Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201110702/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2011, kenmerk 136, heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartcentrum met crematorium Schipleidelaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110702/1/R1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting tot Behoud Woonomgeving de Thij, gevestigd te Oldenzaal,

2. [appellant], wonend te Oldenzaal,

en

de raad van de gemeente Oldenzaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2011, kenmerk 136, heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartcentrum met crematorium Schipleidelaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2011, en [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2011, beroep ingesteld. De Stichting heeft haar beroep aangevuld bij brief van 20 oktober 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting, [appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid In Pace DELA Uitvaartverzorging B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DELA Uitvaartverzorging B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Crematoria Twente/Oost-Nederland B.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: DELA) hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door [bestuurslid] van de Stichting, [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door J. Oude Avenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij DELA, vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven, en bijgestaan door [medewerker], werkzaam bij DELA, ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet op het terrein van de bestaande begraafplaats "Schipleidelaan", gelegen aan de Schipleidelaan, onder meer in de realisering van een crematorium, de uitbreiding van het aanwezige aulagebouw en de aanleg van parkeervoorzieningen. Het plangebied grenst ten westen aan de woonwijk "De Thij" en ten noorden aan het recreatiegebied "Het Hulsbeek".

Ontvankelijkheid

2.2. DELA en de raad betwisten de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant]. [appellant] kan niet als belanghebbende worden aangemerkt, omdat hij op aanzienlijke afstand van het plangebied woont en daarnaast geen zicht heeft op het plangebied, aldus DELA en de raad.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen besluiten als thans aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. [appellant] woont op een afstand van ongeveer 500 m van het plangebied. Vanuit zijn woning heeft hij weliswaar geen zicht op het plangebied, maar gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt en gelet op het feit dat uit het rapport "Verkeersafwikkeling crematorium Schipleidelaan te Oldenzaal", van 22 mei 2007, opgesteld door Oranjewoud B.V. (hierna: het onderzoek naar de verkeersafwikkeling) als gevolg van het plan een verkeerstoename volgt van minimaal 183 en maximaal 720 auto's per dag, is op voorhand niet uit te sluiten dat [appellant], anders dan de raad ter zitting heeft betoogd, daarvan gevolgen zal kunnen ondervinden. Gelet op deze door de raad verwachte verkeerstoename als gevolg van het plan is de Afdeling van oordeel dat de belangen van [appellant] rechtstreeks bij de vaststelling van het plan zijn betrokken.

De conclusie is dat [appellant] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, beroep kan instellen.

Het beroep is ontvankelijk.

De beroepen

2.3. De Stichting voert aan dat nu de burgemeester namens de gemeente in 2006, geruime tijd voor de vaststelling van het plan, met DELA Coöperatie voor het verzekeren en verzorgen van begrafenissen en crematies U.A. en met Crematoria Twente/Oost Nederland B.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: DELA Coöperatie) een koopovereenkomst en een erfpachtovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de gronden waar de uitbreiding van het aulagebouw is voorzien, onderscheidenlijk met betrekking tot de gronden waarop het crematorium is voorzien, de locatie van het crematorium is komen vast te staan en de raad derhalve geen alternatieven meer heeft kunnen bezien.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het sluiten van de koopovereenkomst en de erfpachtovereenkomst de locatie van het crematorium niet is komen vast te staan. In deze overeenkomsten is volgens de raad bepaald dat de gemeente geen resultaatverplichting maar een inspanningsverplichting heeft. Bovendien heeft de raad voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomsten aangegeven geen wensen en bedenkingen te hebben ten aanzien van het ontwerp-collegebesluit over de te sluiten overeenkomsten.

2.3.2. Op 27 maart 2006 heeft de gemeente met DELA Coöperatie een erfpachtovereenkomst gesloten met betrekking tot de gronden waarop DELA Coöperatie een crematorium wil realiseren.

Ingevolge artikel 1, lid c, van de erfpachtovereenkomst, voor zover van belang, wordt deze overeenkomst gesloten onder de opschortende voorwaarde dat het bestemmingsplan "Begraafplaats/crematorium Schipleidelaan Oldenzaal" onherroepelijk is geworden.

Op 27 maart 2006 heeft DELA Coöperatie met de gemeente een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de gronden waarop DELA Coöperatie de begraafplaats wil uitbreiden in de vorm van een uitbreiding van het aanwezige aulagebouw.

