Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5980

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201100394/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college opnieuw besloten omtrent de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland op 24 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Monster Noord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201100394/1/R4.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college opnieuw besloten omtrent de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland op 24 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Monster Noord".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 januari 2011. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 februari 2011.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te 's-Gravenhage, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.V.M. Severijns, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de raad ter zitting als partij gehoord, vertegenwoordigd door F.M. de Schipper, J.J. Boerman en P. Leijten, allen werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 23 december 2009, zaaknummer 200902434/1/R2, het eerdere goedkeuringsbesluit van het college van 24 februari 2009 vernietigd.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor een nieuw woongebied ten noorden van de kern van Monster. Het plan is één van de deelplannen van de Westlandse Zoom en grotendeels een uit te werken plan.

Het plangebied wordt globaal begrensd door de Slaperdijk, het Schelpenpad, de Madeweg, het Westerhonk en de Duyvenvoordestraat.

Het college heeft, voor zover hier van belang, goedkeuring onthouden aan artikel 9, lid 2.1, onder a.2, van de planvoorschriften voor zover dit artikel maximaal 275 woningen mogelijk maakt, alsmede aan de gewaarmerkte rode delen van de plankaart, waaronder een fietspad aan de oostzijde van de Haagweg.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat de in het plan voorziene toegangsweg en het bijbehorende kruispunt, die over zijn perceel aan de Madeweg 46 te Monster zijn voorzien, te dicht langs zijn woning komen te liggen. Volgens hem zullen de toegangsweg en het kruispunt, gelet op de verkeersaantrekkende werking, de daarmee samenhangende (geluid)overlast en de verslechtering van de verkeersveiligheid, zijn woon- en leefklimaat aantasten.

Voorts vreest [appellant sub 1] voor waardevermindering van zijn woning en bijbehorende grond als gevolg van de aanleg van de in het plan voorziene toegangsweg en het kruispunt.

2.4.1. Na de vernietiging van het goedkeuringsbesluit dient het college, rekening houdend met de uitspraak van de Afdeling, wederom op de reeds ingebrachte bedenkingen besluiten.

[appellant sub 1] heeft niet bij het college bedenkingen ingebracht. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college voor zover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college ingebrachte bedenking. Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor, nu het beroep van [appellant sub 1] zich richt tegen de in het plan voorziene toegangsweg en het kruispunt over zijn perceel waaraan goedkeuring is verleend en hij geen redenen heeft aangevoerd waarom hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

Ontvankelijkheid

2.5. [appellant sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met het onthouden van goedkeuring aan het plandeel dat voorziet in een fietspad aan de oostzijde van de Haagweg.

2.5.1. Het college stelt opnieuw goedkeuring aan het desbetreffende plandeel te hebben onthouden, omdat deze gelet op de exploitatieberekening, niet financieel uitvoerbaar is.

2.5.2. Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel dat voorziet in een fietspad aan de oostzijde van de Haagweg. [appellant sub 2] en anderen hebben met betrekking tot voornoemd plandeel geen beroep ingesteld tegen het besluit van 24 februari 2009. Het besluit omtrent goedkeuring van 12 oktober 2010 is een heroverweging van voormeld besluit van 24 februari 2009. [appellant sub 2] en anderen zijn door het heroverwegingsbesluit wat betreft voornoemd plandeel niet in een nadeliger situatie komen te verkeren dan waarin zij zich bevonden na het besluit omtrent goedkeuring van 24 februari 2009. Voormelde besluiten behelzen immers beide het onthouden van goedkeuring aan het desbetreffende plandeel dat voorziet in een fietspad. [appellant sub 2] en anderen moeten geacht worden in zoverre in het besluit van 24 februari 2009 te hebben berust, nu zij hiertegen destijds wat betreft het plandeel dat voorziet in een fietspad aan de oostzijde van de Haagweg geen beroep hebben ingesteld. Nu niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden dient het beroep van [appellant sub 2] en anderen in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Procedurele aspecten

2.6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de bij het bestreden besluit gewijzigde plankaart en planvoorschriften ten onrechte niet als bijlage bij het bestreden besluit zijn gevoegd.

2.6.1. In het dictum van het bestreden besluit verwijst het college naar de door hem gewaarmerkte rode delen van de plankaart en de planvoorschriften waaraan hij goedkeuring heeft onthouden. Deze heeft het college niet als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd. Wel staat op zowel de plankaart als bij de plantoelichting en planvoorschriften een stempel met 'behoort bij het besluit van 12 oktober 2010'.

