Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201010838/1/T2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Appellant is op 23 juni 2008 aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek in verband met een door hem geambieerde vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven.

De Afdeling heeft met toepassing van art. 8:29, lid 5 Awb kennis genomen van de aan het besluit van de minister ten grondslag gelegde gegevens uit het veiligheidsonderzoek. Het besluit van 18 maart 2009 en het besluit van 6 juli 2009 herhalen ter motivering van de weigering van de verklaring van geen bezwaar slechts de algemene formulering in art. 7, lid 2, aanhef en onder d, van de Wvo en behelzen geen enkele nadere motivering van het standpunt van de minister dat er onvoldoende waarborgen zijn dat appellant de verplichtingen die uit de door hem geambieerde vertrouwensfunctie voortvloeien, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal vervullen.

De Afdeling is van oordeel dat een organisatie als de AIVD zijn wettelijke taak, zoals neergelegd in art. 15 van de Wiv, uitsluitend met een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitvoeren. Dit betekent dat de AIVD zijn actuele kennisniveau, zijn bronnen en zijn werkwijze geheim moet kunnen houden om de veiligheid van de daarbij betrokken personen en de veiligheid van de staat te kunnen waarborgen en onderzoeken niet in gevaar te brengen. De Afdeling is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de weigering ten grondslag gelegde gegevens niet in hun geheel aan appellant kunnen worden verstrekt omdat daarmee inzicht wordt gegeven in gebruikte bronnen, het actueel kennisniveau van de AIVD of de werkwijze van de AIVD en onderzoeken van de AIVD zowel nu als in de toekomst mogelijk in gevaar worden gebracht.

Gezien de inhoud van de aan de weigering ten grondslag gelegde gegevens, heeft de minister zich echter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanwege de aard van de gegevens in het geheel geen motivering kan worden gegeven waarom de verklaring van geen bezwaar wordt geweigerd. De minister heeft ten onrechte het belang van de staatsveiligheid, dat wordt gediend met vertrouwelijkheid van de gegevens, in zodanige mate laten prevaleren boven het belang van appellant dat hem ieder uitsluitsel over de feiten op grond waarvan de verklaring is geweigerd is onthouden. Als gevolg daarvan kan appellant zich in rechte op geen enkele wijze verweren tegen de tegen hem gerezen bezwaren en wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor in de procedure voor de rechter. De Afdeling ziet, gelet op de aan de weigering ten grondslag gelegde gegevens en hetgeen de minister daaromtrent heeft gesteld, geen grond voor het oordeel dat de gekozen mate van vertrouwelijkheid en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van de procedure in rechte zijn gerechtvaardigd in het belang van de staatsveiligheid.

Wetsverwijzingen
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 15
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 87
Wet veiligheidsonderzoeken
Wet veiligheidsonderzoeken 7
Wet veiligheidsonderzoeken 8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/226
NJB 2012/2125

Uitspraak

201010838/1/T2/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2010 in zaak nr. 09/3728 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de minister geweigerd om ten behoeve van [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Eckhardt, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 30 november 2011 in zaak nr. 201010838/1/T1/H3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het onderzoek in deze zaak heropend.

De Afdeling heeft de beperking van de kennisneming van de door de minister overgelegde stukken met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gerechtvaardigd geoordeeld ter bescherming van de bronnen, methoden en technieken van het door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) verrichte onderzoek.

Bij brief van 19 april 2012 heeft [appellant] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: de WRvS), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de WRvS, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar de gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Ingevolge deze aanhef en onder d wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

Ingevolge artikel 15 van de Wiv dragen de hoofden van de diensten zorg voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en de bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn en voor de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Wiv, voor zover thans van belang, blijft in bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken waarbij de betrokken minister of de commissie van toezicht door de rechtbank ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Awb wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van de Awb buiten toepassing. Indien de minister of de commissie van toezicht het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van stukken weigert kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

2.2. [appellant] is op 23 juni 2008 aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek in verband met een door hem geambieerde vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven.

2.3. De minister heeft zijn in bezwaar gehandhaafde besluit tot weigering van een verklaring van geen bezwaar gebaseerd op gegevens met betrekking tot de overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden van [appellant], die bij het veiligheidsonderzoek naar voren zijn gekomen. Uit deze gegevens is volgens de minister gebleken dat er onvoldoende waarborgen zijn dat [appellant] de verplichtingen die voortvloeien uit de door hem geambieerde vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden getrouwelijk zal vervullen. De minister stelt dat hij, gelet op de aard van de uit het veiligheidsonderzoek afkomstige gegevens, hierover geen inhoudelijke mededelingen kan doen en evenmin door een samenvatting of anderszins enig inzicht in de reden van de weigering kan geven.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er onvoldoende waarborgen zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal vervullen en dat vanwege de aard van de gegevens het niet mogelijk is om de reden van de weigering te geven.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door de beperking van de kennisneming artikel 6 van het EVRM niet is geschonden.