Ingevolge artikel 1, lid c, van de koopovereenkomst, voor zover van belang, wordt deze overeenkomst gesloten onder de opschortende voorwaarde dat het bestemmingsplan "Begraafplaats/crematorium Schipleidelaan Oldenzaal" onherroepelijk is geworden.

2.3.3. Ingevolge artikel 160, eerste lid, onder e, van de Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders in ieder geval bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten.

Ingevolge artikel 169, vierde lid, geeft het college van burgemeester en wethouders en elk van zijn leden afzonderlijk de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college van burgemeester en wethouders geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college van burgemeester en wethouders te brengen.

Ingevolge artikel 171, eerste lid, vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente in en buiten rechte.

2.3.4. De raad heeft op 16 februari 2006 op de voet van artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet aangegeven geen wensen en bedenkingen te hebben ten aanzien van het ontwerpbesluit van het college van burgemeester en wethouders van 10 februari 2006 over de te sluiten koopovereenkomst en de erfpachtovereenkomst met DELA Coöperatie voor de realisering van een crematorium en de uitbreiding van het aanwezige aulagebouw aan de Schipleidelaan. DELA Coöperatie heeft de overeenkomsten op 2 maart 2006 ondertekend. Op 21 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten tot het aangaan van voormelde overeenkomsten. Vervolgens heeft de burgemeester ingevolge artikel 171, eerste lid, van de Gemeentewet op 27 maart 2006 deze overeenkomsten ondertekend.

Zowel de koopovereenkomst als de erfpachtovereenkomst is gesloten onder de opschortende voorwaarde dat het bestemmingsplan "Begraafplaats/crematorium Schipleidelaan Oldenzaal" onherroepelijk is geworden. Gelet hierop was de raad in zoverre voor de realisering van het crematorium en de uitbreiding van de begraafplaats niet gebonden aan de locatie Schipleidelaan. Ook de omstandigheid dat DELA Coöperatie bij brief van 29 mei 2006 heeft gewezen op de schade die zij mogelijk lijdt indien de raad alsnog voor een andere locatie zou kiezen en dat in het geval de gemeente schadeplichtig is bij een eventuele contractbreuk de gemeente voor die schade verantwoordelijk kan worden gehouden, brengt niet met zich dat de raad in zoverre gebonden was aan de locatie Schipleidelaan. Uit de brief volgt immers niet dat het gemeentebestuur daadwerkelijk deze kosten voor zijn rekening moet nemen indien de raad kiest voor een andere locatie voor de voorziene ontwikkelingen. Voor zover de Stichting stelt dat de burgemeester de koopovereenkomst en erfpachtovereenkomst niet op 27 maart 2006, maar op 2 maart 2006 heeft ondertekend, overweegt de Afdeling dat aannemelijk is geworden dat op 2 maart 2006 een conceptovereenkomst voorlag, terwijl op 27 maart 2006 de definitieve overeenkomst is getekend en die omstandigheid aan het voorgaande niet af doet. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de vaststelling van het plan anderszins geen afweging van belangen heeft kunnen plaatsvinden.

2.4. De Stichting en [appellant] richten zich tegen de locatie waar in het plan het crematorium is voorzien. Zij voeren aan dat niet duidelijk is waarom de raad thans een crematorium op de locatie Schipleidelaan wil realiseren, terwijl hij in het verleden nog een voorkeur had voor de locatie Oude Almeloseweg.

Volgens de Stichting levert een crematorium gelegen nabij een gemeentelijke begraafplaats, anders dan de raad stelt, geen synergievoordelen op, omdat het gaat om een gemeentelijke begraafplaats en het voorziene crematorium een landelijke onderneming is. Voorts is het argument dat het bestaande parkeerprobleem voor de bezoekers van de begraafplaats met het plan kan worden opgelost, volgens de Stichting geen dragend argument om het crematorium op de locatie Schipleidelaan te realiseren.