Nu in het dictum staat omschreven waaraan goedkeuring is onthouden, de voornoemde stukken met stempel ter inzage zijn gelegd en het [appellant sub 2] en anderen gezien hun beroepschrift duidelijk is waar het bestreden besluit betrekking op heeft, zijn de belangen van [appellant sub 2] en anderen niet dusdanig geschaad dat het bestreden besluit reeds hierom niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

Aantal woningen

2.7. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen richt zich tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden, met bijbehorende voorzieningen -UW-". Zij voeren hiertoe aan dat het bestreden besluit geen zekerheid biedt wat betreft het aantal toegestane woningen, omdat verschillende aantallen worden genoemd. Voorts komt het aantal door het college genoemde woningen van 210 niet overeen met het aantal woningen waar de raad tot dusver van is uitgegaan. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het in de plantoelichting weergegeven aantal woningen niet in overeenstemming is met het aantal woningen waaraan goedkeuring is verleend.

2.7.1. Het college stelt dat om een te grote woningdichtheid te voorkomen, goedkeuring aan slechts 210 woningen is verleend. Deze 210 woningen kunnen volgens het college worden gerealiseerd in de gebieden A2 en B. Daarnaast zijn in het plan maximaal 35 woningen in gebied A1 voorzien; het totaal aantal voorziene woningen komt daarmee op 245.

2.7.2. Ingevolge artikel 9, onder 2.1, a.1, van de planvoorschriften mogen binnen het gebied gelegen ten zuiden van de Molenweg/Molenslag niet minder dan 25 woningen en niet meer dan 35 woningen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 9, onder 2.1, a.2, mogen binnen het overige gebied met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden, met bijbehorende voorzieningen -UW-" 210 woningen worden gebouwd, een en ander exclusief de onder 1 bedoelde woningen.

2.7.3. Gelet op de hiervoor weergegeven planvoorschriften kunnen maximaal 245 woningen worden gerealiseerd binnen de bestemming "Uit te werken woondoeleinden, met bijbehorende voorzieningen -UW-". In zoverre bestaat geen onduidelijkheid over het aantal toegestane woningen binnen de desbetreffende bestemming.

Wat betreft het wijzigen van het aantal woningen in de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat aan de plantoelichting geen juridisch bindende betekenis toekomt. Het aantal woningen dat is toegestaan op basis van de planvoorschriften is bindend, de plantoelichting doet hier niet aan af.

Het betoog faalt.

Concentratie van de woningen

2.8. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de 210 toegestane woningen in de gebieden A2 en B een willekeurig aantal is dat niet in verhouding staat tot de oppervlakte van de gebieden. Het totaal aantal woningen zou daarom ongeveer gehalveerd dienen te worden. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de flexibiliteit ten aanzien van het aantal woningen in de gebieden A2 en B die de raad in het plan heeft ingebouwd en dat reeds in de uitwerkingsregels de concentratie van woningen per gebied had moeten zijn opgenomen.

2.8.1. Het college stelt dat in gebied B ongeveer 100 woningen kunnen worden gerealiseerd. In gebied A1 kunnen volgens het college ongeveer 30 woningen worden gerealiseerd en voor het gebied A2 resteren dan ongeveer 100 woningen. Met deze woningdichtheid kan het zogenaamde 'dorpse wonen' worden gerealiseerd, aldus het college.

2.8.2. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de WRO brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die nog moeten worden uitgewerkt.

Bij het besluit over het uitwerkingsplan dient door het college van burgemeester en wethouders te worden getoetst of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Tevens dient dan te worden getoetst of het uitwerkingsplan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de totstandkoming daarvan niet in strijd is met het recht. De concentratie van woningen binnen de desbetreffende gebieden ligt, gelet op de flexibiliteit die het plan daarin biedt, in het uitwerkingsplan derhalve ter toetsing voor. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat het belang van een goede ruimtelijke ordening niet met zich brengt dat reeds in het plan een verdeling van de woningen over de gebieden dient plaats te vinden.

Het valt voorts binnen de beoordelingsvrijheid van de raad om de woningdichtheid te bepalen zolang dit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft naar voren gebracht dat binnen gebied B, ongeveer 9,6 hectare groot, ongeveer 10 woningen per hectare zullen worden gerealiseerd. Binnen de gebieden A1 en A2, ongeveer 4,3 hectare groot, is de raad voornemens om ongeveer 30 woningen per hectare realiseren.

Gelet op het voorgaande bestaat in het ter zake aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college in zoverre niet omtrent goedkeuring heeft mogen beslissen zoals hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Soort woningen

2.9. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het niet duidelijk is wat voor soort woningen, herenhuizen dan wel gestapelde bouw, binnen gebied A2 is voorzien. Volgens [appellant sub 2] en anderen zal 25% van de woningen als gestapelde woningen worden gebouwd en ontbreekt een waarborg dat deze gestapelde woningen niet in gebied A2 zullen worden gerealiseerd.

2.9.1. In artikel 9, onder 2, van de planvoorschriften worden de hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van de te realiseren woningen beschreven. Hiermee zijn de doelstellingen voor de uit te werken bestemmingen op zodanige wijze beschreven dat voldoende inzicht is geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkelingen van de plandelen met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden, met bijbehorende voorzieningen -UW-". Dat niet duidelijk is om wat voor soort woningen het gaat en waar de gestapelde bouw zal worden gesitueerd, doet hier niet aan af. Deze aspecten dienen bij het uitwerkingsplan aan de orde te komen.

