaatst zal worden. Dit laatste stond echter, wat daar ook van zij, ten tijde van het nemen van het voormelde besluit niet vast. Ter zitting is verder vast komen te staan dat de invulling van de - waarschijnlijk - vrijkomende gronden ter plaatse van de twee garagebedrijven nog niet bekend is. De raad heeft in dit kader toegelicht dat voor de invulling van een deel van deze gronden wordt gedacht aan het realiseren van een cultureel centrum. Bij een dergelijke ontwikkeling zouden meer parkeerplaatsen benodigd zijn dan in het geval van bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw, dat in het parkeeronderzoek als mogelijk scenario is onderzocht. Ter zitting hebben [appellanten] op dit deel van het parkeeronderzoek gewezen en betoogd dat bij het in het parkeeronderzoek onderzochte scenario juist een positieve parkeerbalans zal optreden. Het standpunt van de raad dat ontwikkelingen gaande zijn die een bijbehorende behoefte aan parkeerplaatsen met zich brengen, waarin voorzien moet worden, acht de Afdeling niet onredelijk. De raad heeft daarom in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om een zo goed mogelijke schatting te maken van het aantal parkeerplaatsen dat nodig en, rekening houdende met toekomstige ontwikkelingen, toekomstbestendig zal zijn. Het betoog van [appellanten] dat in het parkeeronderzoek ten onrechte de parkeerbehoefte van voormelde garages is betrokken, faalt gezien het voorgaande.

Blijkens het parkeeronderzoek zijn er tussen 24 en 30 juni 2011 tellingen verricht in het eerste onderzoeksgebied en is een aanvullend onderzoek verricht op 2 augustus 2011. De raad heeft erop gewezen dat het aantal bij de garagebedrijven geparkeerde auto's relatief constant is.

[appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad hier ten onrechte vanuit is gegaan. De raad heeft er onder deze omstandigheden in redelijkheid van kunnen uitgaan dat het verrichten van tellingen in een tijdsbestek van twee weken niet of nauwelijks tot andere resultaten zou leiden, dan wanneer alle tellingen binnen het tijdsbestek van één week zouden zijn verricht. De stelling van [appellanten] dat ten onrechte de in de beide onderzoeksgebieden verrichtte verkeerstellingen niet binnen dezelfde periode hebben plaatsgevonden, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat het parkeeronderzoek gebreken vertoont.

In de notitie van Witteveen+Bos is op geen enkel punt gesteld dat het parkeeronderzoek gebreken of leemten in kennis vertoont. Er worden slechts enkele vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Gelet hierop en nu [appellanten] ook anderszins niet aannemelijk hebben gemaakt dat het parkeeronderzoek gebreken of leemten in kennis bevat, heeft de raad dit onderzoek in redelijkheid bij haar besluitvorming kunnen betrekken.

2.6.2. Nu de raad zijn standpunt dat zonder het voorziene parkeerterrein een door hem ongewenste parkeerdruk ontstaat, deugdelijk heeft onderbouwd met onder meer het parkeeronderzoek, heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er behoefte bestaat aan het voorziene parkeerterrein. Het betoog van [appellanten] dat er geen behoefte bestaat aan dit parkeerterrein faalt derhalve.

2.7. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat de raad bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan de karakteristieke eigenschappen en het historische en kleinschalige karakter van de oude dorpskern, acht de Afdeling het volgende van belang. Blijkens het inrichtingsplan dient de herinrichting ertoe om het historisch dorpse karakter te vergroten. Hiertoe is voor een specifieke opzet van de straatinrichting gekozen, alsook voor het materiaal dat hierbij gebruikt zal worden. Verder staat in het inrichtingsplan dat de parkeergelegenheid zoveel mogelijk uniform gerealiseerd moet worden. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene parkeerterrein bijdraagt aan de in het inrichtingsplan opgenomen doelen en dat daarmee het historisch dorpse karakter wordt vergroot. Gelet hierop hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan onder meer het historische karakter van de oude dorpskern. Het betoog faalt dan ook.

2.8. Voor zover [appellanten] betogen dat de raad onvoldoende aandacht heeft besteed aan de veiligheidssituatie ter plaatse, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens het besluit heeft tijdens de voorbereiding van het plan overleg plaatsgevonden tussen de raad en de lokale politie. De politie heeft daarbij aangegeven niet te verwachten dat het aantal auto-inbraken onevenredig zal toenemen als gevolg van het realiseren van het voorziene parkeerterrein. Nu [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de raad hier niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan, faalt hun betoog.

2.9. Verder betogen [appellanten] dat het plan ten onrechte niet voorziet in compensatie voor de waterhuishouding, aangezien het plan zal leiden tot een toename van het verharde oppervlak.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat infiltratie van regenwater niet mogelijk is vanwege het hoogteverschil tussen de naast het plangebied gelegen Utrechtseweg en het hoge grondwaterpeil. In andere straten rondom het plangebied is daarom een gemengd riool aangelegd. Het aanleggen van een dergelijk rioolstelsel zou echter hoge kosten met zich brengen, waardoor de realisatie van het parkeerterrein in gevaar zou komen, aldus de raad.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat de raad in overleg met het waterschap heeft besloten om elders in de gemeente de toename aan verhard oppervlak te compenseren. De raad heeft er verder in redelijkheid belang aan mogen toekennen dat de kosten van het aanleggen van een gemengd riool niet in verhouding staan tot de totale kosten van het realiseren van het voorziene parkeerterrein. Nu bovendien de compensatie van de toename van het verharde oppervlak zal plaatsvinden buiten het plangebied, heeft de raad in redelijkheid niet in het plan hoeven te voorzien in compenserende maatregelen.

2.10. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieven bestonden ten behoeve van het verlichten van de parkeerdruk, acht de Afdeling het volgende van belang. Uit de plantoelichting blijkt dat ter voorbereiding van het plan een klankbordgroep is samengesteld met omwonenden. Uit het inrichtingsplan blijkt dat meerdere opties zijn onderzocht, onder meer de optie van eenrichtingsverkeer. Het door [appellanten] genoemde alternatief van éénrichtingsverkeer in onder meer de Dorpsstraat is door deze klankbordgroep niet positief beoordeeld. Onder meer rekening houdende met de wensen van de klankbordgroep is gekozen voor de inrichting zoals die is weergegeven in het inrichtingsplan. [appellanten] verwijzen naar het rapport "Verkeer en ondernemerschap in de oude kern" van 24 april 2009, dat in opdracht van de gemeente De Bilt is opgesteld door het bureau Omniplan, ter onderbouwing van hun stelling dat voor éénrichtingsverkeer zou moeten worden gekozen. Blijkens dit rapport is geen aandacht besteed aan het oplossen van de parkeerproblemen, maar is alleen ingegaan op de verkeerscirculatie. Het enkele gegeven dat in dit rapport een voorkeur wordt uitgesproken voor éénrichtingsverkeer, kan gezien het voorgaande niet leiden tot het oordeel dat de raad onvoldoende alternatieve mogelijkheden van parkeerdrukverlichting heeft onderzocht. Het betoog faalt derhalve.

2.11. Het standpunt van de raad dat hij het van belang acht dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn nabij de dorpskern, acht de Afdeling niet onredelijk gezien het vorenbesprokene. De vraag welke locatie voor een dergelijk parkeerterrein geschikt is, is een keus die valt binnen de beleidsvrijheid van de raad. [appellanten] hebben gelet op het bovenstaande niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid voor deze locatie heeft kunnen kiezen.

2.12. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

458-677.