Verder zijn de begraafplaats en het crematorium volgens de Stichting moeilijk bereikbaar met het openbaar vervoer. De raad merkt de aanleg van parkeerplaatsen op de gronden waar thans een graszodenkwekerij is gevestigd daarnaast volgens de Stichting ten onrechte aan als een inbreiding in de zin van het provinciaal beleid. Voorts voert de Stichting aan dat de raad bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de impact op de nabijgelegen woonwijk en het nabijgelegen recreatiegebied "Het Hulsbeek", de imagoschade voor ondernemers binnen het voormelde recreatiegebied en mogelijke verkeersproblemen. Volgens de Stichting heeft de raad de criteria die zijn gehanteerd ter bepaling van de locatie voor het voorziene crematorium zodanig geformuleerd dat enkel de locatie Schipleidelaan aan alle criteria kan voldoen.

De Stichting betoogt dat de raad de alternatieve locatie aan de zuidzijde van de A1 nabij afslag 32 en ten zuiden van de spoorlijn Oldenzaal-Hengelo ten onrechte niet in zijn besluitvorming heeft betrokken.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gemeentebestuur reeds sinds 2002 een crematorium in Oldenzaal wil realiseren. Het gemeentebestuur had weliswaar eerder een voorkeur voor de locatie Oude Almeloseweg, gelegen ten zuiden van het plangebied, maar tegen deze locatie bestonden bij nader inzien verschillende bezwaren. In de notitie "Advies betreffende mogelijke locaties voor een crematorium te Oldenzaal" van de dienst Stadsplanning en Beheer, afdeling Stadsontwikkeling, van 8 mei 2003, zijn zeven locaties beschreven en op basis van negen ruimtelijk relevante criteria beoordeeld. In overleg met de Regio Twente en met het provinciebestuur is sinds medio 2004 uiteindelijk de voorkeur gegeven aan de bouw van een crematorium op de locatie Schipleidelaan, aldus de raad.

De raad stelt dat voor de locatie Schipleidelaan is gekozen vanwege het efficiënte ruimtegebruik, de synergievoordelen en het maatschappelijke draagvlak dat voor die locatie aanwezig is. Verder heeft de raad ter zitting verklaard dat de omstandigheid dat het bestaande parkeerprobleem voor de bezoekers van de begraafplaats met het plan kan worden opgelost, anders dan de Stichting betoogt, geen dragend maar een bijkomend argument is geweest om het crematorium op de locatie Schipleidelaan te realiseren.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een eerdere niet planologisch vastgelegde keuze van het college van burgemeester en wethouders en van de raad om op een bepaalde locatie een bepaalde ontwikkeling te voorzien geen rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten een andere keuze maken voor de locatie van een ontwikkeling. Niettemin dient de raad bij de keuze van de locatie een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad heeft aangegeven dat verschillende argumenten ten grondslag liggen aan de keuze voor de locatie Schipleidelaan boven de locatie Oude Almeloseweg. Allereerst pleit de aanwezigheid van de bestaande begraafplaats voor de bouw van een crematorium op de locatie Schipleidelaan. Er kan gebruik worden gemaakt van de reeds aanwezige infrastructuur en er hoeft geen nieuwe ontsluitingsweg door het recreatiegebied "Het Hulsbeek" te worden aangelegd. De locatie Oude Almeloseweg is gelegen in het recreatiegebied "Het Hulsbeek", dat een minder rustige en daarmee minder geschikte locatie vormt voor een crematorium. De raad wijst verder op het efficiënte ruimtegebruik op de locatie Schipleidelaan. Door de aanleg van een centrale uitvaartvoorziening met een uitvaartgebouw en een begraafplaats met strooiveld en urnenveld, kunnen nabestaanden bezoeken gemakkelijk combineren, biedt de voorziene parkeergelegenheid een oplossing voor het bestaande tekort aan parkeerplaatsen bij grote uitvaarten en gelden lagere onderhoudslasten voor de locatie Schipleidelaan als gevolg van de compacte begraafplaats. De locatie Oude Almeloseweg levert in mindere mate synergievoordelen op. Naast de bouw van een crematorium zou daar tevens een strooiveld en/of urnenveld moeten worden aangelegd, de eigenaar van de voor de parkeervoorziening benodigde gronden was bereid enkel een tijdelijk gebruiksrecht te geven en er zouden hogere onderhoudslasten gelden. Voorts wijst de raad erop dat de ontwikkeling van de begraafplaats "Schipleidelaan" tot een uitvaartcentrum met crematorium past binnen het ontwikkelingsperspectief van de "Omgevingsvisie Overijssel", vastgesteld in juli 2009. Een crematorium gelegen aan de Oude Almeloseweg past niet binnen de "Integrale Gebiedsvisie Hulsbeek en omgeving", vastgesteld door de raad op 5 februari 2009, waarin de doelstelling is opgenomen het recreatiegebied te ontwikkelen tot de toegangspoort tot het Nationaal Landschap Noordoost Twente. Verder voert de raad aan dat een breed draagvlak bestaat voor de locatie Schipleidelaan, gelet op de betrokkenheid van omwonenden, belangengroeperingen en ondernemers op het recreatiegebied "Het Hulsbeek" bij de keuze voor de locatie en in het bijzonder gedurende het open-planproces. Voor de locatie Oude Almeloseweg bestaat geen draagvlak bij de Regio Twente, zijnde een samenwerkingsverband tussen 14 Twentse gemeenten, en bij de op "Het Hulsbeek" gevestigde ondernemers. Voorts pleit voor de locatie Schipleidelaan dat de gronden ter plaatse eigendom zijn van de gemeente, terwijl de locatie Oude Almeloseweg eigendom is van de Regio Twente en het waterschap Regge en Dinkel. Die partijen konden aan de gemeente alleen een gebruiksrecht van die gronden voor een korte periode geven. De Stichting en [appellant] hebben de argumenten die de raad aandraagt niet gemotiveerd weersproken. De Afdeling is van oordeel dat de raad daarmee voldoende argumenten aan zijn keuze voor de locatie Schipleidelaan boven de locatie Oude Almeloseweg ten grondslag heeft gelegd.

