Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201102653/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010, kenmerk 204, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.1
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.3
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:15
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/227 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg, tevens behorend bij «JB» 2012/229
JIN 2012/192 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JAF 2012/142 met annotatie van Van der Meijden
FED 2012/116
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3079
ABkort 2012/299

Uitspraak

201102653/1/R1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Ysselsteyn, gemeente Venray,

2. [appellant sub 2], wonend te Venray,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Ysselsteyn, gemeente Venray, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Ysselsteyn, gemeente Venray,

4. [appellante sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 4]), beide gevestigd te Haaren,

5. [appellant sub 5], wonend te Ysselsteyn, gemeente Venray,

6. de stichting Stichting ter behoud en bevordering van Natuur & Rust in de gemeenten Venray en Deurne, gevestigd te Merselo, gemeente Venray, en anderen (hierna: de Stichting Natuur & Rust en anderen),

en

de raad van de gemeente Venray,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010, kenmerk 204, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2011, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2011, [appellante sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2011, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2011, en Stichting Natuur & Rust en anderen bij e-mail, bij de gemeente ingekomen op 9 maart 2011 en geprint doorgezonden naar de Raad van State, aldaar ingekomen op 15 maart 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 30 maart 2011. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 5 april 2011. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 april 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 2], [appellante sub 4] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2012, waar [appellant sub 2], [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. K.T.E. Huisman, advocaat te 's-Hertogenbosch, en J. van de Rakt, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.E. van der Beele-Nijkamp en ing. J.H.G. Kniest, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Venray.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] is woonachtig op het perceel [locatie 1] te Ysselsteyn en exploiteert ter plaatse een meubelmakerij. [appellant sub 1] wenst zijn bedrijfsterrein uit te breiden op het naastgelegen perceel, kadastraal bekend sectie M, nr. 1112 (hierna: perceel M1112), waarvan hij tevens eigenaar is, om de continuïteit van zijn bedrijf in de toekomst te kunnen waarborgen. Volgens [appellant sub 1] maakt het plan dat niet mogelijk, nu aan het perceel M1112 ten onrechte een agrarische bestemming in plaats van een bedrijfsbestemming is toegekend. Dit is in strijd met toezeggingen die zijn gedaan door een ambtenaar van de gemeente. Daarnaast maakte het hiervoor geldende plan volgens [appellant sub 1] een dergelijke uitbreiding wel mogelijk.

2.2.1. De raad hanteert als uitgangspunt dat aan bestaande bedrijven voldoende mogelijkheden moeten worden geboden om ook op termijn renderend te kunnen blijven. Dit uitgangspunt is volgens de raad in acht genomen. [appellant sub 1] heeft volgens de raad ten tijde van de vaststelling van het plan geen gegevens overgelegd waaruit de noodzaak en behoefte volgen voor het toestaan van een verdere uitbreiding op het perceel M1112.

2.2.2. In het plan is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Bedrijf" toegekend, voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven". In het bestemmingsvlak is een bouwvlak getekend, voorzien van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak 910 m²".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor kleinschalige bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven".

Ingevolge lid 5.2.1 mogen op de voor "Bedrijf" aangewezen gronden enkel bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, welke binnen het gehele bestemmingsvlak zijn toegestaan;

b. voor zover op de verbeelding aangeduid, mag de maximale bebouwingsoppervlakte, alsmede de aangegeven goot- en bouwhoogte met ten hoogste 10% worden overschreden, met dien verstande dat het maximale bebouwingsoppervlak niet van toepassing is op de bedrijfswoning(en), aan- en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bedrijfswoning. (…)

Ingevolge lid 5.4, aanhef en onder d, aanhef en sub 2 - voor zover hier van belang - kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.1, onder b, van de planregels om uitbreiding van een bedrijf met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven" toe te staan, waarbij de hoogte of de bebouwingsoppervlakte wordt aangepast, indien bestaande (bij)gebouwen worden gesloopt, onder de voorwaarde dat de uitbreiding voor bedrijven met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven" maximaal 25% van de bestaande inhoud bedraagt.

Aan het perceel M1112, is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Artikel 3 van de planregels staat de bebouwing en het gebruik van de gronden met die bestemming ten behoeve van een meubelmakerij niet toe.

2.2.3. In het hiervoor geldende plan "Buitengebied", vastgesteld door de raad op 25 augustus 1981 (hierna: het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981)) was aan het perceel [locatie 1] en het perceel M1112 de bestemming "Agrarisch gebied met vrije vestiging" toegekend. In zoverre was het plan goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg op 4 januari 1983.

Artikel 5 van de voorschriften bij dat plan stond de bebouwing en het gebruik van de gronden met die bestemming ten behoeve van een meubelmakerij niet toe.

2.2.4. Op het perceel [locatie 1] staan een loods van ongeveer 860 m² en een bedrijfswoning. De loods bestaat uit een machinegedeelte, waar meubels op maat worden gemaakt. Het overige deel van de loods wordt gebruikt voor de opslag en het drogen van hout. Het perceel M1112 dat ten westen ligt van de loods op het perceel [locatie 1] wordt verhuurd ten behoeve van de landbouw.

