Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201201008/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van vier eengezinswoningen aan het perceel [locatie] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201008/1/A1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2011 in zaak nr. 11/1044 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Noord.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van vier eengezinswoningen aan het perceel [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar, na ontheffing van het bepaalde bij artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening Amsterdam 2003, ongegrond verklaard en het besluit van 22 maart 2010 onder wijziging van de motivering ervan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 16 december 2011, verzonden op 19 december 2011, heeft de rechtbank het door [appellanten] beroep daartegen, voor zover ingesteld door [gemachtigde], niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 februari 2012.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2012, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.A.F. Corten, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. Hop, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. E.M.J. van Gestel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [acht appellanten] hebben geen beroep tegen het besluit van 7 januari 2011 ingesteld. Er is geen grond voor het oordeel dat hun dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het hoger beroep, voor zover door hen ingesteld, is daarom, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, mag slecht en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nieuwendam-Zuid, 1e partiële herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Woonbebouwing (W2Y)", "Tuinen en Erven W(t2)".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, gelezen in verbinding met het derde lid van de planvoorschriften, zijn de gronden met de bestemming "Woonbebouwing" bestemd voor eengezinswoningen met inbegrip van de daarbij behorende nevenruimten, alsmede ander bouwwerken.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, zijn de gronden met de bestemming "Tuinen en Erven W(t2)" aangewezen voor tuinen en erven en de daarbij behorende al dan niet openbare voetpaden en waterlopen.

 

Ingevolge artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (hierna: de bouwverordening) moet, indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente, dan bedoeld in het eerste lid, en de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of het stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge artikel 2.5.30, vijfde lid, onder a, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede en vierde lid, voor zover op andere wijze in parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte, wordt voorzien.

2.3. [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de wijziging van het bouwplan door de toevoeging van vier parkeerplaatsen niet ondergeschikt is. De rechtbank heeft de aanpassing van de aanvraag, waarbij vier parkeerplaatsen zijn toegevoegd met het oog de eisen die de Bouwverordening stelt, terecht ondergeschikt geacht, nu niet aannemelijk is dat derden als gevolg ervan zijn benadeeld en het in bezwaar intekenen van vier parkeerplaatsen op een tekening ter toelichting op het bouwplan in relatie tot een bouwplan dat voorziet in de bouw van vier eengezinswoningen, en het in de aanvraag begrepen bouwplan hierbij overigens ongewijzigd is gebleven, beperkt is.

Voor zover zij betogen dat de rechtbank heeft miskend dat na het maken van bezwaar niet alsnog ontheffing van de Bouwverordening kon worden verleend, geldt dat ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt. Daarbij kan het bestuursorgaan eventuele gebreken herstellen. De rechtbank is hen dan ook terecht niet gevolgd in het betoog dat het college bij het besluit van 7 januari 2011 geen ontheffing kon verlenen.

2.4. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op het perceel de bouw van eengezinswoningen is toegestaan, terwijl het bouwplan voorziet in vier appartementen, gerealiseerd door middel van gestapelde bouw. Voorts heeft zij volgens hen miskend dat op het perceel ingevolge het bestemmingsplan geen nieuwe parkeerplaatsen mogen worden aangelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften is ter plaatse de bouw van eengezinswoningen toegestaan. De betekenis van de term "eengezinswoning" is in het bestemmingsplan niet omschreven. Voor die betekenis heeft de rechtbank in navolging van het college daarom aangesloten bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik wordt gehecht. In het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal is een eengezinswoning omschreven als: "Een woonhuis dat voor bewoning door één gezin bestemd is."

Volgens de bij de aanvraag overgelegde bouwtekening voorziet het bouwplan in vier woningen in een carré. Nu de woningen elk voor bewoning door één gezin zijn bestemd, heeft de rechtbank het bouwplan terecht niet in strijd met het bestemmingsplan geacht. Dat onder twee van de woningen vier bergingen worden gerealiseerd, heeft de rechtbank voorts terecht geen aanleiding gegeven voor het oordeel dat het bouwplan in de oprichting van niet toegestane gestapelde bouw voorziet.