De stellingen van de Stichting dat de combinatie van een gemeentelijke begraafplaats met een landelijk opererend crematorium, wat daar ook van zij, geen synergievoordelen oplevert, dat het plan imagoschade voor ondernemers in het recreatiegebied "Het Hulsbeek" tot gevolg heeft, en dat het plan mogelijk leidt tot verkeersproblemen, heeft zij niet nader onderbouwd, zodat deze stellingen niet leiden tot een ander oordeel. Dat de locatie Schipleidelaan niet gemakkelijk bereikbaar is met het openbaar vervoer is ter zitting weliswaar erkend door de raad, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze omstandigheid in redelijkheid niet van doorslaggevend belang hoeven achten bij zijn besluitvorming. Dit geldt eveneens voor de door de Stichting aangevoerde omstandigheid dat, wat daarvan ook zij, de raad de aanleg van parkeerplaatsen op de gronden waar thans een graszodenkwekerij is gevestigd ten onrechte als inbreiding heeft aangemerkt. Voorts is gebleken dat de oplossing voor het tekort aan parkeerplaatsen evenmin een doorslaggevend argument is op basis waarvan de raad heeft gekozen voor de locatie Schipleidelaan, zodat de stelling van de Stichting dat dat het enige argument is geweest om te kiezen voor die locatie, onjuist moet worden geacht. Verder heeft de Stichting niet aannemelijk gemaakt dat de raad de criteria die zijn gehanteerd ter bepaling van de locatie voor het voorziene crematorium, zodanig heeft geformuleerd dat enkel de locatie Schipleidelaan aan alle criteria kon voldoen. In dit verband acht de Afdeling van belang dat in het locatieonderzoek zoals uitgevoerd in 2003 de aanwezigheid van een strooiveld en/of urnenveld niet als selectiecriterium is opgenomen. Wel is gerapporteerd dat de initiatiefnemers het een voordeel vinden van de locatie die op grond van het onderzoek geschikt werd bevonden dat deze locatie nabij de begraafplaats Schipleidelaan is gelegen, onder meer omdat dan geen strooiveld en/of urnenveld gerealiseerd behoeft te worden.

Voor zover de Stichting wijst op een alternatieve locatie voor de bouw van een crematorium aan de zuidzijde van de A1, nabij afslag 32 en ten zuiden van de spoorlijn Oldenzaal-Hengelo, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat deze locatie ten tijde van de vaststelling van het plan niet beschikbaar was omdat ter plaatse een zogenoemde combi-terminal was voorzien, zodat geen ruimte bestond voor een crematorium.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locatie Schipleidelaan in vergelijking met de locatie Oude Almeloseweg een meer geschikte locatie vormt om een crematorium te realiseren.

