Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201110370/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 16 juli 2010 heeft de minister de aanvragen voor een nieuw paspoort van [appellante A] (hierna: de moeder) en van [appellante B] (hierna: de dochter) niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110370/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 augustus 2011 in zaken nrs. 11/2254 en 11/2272 in het geding tussen:

[appellante A] en [appellante B], wonend te Paseo las Palmas (Mexico)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 16 juli 2010 heeft de minister de aanvragen voor een nieuw paspoort van [appellante A] (hierna: de moeder) en van [appellante B] (hierna: de dochter) niet in behandeling genomen.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 februari 2011 heeft de minister de door de moeder en de dochter daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2011, verzonden op 29 augustus 2011, heeft de rechtbank de door de moeder en de dochter daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 23 februari 2011 vernietigd, het bezwaar (lees: de bezwaren) gegrond verklaard, bepaald dat de aanvragen worden afgewezen met overneming van de in de vernietigde besluiten gebruikte motivering en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2011, hoger beroep ingesteld.

De moeder en de dochter hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Sevriens, werkzaam bij het ministerie, en de moeder en de dochter, vertegenwoordigd door mr. R.J. Schenkman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit.

Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander, binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, vervalt een reisdocument van rechtswege, indien de houder van het reisdocument, waarin staat vermeld dat deze de Nederlandse nationaliteit bezit, het Nederlanderschap heeft verloren.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: de Pub 2001) wordt voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

Ingevolge het vierde lid wordt, indien onzekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager blijft bestaan, daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van de door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, wordt een aanvraag, waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51, niet in behandeling genomen.

2.2. De minister heeft geweigerd de door de moeder en dochter ingediende aanvragen om een Nederlands paspoort in behandeling te nemen omdat zij door vrijwillige verkrijging van de Mexicaanse nationaliteit niet meer de Nederlandse nationaliteit bezitten en niet is gebleken dat één van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, b of c, van de RWN van toepassing is.

2.3. De rechtbank heeft de besluiten op bezwaar van 23 februari 2011 vernietigd omdat de minister de aanvragen ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld op grond van artikel 4:5 van de Awb in plaats van afgewezen nadat hij inhoudelijk heeft beoordeeld of de moeder en dochter de Nederlandse nationaliteit al dan niet nog bezitten. De rechtbank heeft aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien. Zij heeft de bezwaren gegrond verklaard en de aanvragen afgewezen met overneming van de in de vernietigde besluiten gebruikte motivering omdat niet aannemelijk is gemaakt dat dwingende redenen aanwezig waren die de moeder en dochter noopten tot het aannemen van de Mexicaanse nationaliteit.

2.4. De minister heeft aangevoerd dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door te oordelen dat de besluiten in strijd met artikel 4:5 van de Awb zijn genomen. De rechtbank heeft volgens de minister miskend dat het niet in behandeling nemen van een aanvraag in het kader van de Paspoortwet en de daarop gebaseerde regelingen niet hetzelfde is als de buiten behandeling stelling als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb en heeft ten overvloede in het dictum de aanvragen afgewezen daar dit reeds was geschied in de besluiten op bezwaar van 23 februari 2011. Ten slotte heeft de minister aangevoerd dat de gegrondverklaring van de bezwaren op een kennelijke verschrijving berust.

2.5. Het betoog van de minister dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden slaagt niet. De moeder en dochter hebben in beroep hun in bezwaar gedane verzoek om de aanvragen alsnog in behandeling te nemen gehandhaafd. Hierin heeft de rechtbank aanleiding kunnen zien om ambtshalve de rechtsgronden aanvullend te beoordelen of de besluiten al dan niet in strijd met artikel 4:5 van de Awb zijn genomen.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling echter van oordeel dat de minister de besluiten niet met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling heeft gesteld. Evenals in de uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200903798/1 is de Afdeling van oordeel dat de minister de aanvragen niet in behandeling heeft genomen nadat hij na onderzoek tot het standpunt is gekomen dat de moeder en dochter niet meer over de Nederlandse nationaliteit beschikten omdat zij vrijwillig de Mexicaanse nationaliteit hebben aangenomen. De door de minister gebruikte bewoordingen komen overeen met die van artikel 52 van de Pub 2001 en houden in dat de aanvragen worden afgewezen, zoals de minister ook in de besluiten op bezwaar van 23 februari 2011 heeft opgenomen onder het kopje 'Beslissing op bezwaar'.

De rechtbank heeft derhalve ten onrechte de besluiten op bezwaar van 23 februari 2011 vernietigd wegens strijdigheid met artikel 4:5 van de Awb.

Gezien het vorenstaande behoeft de overige grond geen verdere bespreking.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 23 februari 2011 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 augustus 2011 in zaken nrs. 11/2254 en 11/2272;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

290.