2.4.2. Ter zitting is gebleken dat de aan te leggen parkeerplaatsen, anders dan [appellanten] stellen, niet op gronden met de bestemming "Tuinen en Erven W(t1)", maar op die met de bestemming "Tuinen en Erven W(t2)" zijn voorzien. Het bestemmingsplan staat aan de aanleg van parkeerplaatsen op die gronden niet in de weg. Gelet hierop, heeft de rechtbank het bouwplan terecht in zoverre niet met het bestemmingsplan in strijd geacht. De verwijzing van [appellanten] naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2004 in zaaknr. 200206653/1 (www.raadvanstate.nl), waaruit volgens hen volgt dat op gronden met de bestemming "Tuinen" niet vanzelfsprekend parkeerplaatsen zijn toegelaten, treft geen doel, reeds omdat het gebruik dat ter plaatse is toegestaan afhankelijk is van de doeleindenomschrijving van de geldende bestemming in een concreet geval. De in die uitspraak aan de orde zijnde planregeling voorzag in een bestemming, waarbij slechts het gebruik als tuin was toegelaten, terwijl in dit geval op het perceel de bestemming "Tuinen en erven" rust.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur in redelijkheid geen ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening heeft kunnen verlenen, nu uit het in hun opdracht door DHV opgestelde deskundigenbericht van 21 maart 2011 blijkt dat het aan de ontheffing ten grondslag gelegde parkeeradvies van 5 oktober 2010 niet juist is. Voorts heeft zij volgens hen miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft onderzocht of uitritvergunning kan worden verleend.

2.5.1. Volgens het door het dagelijks bestuur aan de ontheffing ten grondslag gelegde parkeeradvies is het bouwplan gelegen in de dure en middeldure koopsector in het centrum van een sterk stedelijk gebied. Volgens Publicatie 182, de Parkeercijfers - basis voor parkeernormering (hierna: de Publicatie), van Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW) geldt in dat geval een norm van 1,5 parkeerplaats per woning, zodat in totaal zes parkeerplaatsen nodig zijn.

Het bouwplan voorziet in de aanleg van vier parkeerplaatsen op eigen terrein. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur voor de resterende twee parkeerplaatsen in redelijkheid geen ontheffing heeft kunnen verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening. Daarbij heeft het in aanmerking mogen nemen dat, hoewel de parkeerdruk in de omgeving groot is, op circa 500 meter van het bouwplan parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Hoewel deze afstand, gelet op de in de Publicatie van het CROW vermelde acceptabele loopafstand voor een woonfunctie van 100 meter, groot is, voorziet de Publicatie er in dat onder omstandigheden van deze afstand wordt afgeweken. Het dagelijks bestuur heeft een afstand van 500 meter, in aanmerking nemend dat de te bouwen woningen zijn gesitueerd in het centrum van een sterk verstedelijkt gebied, aanvaardbaar geacht. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, wordt onder die omstandigheden geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur niet onverkort aan de in de Publicatie gehanteerde norm van 1,5 parkeerplaatsen per woning hoefde vast te houden. Dat in het door DHV opgestelde deskundigenbericht van 1,7 parkeerplaatsen per woning wordt uitgegaan, zodat in totaal zeven parkeerplaatsen nodig zijn, maakt dat niet anders.

2.5.2. Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht aan de brief van 18 februari 2011 van het dagelijks bestuur aan de bewoners van de [locaties] heeft besteed, wordt overwogen dat deze brief is verstuurd naar aanleiding van twee incidenten, waarbij de rijbaan voor hulpdiensten door hinderlijk geparkeerde auto's geblokkeerd werd. De rechtbank heeft terecht daarmee niet aannemelijk gemaakt geacht dat de parkeerdruk in het gebied, waar de woningen zijn voorzien, zo hoog is, dat geoordeeld moet worden dat het dagelijks bestuur in verband daarmee niet in redelijkheid tot verlening van ontheffing kon overgaan.

2.5.3. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de Algemene Plaatselijke Verordening, noch een ander algemeen verbindend voorschrift, vergunning eist voor het aanleggen van een uitrit.

2.5.4. De conclusie is dat het betoog faalt.

 

2.6. [appellanten] betogen ten slotte evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de ontheffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het dagelijks bestuur in het verleden heeft geweigerd ontheffing van de bouwverordening te verlenen. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het door [appellanten] in dat verband aangehaalde geval een verzoek betrof om krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, zodat het reeds om die reden niet om een gelijk of gelijk te stellen geval gaat.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [acht appellanten],

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

357-724.