2.5. De Stichting betoogt dat ten onrechte geen nader onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van de dassenpopulatie in en in de omgeving van het plangebied, terwijl het rapport "Dassen Het Hulsbeek, Aanwezigheid & Knelpunten", van 6 mei 2010, van de Zoogdiervereniging (hierna: het rapport van de Zoogdiervereniging), hiertoe wel aanleiding gaf. De Stichting voert aan dat ten onrechte geen ontheffingsprocedure ingevolge artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is gevolgd. Voorts betoogt de Stichting dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van meerdere bijburchten bij de dassenburcht in het plangebied, hetgeen volgt uit een onderzoek van de Bosgroep Noord-Oost Nederland.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in een quickscan naar natuurwaarden in en in de omgeving van het plangebied is geconstateerd dat aanvullend onderzoek naar de das noodzakelijk was. De resultaten van dit aanvullend onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de Zoogdiervereniging en naar aanleiding hiervan heeft ingenieursbureau Oranjewoud B.V. een memo, gedateerd 18 juni 2010 (hierna: het memo van Oranjewoud B.V.), opgesteld waarin een advies over de inrichting van het plangebied is opgenomen. Het plan is naar aanleiding van dat advies aangepast, zodat volgens de raad geen sprake meer is van negatieve gevolgen voor de das. Een ontheffingsprocedure ingevolge artikel 75 van de Ffw is niet nodig, aldus de raad.

2.5.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren, met uitzondering van gedomesticeerde dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten en met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis.

Ingevolge het vierde lid maakt onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, in de Staatscourant bekend welke de soorten, bedoeld in het eerste lid, zijn.

De das is vermeld in bijlage 1, als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, bij de Bekendmaking van de lijsten beschermde inheemse diersoorten en is derhalve een beschermde diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Ffw.

Ingevolge artikel 75, zesde lid, aanhef en onder c, van de Ffw, wordt, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

2.5.3. In het rapport van de Zoogdiervereniging zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek dat in en in de omgeving van het plangebied is verricht naar de invloed van de uitbreiding van de begraafplaats en de bouw van een crematoriumoven op de aanwezigheid van de das. De maïsakker waar de ontwikkelingen zijn voorzien, heeft als voedselgebied voor de das een beperkte waarde. Wel kan een raster om de begraafplaats foerageerroutes naar geschikt grasland voor de das blokkeren. De begraafplaats aan de westelijke zijde en met name de voorziene crematoriumoven grenzen direct aan een voor de das waardevol grasland. Het grasland is vochtig en wordt minder intensief bewerkt en is daarom rijk aan het hoofdvoedsel van de das, te weten regenwormen. De kans op verstoring van voedselzoekende dassen is groot door de uitbreiding van de begraafplaats naast dit grasland, aldus het rapport. Uit het rapport volgt voorts dat om te bepalen of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is, een aantal onderzoeksgegevens ontbreekt.

2.5.4. In het memo van Oranjewoud B.V. staat dat is aangetoond dat ten minste één dassenburcht in Het Hulsbeek, gelegen ten westen van de begraafplaats, voorkomt en wordt bewoond. Uit het memo van Oranjewoud B.V. volgt dat de uitbreiding van de begraafplaats en de aanleg van de crematoriumoven, zoals die op dat moment door de raad waren voorzien, mogelijk een negatief effect hebben op de beschikbaarheid van het voedselgebied voor de das. Derhalve is in het memo geadviseerd de ontwikkelingen op een wijze, zoals geïllustreerd is weergegeven in bijlage 3 bij het memo, vorm te geven waardoor geen negatief effect optreedt.

