Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201201157/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college positief beslist op de door [belanghebbende A], namens de stichting Stichting Rivas Zorggroep, ingediende aanvraag om sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet 1988 voor het slopen van het verpleeghuis en de zusterflat op het perceel Nonnenveld 50-52 te Gorinchem.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/149 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

201201157/1/A1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gorinchem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 december 2011 in zaak nr. 11/346 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college positief beslist op de door [belanghebbende A], namens de stichting Stichting Rivas Zorggroep, ingediende aanvraag om sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet 1988 voor het slopen van het verpleeghuis en de zusterflat op het perceel Nonnenveld 50-52 te Gorinchem.

Bij besluit van 30 november 2010 heeft het college positief beslist op de door [belanghebbende A], namens de stichting, ingediende aanvraag om sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Gorinchem 2007 voor het slopen van het verpleeghuis en de zusterflat op het perceel.

Bij besluit van 12 januari 2011 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 12 oktober 2010 en 30 november 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2011, verzonden op 20 december 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende A] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2012, waar [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers, advocaat te Eindhoven, als partij is gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 12 januari 2011 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij het met zijn beroep beoogde doel, te weten het voorkomen van de sloopwerkzaamheden dan wel aanpassing van de aan de bij besluit van 30 november 2010 verleende sloopvergunning verbonden voorwaarden, niet meer kan worden bereikt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de sloopwerkzaamheden ten tijde van de behandeling van het beroep reeds waren uitgevoerd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank het door hem tegen het besluit van 12 januari 2011 ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe voert hij aan dat als gevolg van de sloopwerkzaamheden schade aan zijn panden [locatie 1] en [locatie 2] en [locatie 3] is ontstaan. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar de door hem overgelegde foto's.

2.2.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009 in zaak nr. 200803570/1), terecht overwogen dat procesbelang onder meer kan bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit. In hoger beroep heeft [appellant] foto's van het pand, genomen voor en na het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden, overgelegd, waarop scheurvorming is te zien. Met deze foto's heeft hij alsnog tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van het besluit van 12 januari 2011 schade heeft geleden. Anders dan de stichting stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de door [appellant] overgelegde foto's buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Daartoe wordt overwogen dat deze foto's dienen ter nadere onderbouwing van een door [appellant] reeds eerder in de procedure ingenomen standpunt en de stichting voldoende mogelijkheden heeft gehad om op deze foto's te reageren. De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 12 januari 2011 ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellant] beoordelen die bij de rechtbank zijn aangevoerd.

2.4. [appellant] betoogt dat het college de door hem tegen de besluiten van 12 oktober 2010 en 30 november 2010 gemaakte bezwaren ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Hiertoe voert hij aan dat de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening niet verleend had mogen worden, nu als gevolg van de uit te voeren sloopwerkzaamheden schade aan zijn panden zal ontstaan. Volgens hem worden onvoldoende maatregelen getroffen om schade te voorkomen. Voorts voert hij aan dat het college zich niet heeft kunnen baseren op het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 12 januari 2011, nu dit niet door de voltallige commissie is vastgesteld.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening, is, voor zover hier van belang en zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 30 november 2010, het verboden om bouwwerken te slopen zonder een vergunning van het college (sloopvergunning).

Ingevolge artikel 8.1.6, aanhef en onder a, moet een sloopvergunning worden geweigerd indien de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder b, moet een sloopvergunning worden geweigerd indien de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201102315/1/H1) kan een sloopvergunning alleen worden geweigerd indien zich een van de in de Bouwverordening genoemde weigeringsgronden voordoet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is gewaarborgd. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de sloop dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de bij het besluit van 30 november 2010 behorende asbestinventarisatie van adviesbureau Van der Poel B.V. van 28 november 2008 en het sloopplan van [belanghebbende A] & [belanghebbende B] van 25 november 2010 en de daarin opgenomen veiligheidsmaatregelen. Dat de voorziene maatregelen onvoldoende zijn, is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft het college zich bij het nemen van het besluit van 12 januari 2011 kunnen baseren op het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van dezelfde datum. De omstandigheid dat dit advies slechts door de voorzitter en de secretaris is ondertekend, brengt, anders dan [appellant] betoogt, niet mee dat dit advies niet door de voltallige commissie is vastgesteld.

Het betoog faalt.

2.5. Het beroep tegen het besluit van 12 januari 2011 is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 december 2011 in zaak nr. 11/346;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

374-593.