In de stelling van [appellant sub 2] en anderen dat een aantal aspecten onduidelijk is, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bestemmingsregeling vanuit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar is, nu het inherent is aan de systematiek van de WRO dat deze op zichzelf globale bestemmingen toelaat.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

2.10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de plannen voor woningbouw zijn achterhaald in verband met de economische crisis en uit financieel oogpunt riskant zijn. Volgens hen heeft het college zich bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte op de grondexploitatie uit 2008 gebaseerd. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat voornoemde grondexploitatie niet representatief is en achterhaald is gelet op de economische crisis. De taxatie van de boekwaarde van de aangekochte en de taxatie van de nog op te kopen percelen dateren uit 2006 en kunnen derhalve niet als representatief worden beschouwd.

2.10.1. Het college stelt dat, nu hij, in tegenstelling tot het voorgaande goedkeuringsbesluit, geen goedkeuring heeft onthouden aan een deel van gebied B met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden, met bijbehorende voorzieningen -UW-", gebied B alsnog bij de berekening van de grondexploitatie is betrokken. Volgens het college blijkt uit de aangepaste exploitatieberekening van de raad van 2 maart 2010 en het nader ambtsbericht van de raad van 24 juni 2010 dat het plan financieel uitvoerbaar is en dat de raad bij het opstellen van de exploitatieberekening rekening heeft gehouden met de economische crisis. Het college constateert dat de raad de overige projecten in het kader van de Westlandse Zoom daadwerkelijk in uitvoering heeft gebracht en ziet geen aanleiding dat dit bij het plan anders zou zijn.

2.10.2. Uit de aangepaste exploitatieberekening van de raad van 2 maart 2010 en het nadere ambtsbericht van de raad van 24 juni 2010 blijkt dat de financiële haalbaarheid is berekend van het deel waaraan het college goedkeuring heeft verleend. Dit betreffen de gebieden A1, A2 en B. Deze berekening is enerzijds gebaseerd op de grondexploitatieberekening van 13 mei 2008 en anderzijds op de specifieke bijzonderheden van voornoemde gebieden. De opbrengsten zijn gebaseerd op een gemiddelde kavelprijs per m², hetgeen een gewogen gemiddelde is van woningtype, kavelgrootte en kavelprijs. Om te laten zien dat de grondprijs niet noemenswaardig verandert bij een ander aantal woningen is een berekening toegevoegd, gebaseerd op het (nagenoeg) maximale aantal woningen van 238 en een "kavelmix". Deze kavelmix is een verdeling over verschillende woningtypen. Voor elk woningtype gelden vaste kengetallen, zoals vloeroppervlakte, kaveloppervlakte, haalbare verkoopprijzen en bouwkosten. Voorts is gezien de economische crisis de gemiddelde kavelprijs in de berekening van januari 2010 gelijk gehouden en niet geïndexeerd. In de praktijk blijken de opbrengsten per m² hoger te zijn dan de gehanteerde kavelprijs, ook in relatie tot de kavelprijzen die elders in het Westland worden gehanteerd.

Voor de verwervingskosten is uitgegaan van de boekwaarde van de reeds aangekochte percelen binnen het ontwikkelingsgebied plus een raming van de nog aan te kopen percelen. Deze raming is gebaseerd op taxaties uit 2006, welke jaarlijks zijn geïndexeerd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling, nu [appellant sub 2] en anderen hebben miskend dat een actualisatie van de exploitatieberekening heeft plaatsgevonden, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich heeft gebaseerd op onjuiste uitgangspunten bij het opstellen van de nieuwe exploitatieberekening. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de financiële haalbaarheid, op basis van de nieuwe exploitatieberekening van 2 maart 2010, voldoende aannemelijk is gemaakt.

2.10.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 23 december 2009, waarbij het eerdere goedkeuringsbesluit van 24 februari 2009 is vernietigd, is volgens paragraaf 7.8 van de plantoelichting onderzoek verricht naar de marktverwachtingen in het luxe segment. De conclusie van deze onderzoeken is dat een onverminderde vraag blijft bestaan naar woningen in dit segment. In de enkele stelling van [appellant sub 2] en anderen dat de noodzaak van de woningbouw is weggevallen door de economische crisis, heeft de Afdeling geen aanknopingspunt gezien voor het oordeel dat het college zich, mede gelet op de periode waarover het plan zich uitstrekt, niet in redelijkheid op het marktonderzoek heeft mogen baseren.

In hetgeen [appellant sub 2] en anderen thans hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat daarom tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen.

Het betoog faalt.

Conclusie

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het onthouden van goedkeuring aan het plandeel dat voorziet in een fietspad aan de oostzijde van de Haagweg;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

375-690.