2.5.5. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.5.6. De Afdeling overweegt dat de conclusie van het rapport van de Zoogdiervereniging waaruit volgt dat nader onderzoek noodzakelijk is voor het antwoord op de vraag of een ontheffingsaanvraag ingevolge artikel 75 van de Ffw noodzakelijk is, is gebaseerd op de inhoud van het plan zoals dat destijds luidde. Het plan is naar aanleiding van het memo van Oranjewoud B.V. echter aangepast. Zo zijn de crematoriumoven en de uitbreiding van de begraafplaats thans verder van de dassenburcht en het foerageergebied, zijnde het grasland ten westen van het voorziene crematorium, voorzien. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat aan die gronden de bestemming "Agrarisch met Waarden - Natuur en Landschap" is toegekend, zodat ook rekening is gehouden met de bijburchten die mogelijk bij de dassenburcht in het plangebied aanwezig zijn. Verder heeft de raad ter zitting toegezegd dat bij de uitvoering van het plan op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Begraafplaats" rondom de begraafplaats, die in eigendom zijn van de gemeente, in een natuurlijke afscheiding wordt voorzien in plaats van een voor de das ondoordringbaar hekwerk. De planregels staan hier niet aan in de weg. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.6. [appellant] voert aan dat de door hem in zijn zienswijze genoemde suggesties voor de verbetering van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid ter plaatse van het voorziene crematorium ten onrechte niet in de planregels zijn opgenomen, terwijl in het besluit staat dat een aantal van de door betrokkenen tijdens de voorbereiding van het plan aangedragen maatregelen zal worden uitgevoerd. [appellant] wijst met name op de aanleg van fluisterasfalt, hetgeen volgens hem noodzakelijk is gelet op de toename van het aantal verkeersbewegingen en ook in het onderzoek naar de verkeersafwikkeling volgens hem wordt aanbevolen. Onder verwijzing naar de notulen van de openbare vergadering van de raadscommissie stadsontwikkeling en beheer, die plaatsvond op 16 juni 2003, stelt hij dat de aanleg van fluisterasfalt bovendien is toegezegd. Verder heeft [appellant] ter zitting aangevoerd dat in die vergadering tevens is toegezegd dat de asfaltlaag van de Schipleidelaan zal worden verbeterd.

2.6.1. De raad stelt dat de aanbevelingen uit het onderzoek naar de verkeersafwikkeling opgevolgd zullen worden. Wat betreft de aanleg van stiller asfalt stelt de raad zich op het standpunt dat daartoe geen toezegging is gedaan. Verder zijn de te verwachten kosten van de voorziene maatregelen in de exploitatieopzet opgenomen waardoor het treffen van deze maatregelen voldoende gewaarborgd is, aldus de raad.

2.6.2. Naar aanleiding van de uitkomsten van het open-planproces, die zijn opgenomen in het onderzoek naar de verkeersafwikkeling, heeft Oranjewoud B.V. een aantal problemen gesignaleerd ten aanzien van de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid ter plaatse en in de omgeving van het crematorium en een aantal aanbevelingen gedaan in het rapport.

Gelet op de noodzakelijke afstemming met de toekomstige ontwikkelingen in het nabijgelegen recreatiegebied "Het Hulsbeek", acht Oranjewoud B.V. het noodzakelijk de verkeersoplossingen in twee fasen ten uitvoer te brengen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in maatregelen die enkel te maken hebben met de verkeersafwikkeling van het crematorium (fase 1) en maatregelen die ook te maken hebben met de toekomstige verkeersafwikkeling van het recreatiegebied "Het Hulsbeek" (fase 2).

Met betrekking tot fase 1 worden de volgende aanbevelingen gedaan:

- ontsluiting van het crematorium via de Schipleidelaan;

- verbetering van de oversteekbaarheid van de Schipleidelaan;

- aanleg van 120 parkeerplaatsen ten noorden van de begraafplaats;

- verbetering ontsluiting woonwijk "De Thij";

- bestuurlijke afspraken maken over het aantal van maximaal vier crematieplechtigheden per dag;

- onderzoek naar sluipverkeer over de Schipleidelaan.

2.6.3. In de notulen van de openbare vergadering van de raadscommissie stadsontwikkeling en beheer, die plaatsvond op 16 juni 2003, staat:

"Met betrekking tot de voorzieningen aan de Schipleidelaan legt de wethouder uit dat de verbetering van de asfaltlaag in 2005 in het onderhoudsschema zit. Deze werkzaamheden kunnen naar voren worden gehaald."

