Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201112596/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5281, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd [wederpartij] reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een drijvende aanlegsteiger in het IJ achter het perceel [locatie] te Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:15
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/229 met annotatie van prof. mr. G. Overkleeft-Verburg
JIN 2012/193 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JOM 2012/870
JG 2012/63 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
NJB 2012/2053
Computerrecht 2013/8

Uitspraak

201112596/1/A1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2011 in zaak nr. 11/2503 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het dagelijks bestuur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd [wederpartij] reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een drijvende aanlegsteiger in het IJ achter het perceel [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 januari 2012.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.E. Jansen, werkzaam in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M. Jue, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2:15, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden, voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

Ingevolge het tweede lid kan een bestuursorgaan elektronisch verschafte gegevens en bescheiden weigeren, voor zover de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor het bestuursorgaan zou leiden.

Ingevolge het derde lid kan een bestuursorgaan een elektronisch verzonden bericht weigeren, voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dit bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel, waarvoor het wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder b, kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. Tegen het besluit van 7 december 2010 kon tot en met 18 januari 2011 bezwaar worden gemaakt. [wederpartij] heeft, nadat hem telefonisch door P. Baas van het bestuurssecretariaat van Stadsdeel Oost was medegedeeld dat elektronische indiening van een bezwaarschrift mogelijk was, op 17 januari 2011 per e-mailbericht, gericht aan het bestuurssecretariaat, bezwaar gemaakt. Op 20 januari 2011 heeft hij het desbetreffende geschrift bij de balie van het stadsdeel afgegeven.

2.3. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank, door de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, heeft miskend dat geen bezwaarschrift is ingediend en, zo dat al het geval is, niet kan worden vastgesteld dat Baas aan [wederpartij] geen juiste rechtsmiddelenvoorlichting heeft gegeven en, als dat het geval was, [wederpartij] daar niet op af heeft mogen gaan.

2.3.1. Het voormelde geschrift is niet binnen de voor het maken van bezwaar gestelde termijn bij de balie afgegeven. Het e-mailbericht is wel binnen die termijn bij het dagelijks bestuur binnengekomen. Het dagelijks bestuur heeft echter niet kenbaar gemaakt dat de elektronische weg voor het indienen van bezwaarschriften is opengesteld, als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, van de Awb.

Indien met een bij een bestuursorgaan ingekomen e-mailbericht is beoogd een bezwaar- of administratief beroepschrift in te dienen waarop het bestuursorgaan bevoegd is te beslissen, mag het het bezwaar of administratief beroep eerst niet-ontvankelijk verklaren, omdat het de elektronische weg niet heeft opengesteld, nadat het op de voet van artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb een herstelmogelijkheid aan de indiener heeft geboden.

De herstelmogelijkheid dient te worden geboden indien uit het e-mailbericht valt af te leiden dat daarmee beoogd wordt bezwaar te maken, dan wel administratief beroep in te stellen en het is verzonden naar het officiƫle e-mailadres van het desbetreffende overheidslichaam of van de ambtelijke dienst die het aangaat, dan wel naar het zakelijke e-mailadres van een ambtenaar, met wie de indiener zodanig contact over de zaak heeft gehad, dat hij ervan mocht uitgaan dat het e-mailbericht met het bezwaar of administratief beroep ook naar die ambtenaar mocht worden gestuurd.

2.3.2. De rechtbank heeft niet miskend dat het e-mailbericht geen ingediend stuk in de zin van artikel 6:4, eerste lid, van de Awb is. In het bericht heeft [wederpartij] te kennen gegeven dat hij, zoals telefonisch besproken, bezwaar maakt. In het daarop door Baas namens het bestuurssecretariaat aan [wederpartij] verstuurde e-mailbericht wordt de ontvangst van het e-mailbericht bevestigd en [wederpartij] medegedeeld dat zijn bericht aan de afdeling Juridische Zaken zal worden doorgestuurd. Daaruit valt af te leiden dat uit het e-mailbericht viel af te leiden dat beoogd was daarmee bezwaar te maken. Het is voorts verzonden aan het zakelijk e-mailadres van een ambtenaar, waarmee [wederpartij] zodanig contact over de zaak heeft gehad, dat hij ervan uit mocht gaan dat het e-mailbericht met het bezwaar naar die ambtenaar mocht worden gestuurd.

Het dagelijks bestuur heeft [wederpartij] niet in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Het heeft [wederpartij] bij brief van 18 januari 2011 slechts in de gelegenheid gesteld om op uiterlijk dezelfde dag een bezwaarschrift per faxbericht aan het dagelijks bestuur te zenden, dan wel af te leveren.

2.4. Het betoog leidt niet tot het ermee beoogde resultaat, nu [wederpartij] op 20 januari 2011 bij het dagelijks bestuur een bezwaarschrift heeft ingediend en uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat het dagelijks bestuur opnieuw op het aldus door [wederpartij] tegen het besluit van 7 december 2010 gemaakte bezwaar dient te besluiten. Hetgeen het dagelijks bestuur voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.5. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

414-724.