Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5971

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201111333/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Losser heeft op 22 oktober 2008 een ontwerp van een wegenlegger ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111333/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te De Lutte, gemeente Losser,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 september 2011 in zaak nr. 10/1200 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Losser.

1. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Losser heeft op 22 oktober 2008 een ontwerp van een wegenlegger ter inzage gelegd.

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de raad krachtens het delegatiebesluit van Gedeputeerde Staten van Overijssel de wegenlegger vastgesteld.

Bij uitspraak van 14 september 2011, verzonden op 15 september 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 november 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2012, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door E.H.M. Steijns en B.V. Nijholt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wegenwet is deze uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

Ingevolge artikel 7 heeft een weg opgehouden openbaar te zijn:

I. wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij door het bevoegde gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.

Ingevolge artikel 27 wordt in iedere gemeente van de buiten de bebouwde kom, of kommen gelegen wegen alsmede van de toegangswegen naar stations als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Spoorwegwet, ook al zijn deze binnen een bebouwde kom gelegen, een legger opgemaakt.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, houdt de legger in:

I. het nommer van den weg;

II. den naam, waaronder de weg bekend staat;

III. de eindpunten en de richting van den weg;

IV. de beperkingen in het gebruik van den weg, als bedoeld in artikel 6, alsmede de afschuttingen, welke zich op den weg bevinden;

V. de verharding met vermelding van haren aard, breedte en lengte;

VI. de zich in den weg bevindende bruggen en duikers, met vermelding van hunnen aard, hoofdafmetingen en samenstelling;

VII. de onderhoudsplichtigen van den weg en van de zich daarin bevindende bruggen en duikers;

VIII. den omvang van den onderhoudsplicht;

IX. degenen, die tot het onderhoud hebben bij te dragen, met vermelding van de hoegrootheid der bijdrage;

X. het gezag, dat volgens de artikelen 16 of 17 heeft te zorgen, dat de weg in goeden staat verkeert.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, wordt het ontwerp van de legger door Burgemeester en Wethouders opgemaakt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, stellen Gedeputeerde Staten den legger vast al dan niet met afwijking van het door Burgemeester en Wethouders opgemaakte ontwerp.

Ingevolge artikel 49 wordt een weg, welke op den legger voorkomt, aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na den vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.

2.2. Bij het besluit van 21 september 2010 heeft de raad de wegenlegger vastgesteld. Op de wegenlegger is, voor zover hier van belang, boven een weg met nummer 3833290 een pad ingetekend (hierna: het pad). De raad heeft overwogen dat de zienswijze van [appellant] dat het laatste gedeelte van de Molterheurneweg, met nummer 3833290, doodloopt tegen zijn perceel [locatie] en dat het pad niet bestaat, geen aanleiding geeft tot aanpassing van de wegenlegger. Het tracé van het pad is volgens de raad overgenomen uit de op dat moment geldende wegenlegger en is in de huidige wegenlegger met bijbehorende overzichtskaart opgenomen als naamloos pad met wegenleggernummer 3833290. De eindpunten en richting van deze openbare weg zijn in de wegenlegger als volgt omschreven: "van wegnr. 3833220 in algemeen oostelijke richting tot de Zandhuizerweg, wegnr. 3833200". Het betreft een onverhard pad met een lengte van 631 meter, aldus de raad.

2.3. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanduiding van het pad op de vorige wegenlegger het vermoeden rechtvaardigt dat dat pad heeft bestaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het pad niet heeft bestaan. Volgens de rechtbank heeft de raad het pad op goede gronden in de wegenlegger opgenomen, omdat het niet bij een besluit aan de openbaarheid is onttrokken.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad het pad terecht in de wegenlegger heeft opgenomen. Op de kaart die zich onder de gedingstukken bevindt, is boven de stippellijn met nummer 3833290 een pad ingetekend, terwijl dat pad volgens [appellant] nooit heeft bestaan. In de wegenlegger kunnen slechts bestaande wegen worden opgenomen. [appellant] heeft ter staving van zijn betoog foto's overgelegd. Uit de op die foto's afgebeelde bomen ter plaatse van het tracé is volgens hem af te leiden dat het pad in ieder geval ten tijde van de vorige wegenlegger niet bestond.

2.4.1. Volgens de raad heeft de op dat moment vigerende wegenlegger als basis gediend voor de vaststelling van de nieuwe wegenlegger, teneinde de continuïteit van de wegenlegger te waarborgen. De raad heeft het pad in de wegenlegger opgenomen, omdat het reeds in de op dat moment geldende wegenlegger was opgenomen. De raad heeft verder het standpunt ingenomen dat het van belang is om de doorgaande openbare en toeristische fietsverbindingen binnen het druk bezochte toeristische natuurgebied "Het Lutterzand" te waarborgen. Het is volgens de raad verder van groot belang om de tracés van de openbare paden binnen dat gebied zeker te stellen.

2.4.2. De raad heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het pad uit de bij besluit van 7 november 1996 vastgestelde wegenlegger is overgenomen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de raad het pad, gelet op het feit dat het in de vorige wegenlegger was opgenomen, in de wegenlegger diende op te nemen. Niet gebleken is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat het pad bij besluit van het bevoegde gezag aan de openbaarheid is onttrokken. Zoals ter zitting van de Afdeling aan de orde is geweest, staat het [appellant] vrij daartoe een verzoek in te dienen bij het bevoegde gezag. [appellant] heeft met de in hoger beroep overgelegde foto evenmin aannemelijk gemaakt dat het pad nimmer heeft bestaan, daarmee gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest, als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder II, van de Wegenwet en om die reden heeft opgehouden openbaar te zijn. Ter zitting van de Afdeling heeft de raad in dit verband bovendien met een kaart inzichtelijk gemaakt dat de contouren van het pad nog altijd aanwezig zijn. Dat het pad thans niet meer als zodanig bestaat, zoals [appellant] stelt, leidt gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat de raad het pad ten onrechte in de wegenlegger heeft opgenomen.

De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de raad het pad terecht in de wegenlegger heeft opgenomen, omdat het in de vorige wegenlegger was opgenomen en niet heeft opgehouden openbaar te zijn.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

581.