2.6.4. De raad heeft ter zitting bevestigd dat de maatregelen met betrekking tot fase 1 worden uitgevoerd. Zo zal parkeergelegenheid worden aangelegd ten noorden van de begraafplaats, zal het crematorium worden ontsloten via de Schipleidelaan en zullen snelheidsremmende maatregelen worden getroffen ter plaatse van de aansluiting op de voorziene parkeerplaats bij het Hulsbekenkamp. Voorts zal de oversteekbaarheid van de Schipleidelaan ter plaatse van de Binnenweg voor langzaam verkeer worden verbeterd door de aanleg van een middengeleider, zodat de weg in etappes kan worden overgestoken. Ook zullen de afzonderlijke voorsorteerstroken voor linksafslaand verkeer bij de kruising van de Schipleidelaan/ Cato Elderinklaan/ Oude Almeloseweg worden verwijderd, hetgeen eveneens de oversteekbaarheid, de overzichtelijkheid en daarmee de verkeersveiligheid ten goede komt. Over het betoog van [appellant] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat voor de Schipleidelaan in de aanleg van stiller asfalt zou worden voorzien en dat de asfaltlaag ter plaatse zou worden verbeterd. Hetgeen in de notulen van de vergadering van de raadscommissie, van 16 juni 2003, staat kan niet als toezegging daaromtrent worden aangemerkt. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat in het onderzoek naar de verkeersafwikkeling weliswaar is geadviseerd om tot het aanleggen van stiller asfalt over te gaan, maar dit adviespunt heeft niet tot een concrete aanbeveling geleid. De toezegging van de raad dat de aanbevelingen uit de rapportage die gericht zijn op de verkeersafwikkeling worden overgenomen, heeft dan ook geen betrekking op de aanleg van stiller asfalt. Overigens volgt uit het rapport "Akoestisch onderzoek uitbreiding begraafplaats, Schipleidelaan te Oldenzaal", van 30 november 2010, van Oranjewoud B.V. (hierna: het akoestisch onderzoek), dat van recentere datum is dan het onderzoek naar de verkeersafwikkeling uit 2007 waarnaar [appellant] verwijst, dat de geluidniveaus ter plaatse onder de in het akoestisch onderzoek weergegeven aanvaardbare geluidsnormen blijven, zodat ter plaatse en in de omgeving van het voorziene crematorium geluidreducerende voorzieningen niet noodzakelijk zijn.

De Afdeling overweegt voorts dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de door de raad genoemde verkeersmaatregelen wel gewenst, maar niet noodzakelijk zijn om binnen de planperiode een aanvaardbare verkeersafwikkeling in en in de omgeving van het plangebied te garanderen. Bovendien vormt het treffen van deze verkeersmaatregelen een uitvoeringsaspect van het plan. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregelen in de planregels opgenomen hadden moeten worden. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat het plan aan het treffen van voormelde maatregelen niet in de weg staat en dat de te verwachten kosten van de voorziene maatregelen in de exploitatieopzet zijn opgenomen. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor de vrees van [appellant] dat de door de raad aangedragen maatregelen niet zullen worden uitgevoerd. Het betoog faalt.

2.7. [appellant] vreest voor geluidoverlast nu het plan volgens hem een toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg zal hebben. Daarnaast heeft [appellant] ter zitting betoogd dat het plan bovendien niet uitsluit dat meer dan vier crematies per dag zullen plaatsvinden, zodat ook om die reden een toename van het aantal verkeersbewegingen kan worden verwacht.

2.7.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat ter plaatse van de woning van [appellant] geen akoestisch onderzoek is verricht. De raad heeft zich ter zitting echter op het standpunt gesteld dat de conclusie uit het akoestisch onderzoek dat alle geluidniveaus onder de aanvaardbare norm blijven, tevens geldt voor de woning van [appellant]. Voorts heeft de raad ter zitting aangegeven dat niet meer dan vier crematies per dag zullen plaatsvinden, omdat het crematorium geen capaciteit heeft voor meer dan vier crematies per dag. In het akoestisch onderzoek is derhalve van de juiste gegevens uitgegaan, aldus de raad.

