Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201201109/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college aan [belanghebbende] medegedeeld dat zijn aanvraag om omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een carport op het perceel [locatie], nummer […], te [plaats], gemeente Raalte, niet verder in behandeling wordt genomen omdat de carport als een vergunningsvrij bouwwerk is aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3103

Uitspraak

201201109/1/A1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2011 in zaak nr. 11/1739 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college aan [belanghebbende] medegedeeld dat zijn aanvraag om omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een carport op het perceel [locatie], nummer […], te [plaats], gemeente Raalte, niet verder in behandeling wordt genomen omdat de carport als een vergunningsvrij bouwwerk is aan te merken.

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 5 april 2011 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2012, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door P.B.M. Droste en T.W.J. Kruger, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is gelegen op bungalowpark "Parc Salland".

2.2. [appellant] heeft zijn beroepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanvraag van [belanghebbende] om omgevingsvergunning te verlenen niet in behandeling had mogen nemen ter zitting ingetrokken.

2.3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit het bouwen van een bouwwerk bestaat.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten, als bedoeld in het eerste lid, in daarbij aangegeven categorieën van gevallen het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1, van die bijlage is geen omgevingsvergunning vereist voor een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet, indien deze activiteit betrekking heeft op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, mits niet hoger dan 5 meter.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Terrein voor verblijfs- en dagrecratie" met de bestemmingscategorie "V" (verblijfsrecreatie).

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor het recreatief verblijf in zomerhuizen, sta- en toercaravans, en overige kampeermiddelen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder A, onder c, mogen binnen de bestemmingscategorie "V" in de deelgebieden 1 tot en met 4 andere bouwwerken worden gebouwd met een maximale hoogte van 6 meter.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de carport een omgevingsvergunning is vereist. Hiertoe voert hij aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 10, derde lid, aanhef en onderdeel A, en onder c, van de planvoorschriften, nu het niet de bedoeling van de planwetgever kan zijn geweest om het plaatsen van andere bouwwerken bij de recreatiewoningen op het bungalowpark toe te staan. Volgens [appellant] is een menging van andere bouwwerken en recreatiewoningen niet passend. Hij stelt dat dit op geen enkel ander bungalowpark voorkomt.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 15 april 2009 in zaak nr. 200805918/1/H1), zijn voor het antwoord op de vraag of het bouwplan al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften beslissend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de bewoordingen van artikel 10, derde lid, aanhef en onder A, van de planvoorschriften volgt dat bij elke recreatiewoning op het bungalowpark een ander bouwwerk mag worden opgericht. Nu de planvoorschriften op zichzelf duidelijkheid bieden omtrent de vraag of de in het bouwplan voorziene carport op het perceel mag worden geplaatst, kan aan het betoog van [appellant] dat de planwetgever deze mogelijkheid niet voor ogen heeft gehad, wat daar ook van zij, niet de door hem beoogde betekenis worden toegekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 februari 2009 in zaak nr. 200804419/1), kan de bedoeling van de planwetgever niet afdoen aan hetgeen in planvoorschriften ondubbelzinnig is bepaald. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank het bouwplan terecht niet in strijd met het bestemmingsplan geacht. Nu het voorts voorziet in de oprichting van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied dat niet hoger is dan 5 meter, is ingevolge voormeld artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, gelezen in verbinding met artikel 3, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, voor het oprichten ervan geen omgevingsvergunning vereist.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

374-593.