Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201202370/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2011, nr. 2011/11293-RO, heeft de raad het bestemmingsplan "Green Park Aalsmeer, deelgebieden 9 en 10" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202370/3/R1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Soest, en anderen,

en

de raad van de gemeente Aalsmeer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011, nr. 2011/11293-RO, heeft de raad het bestemmingsplan "Green Park Aalsmeer, deelgebieden 9 en 10" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2012, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 augustus 2012, waar [verzoeker] en anderen, bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.J. Woudstra, werkzaam bij buro vijn, en D.H. Swijnenburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.A. Mulder en mr. I. Verstraeten, beiden advocaat te Haarlem, J.J. Koch en B. van der Poel, beiden werkzaam bij de gemeente, M. van Otterlo, werkzaam bij adviesbureau Van Riezen en Partners, en mr. D. Samkalden, adviseur van "Green Park Aalsmeer", zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    [verzoeker] en anderen richten hun verzoek tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - 1" ter plaatse van de gronden die in eigendom zijn van de provincie Noord-Holland en waarop de huidige ontsluitingsweg naar de gronden van [belanghebbende] wordt verbreed ten behoeve van de aanleg van opstelstroken (hierna: het plandeel met de bestemming "Bedrijf - 1"), tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" ten behoeve van de voorziene Thailandlaan voor een gedeelte van hun gronden en tegen het exploitatieplan. Volgens [verzoeker] en anderen is de verbreding van de huidige ontsluitingsweg, waar zij op zichzelf geen bezwaren tegen hebben, in overeenstemming met het voorheen geldende bestemmingsplan maar in strijd met het thans voorliggende bestemmingsplan en moet het bestemmingsplan daarom geschorst worden. Verder bestaat volgens hen nu de huidige ontsluitingsweg wordt verbreed geen behoefte aan de voorziene Thailandlaan op hun gronden. Voorts is volgens [verzoeker] en anderen de verbreding in strijd met het exploitatieplan en is onduidelijk of zij zullen meebetalen aan de verbreding via de te betalen exploitatiebijdrage.

2.2.1.    Wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - 1" wordt overwogen dat het beroep van [verzoeker] en anderen niet tegen dit plandeel gericht is en het verzoek in zoverre geen betrekking heeft op hetgeen [verzoeker] en anderen in de hoofdzaak bestrijden. Reeds daarom dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre te worden afgewezen.

2.2.2.    Wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor een gedeelte van de gronden van [verzoeker] en anderen, wordt overwogen dat de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 10 mei 2012 met zaak nr. 201202370/2/R1 heeft geoordeeld dat ten aanzien van het voormelde plandeel geen zodanig spoedeisend belang bestaat dat het treffen van een voorlopige voorziening is gerechtvaardigd. Daartoe heeft de voorzitter overwogen dat de raad ter zitting heeft verklaard dat onder meer de bestemming "Verkeer" op de gronden van [verzoeker] en anderen in ieder geval niet zonder hun medewerking zal worden gerealiseerd voor de uitspraak in de bodemprocedure. Dit is ter zitting van 6 augustus 2012 namens de raad nogmaals bevestigd. Niet gebleken is van omstandigheden die aanleiding geven tot het oordeel dat ten aanzien van het voormelde plandeel thans wel een zodanig spoedeisend belang bestaat dat het treffen van een voorlopige voorziening is gerechtvaardigd. Dat op een andere locatie werkzaamheden worden verricht is daartoe niet voldoende.

Wat betreft hetgeen is aangevoerd ten aanzien van het exploitatieplan, wordt overwogen dat de voorzitter in de voormelde uitspraak van 10 mei 2012 heeft geoordeeld dat ten aanzien daarvan geen zodanig spoedeisend belang bestaat dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt, nu de gronden van [verzoeker] en anderen in het gebied liggen dat is aangewezen als fase 2 en zij daarom niet vóór 2014 geconfronteerd zullen worden met een te betalen exploitatiebijdrage. De voorzitter ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen.

Gelet op het voorgaande bestaat ook in zoverre aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Den Broeder

voorzitter                              ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012

444-703.