2.7.2. In het akoestisch onderzoek staat dat de geluidbelasting op een aantal geluidgevoelige locaties is bepaald en getoetst. De uitkomsten luiden als volgt:

- Onder representatieve bedrijfsomstandigheden bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de geluidgevoelige locaties ten hoogste 42 dB(A) in de dagperiode, 37 dB(A) in de avondperiode en 27 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee voldoet de inrichting aan het gestelde toetsingskader van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

- Het maximale geluidniveau beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de geluidgevoelige locaties ten hoogste 54 dB(A) in de dagperiode, 53 dB(A) in de avondperiode en 53 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee voldoet de inrichting aan het gestelde toetsingskader van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

- Het equivalente geluidniveau beoordelingsniveau als gevolg van verkeer van en naar de inrichting bedraagt ter plaatse van de geluidgevoelige locaties ten hoogte 43 dB(A) in de dagperiode, 38 dB(A) in de avondperiode en 28 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee voldoet de inrichting aan het gestelde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

- De planbijdrage aan het geluid als gevolg van het wegverkeer is 0,7 dB. Een bijdrage kleiner dan 1 dB kan als niet relevant ten opzichte van de autonome situatie worden beschouwd. De planbijdrage van 0,7 dB is dan ook niet relevant.

In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied alle geluidniveaus onder de hiervoor vermelde normen blijven. Dit geldt tevens voor incidentele activiteiten met een hoger aantal bezoekers dan gebruikelijk, nu deze een verhoging van niet meer dan 2 dB tot gevolg zullen hebben en alle geluidniveaus ook dan onder de normen blijven.

2.7.3. In het onderzoek naar de verkeersafwikkeling staat dat het plan, uitgaande van minimaal twee en maximaal vier crematies per dag en minimaal 76 en maximaal 150 bezoekers per crematie, een toename van het aantal verkeersbewegingen met zich brengt van minimaal 183 en maximaal 720 auto's per dag.

Voorts staat in het onderzoek dat de autonome groei van het wegverkeer in 2020 op het wegvak Schipleidelaan tussen de Oude Almeloseweg en de Vondellaan, dat is gelegen in de nabijheid van de woning van [appellant], 10.094 auto's per dag bedraagt.

2.7.4. In het onderzoek naar de verkeersafwikkeling staat dat als gevolg van het plan, waarbij is uitgegaan van ongeveer twee tot maximaal vier crematies per dag, een toename van het aantal verkeersbewegingen optreedt. De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek de situatie wat betreft geluid ter plaatse van de woning van [appellant] aan de [locatie] niet onderzocht is, maar dat uit het onderzoek wel volgt dat aan het gedeelte van de Schipleidelaan dat grenst aan het plangebied geen overschrijding van de in het onderzoek weergegeven geluidsnormen plaatsvindt. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat ter plaatse van de woning van [appellant], dat aan een deel van de Schipleidelaan ligt dat verder van het plangebied is gelegen, als gevolg van het plan wel een overschrijding van de geluidsnormen plaatsvindt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren.

De enkele stelling van [appellant] ter zitting dat het plan niet uitsluit dat meer dan vier crematies per dag kunnen plaatsvinden maakt het voorgaande niet anders. De Afdeling overweegt hiertoe dat de raad wat betreft de verkeersafwikkeling ter zitting heeft bevestigd dat de maatregelen uit fase 1 zullen worden uitgevoerd. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat wanneer de te verwachten verkeerstoename als gevolg van het plan wordt afgezet tegen de autonome groei van het wegverkeer in 2020 op het wegvak Schipleidelaan tussen de Oude Almeloseweg en de Vondellaan, het om een toename gaat van minimaal 1,8% en maximaal 7,1%. Hierbij is bovendien uitgegaan van het 'worst case'-scenario dat de afwikkeling van het verkeer afkomstig van het crematorium geheel via de Schipleidelaan zal plaatsvinden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat indien toch meer dan vier crematies per dag zullen plaatsvinden, dat zal leiden tot een aanzienlijke verkeerstoename waar [appellant] onevenredige hinder van zal ondervinden. Het betoog faalt.

2.8. De Stichting betoogt dat de realisatie van het voorziene crematorium ten onrechte niet openbaar is aanbesteed.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011 in zaak nr. 201104011/1/R3) is volgens Nederlands nationaal recht de burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter de aangewezen rechter om over de rechtmatigheid van het achterwege laten van een openbare aanbesteding een oordeel te vellen. Het betoog faalt.

Conclusie

2.9. In hetgeen de Stichting en [appellant] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Bosnjakovic

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

410-668.