2.5.1. In de tussenuitspraak van 30 november 2011 heeft de Afdeling geoordeeld dat, gelet op de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde rechtspraak over het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vervatte recht op openbaarmaking van bewijs, artikel 87, eerste lid, eerste volzin, van de Wiv in dit geval buiten toepassing moet blijven voor zover daarin artikel 8:29, derde lid, buiten toepassing is verklaard. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond slaagt. Het hoger beroep zal in de einduitspraak gegrond worden verklaard en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Nu de Afdeling het in de tussenuitspraak geconstateerde procedurele gebrek heeft hersteld door het onderzoek te heropenen en alsnog met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beoordelen of de beperkte kennisneming van de door de minister aan het besluit ten grondslag gelegde gegevens gerechtvaardigd is, ziet de Afdeling aanleiding om doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de overige grond van het beroep van [appellant] te beoordelen.

2.6. [appellant] betoogt dat hij zich niet heeft kunnen verweren tegen de weigering hem een verklaring van geen bezwaar te verlenen, omdat in het besluit van 6 juli 2009 op geen enkele wijze is vermeld welke gegevens bekend zijn geworden of van welke aard de gegevens zijn waarop het standpunt van de minister is gebaseerd.

2.7. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de aan het besluit van de minister ten grondslag gelegde gegevens uit het veiligheidsonderzoek.

2.7.1. Het besluit van 18 maart 2009 en het besluit van 6 juli 2009 herhalen ter motivering van de weigering van de verklaring van geen bezwaar slechts de algemene formulering in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wvo en behelzen geen enkele nadere motivering van het standpunt van de minister dat er onvoldoende waarborgen zijn dat [appellant] de verplichtingen die uit de door hem geambieerde vertrouwensfunctie voortvloeien, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal vervullen.

De Afdeling is van oordeel dat een organisatie als de AIVD zijn wettelijke taak, zoals neergelegd in artikel 15 van de Wiv, uitsluitend met een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitvoeren. Dit betekent dat de AIVD zijn actuele kennisniveau, zijn bronnen en zijn werkwijze geheim moet kunnen houden om de veiligheid van de daarbij betrokken personen en de veiligheid van de staat te kunnen waarborgen en onderzoeken niet in gevaar te brengen. De Afdeling is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de weigering ten grondslag gelegde gegevens niet in hun geheel aan [appellant] kunnen worden verstrekt omdat daarmee inzicht wordt gegeven in gebruikte bronnen, het actueel kennisniveau van de AIVD of de werkwijze van de AIVD en onderzoeken van de AIVD zowel nu als in de toekomst mogelijk in gevaar worden gebracht.

Gezien de inhoud van de aan de weigering ten grondslag gelegde gegevens, heeft de minister zich echter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanwege de aard van de gegevens in het geheel geen motivering kan worden gegeven waarom de verklaring van geen bezwaar wordt geweigerd. De minister heeft ten onrechte het belang van de staatsveiligheid, dat wordt gediend met vertrouwelijkheid van de gegevens, in zodanige mate laten prevaleren boven het belang van [appellant] dat hem ieder uitsluitsel over de feiten op grond waarvan de verklaring is geweigerd is onthouden. Als gevolg daarvan kan [appellant] zich in rechte op geen enkele wijze verweren tegen de tegen hem gerezen bezwaren en wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor in de procedure voor de rechter. De Afdeling ziet, gelet op de aan de weigering ten grondslag gelegde gegevens en hetgeen de minister daaromtrent heeft gesteld, geen grond voor het oordeel dat de gekozen mate van vertrouwelijkheid en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van de procedure in rechte zijn gerechtvaardigd in het belang van de staatsveiligheid.

2.8. Het besluit van 6 juli 2009 is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De door [appellant] aangevoerde gronden slagen in zoverre en leiden tot de hieronder vermelde opdracht aan de minister.

2.9. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beƫindiging van het geschil aanleiding de minister op de voet van artikel 49, zesde lid, van de WRvS op te dragen het in overweging 2.7.1. vermelde gebrek in het besluit van 6 juli 2009 te herstellen. De minister dient daartoe binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, dat besluit alsnog toereikend te motiveren, of zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen en de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

2.10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en het griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van hetgeen in overweging 2.7.1. is overwogen het besluit van 6 juli 2009, nr. 4118648/01, alsnog toereikend te motiveren, of zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. J.H. van Kreveld, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

290.