2.2.5. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad het uitgangspunt gehanteerd om bestaande bedrijven voldoende mogelijkheden te bieden om op termijn renderend te kunnen blijven. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet aan dit uitgangspunt heeft voldaan. De Afdeling overweegt in dat verband dat het plan bij recht op het perceel [locatie 1] uitbreidingsmogelijkheden biedt tot ongeveer 140 m², waarbij de ingevolge artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder 5.2.1, sub b, van de planregels opgenomen mogelijkheid de maximaal te bebouwen oppervlakte met 10% te overschrijden, is meegerekend. Voorts biedt artikel 5, lid 5.4, aanhef en onder d, aanhef en sub 2, van de planregels de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning een verdere uitbreiding mogelijk te maken tot maximaal 25% van de bestaande inhoud.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van dit uitgangspunt had moeten afwijken en meer uitbreidingsmogelijkheden had moeten creëren door op het perceel M1112 een bedrijfsbestemming met een bouwvlak op te nemen. De Afdeling betrekt daarbij dat het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) de exploitatie van een meubelmakerij op het perceel [locatie 1] alsmede het perceel M1112 niet mogelijk maakte, en, anders dan [appellant sub 1] betoogt, het hiervoor geldende plan ook niet in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing behorende bij de meubelmakerij op het perceel M1112 voorzag. De omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten in 1994 in het kader van een door [appellant sub 1] ingediend bouwplan, dat meer omvatte dan enkel de bouw van bedrijfsruimte ter plaatse, geen bedenkingen had tegen realisering van bedrijfsruimte, doet daar niet aan af, nu het college van gedeputeerde staten destijds geen verklaring van geen bezwaar heeft verleend voor dat bouwplan. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens het deskundigenbericht [appellant sub 1] thans geen concrete uitbreidingsplannen heeft. Niet is gebleken dat dit onjuist is.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan een bestemming voor bedrijfsdoeleinden met een bouwvlak op het perceel M1112 planologisch mogelijk zou maken. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.2.6. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel M1112 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. [appellant sub 2] exploiteerde op het perceel [locatie 2] te Heide in het verleden een bouwbedrijf, dat in 2009 failliet is gegaan. [appellant sub 2] heeft de wens ter plaatse een doorstart met zijn bedrijf te maken door in aangepaste vorm een timmerbedrijf met houthandel op te richten.

[appellant sub 2] voert aan dat het plan op het perceel ten onrechte slechts gebruik ten behoeve van detailhandel toestaat tot een maximale oppervlakte van 100 m². Hij stelt sinds 1969 1.300 m² ter plaatse ten behoeve van detailhandel in gebruik te hebben. Verder is het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" volgens [appellant sub 2] te klein, nu de aanvoerroute van de openbare weg naar zijn bedrijf daarin niet is opgenomen.

Tot slot kan [appellant sub 2] zich niet verenigen met de wijze waarop één van zijn bedrijfsgebouwen op het perceel [locatie 2] op de kadastrale ondergrond van de verbeelding binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" is ingetekend.

2.3.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het beroep ziet op de wijze waarop één van de bedrijfsgebouwen, gelegen aan de [locatie 2], op de kadastrale ondergrond is ingetekend en voor zover het beroep ziet op het niet als zodanig bestemmen van de aanvoerroute voor zijn bedrijf, gelegen aan de [locatie 2], omdat deze bezwaren niet eerder in een zienswijze naar voren zijn gebracht.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat een uitbreiding van het maximale toegestane vloeroppervlak ten behoeve van detailhandel op het perceel [locatie 2] enkel aan de orde is, indien de detailhandel van een grotere omvang dan is toegestaan viel onder het overgangsrecht van het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981). In dat verband stelt de raad zich op het standpunt dat degene die zich op het overgangsrecht beroept, de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk dient te maken. Volgens de raad heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de detailhandel wat betreft de door hem gestelde omvang op de datum van inwerkingtreding van het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) plaatsvond en nadien ononderbroken is voortgezet. Weliswaar duiden de verklaringen en facturen die [appellant sub 2] bij zijn beroepschrift heeft gevoegd erop dat op het perceel [locatie 2] bestratingsmaterialen zijn verkocht, maar de grootte van de oppervlakte die ten behoeve van de detailhandel werd gebruikt is daarmee niet aangetoond, aldus de raad.

Ten aanzien van de grootte van het bestemmingsvlak "Bedrijf" stelt de raad zich subsidiair op het standpunt dat het bestemmingsvlak ten onrechte geen verbinding heeft met de openbare weg. Deze verbinding zal alsnog planologisch mogelijk worden gemaakt, aldus de raad.

2.3.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit leidt ertoe dat plandelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de beroepsfase niet alsnog kunnen worden bestreden. Nadere gronden ter onderbouwing van een ingebrachte zienswijze kunnen echter nog in de beroepsfase naar voren worden gebracht. Artikel 6:13 van de Awb staat er niet aan in de weg dat in beroep tegen een in de zienswijzenfase aan de orde gesteld plandeel nieuwe gronden en argumenten worden aangevoerd. Dat laat onverlet dat zij buiten beschouwing moeten worden gelaten indien een goede procesorde dat in een concreet geval vereist.

2.3.3. De beroepsgrond dat de aanvoerroute voor het bedrijf van [appellant sub 2] niet als zodanig is bestemd, ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf", gelegen aan de [locatie 2], en de omliggende gronden met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch", en de beroepsgrond dat het pand aan de [locatie 2] onjuist op de verbeelding is ingetekend, ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat betreft de [locatie 2]. [appellant sub 2] heeft ten aanzien van deze plandelen een zienswijze naar voren gebracht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4. In het plan is aan de gronden direct gelegen aan de [locatie 2] de bestemming "Wonen" toegekend.

Aan de gronden, gelegen ten noorden van de gronden met de bestemming "Wonen", waar [appellant sub 2] het timmerbedrijf wil oprichten, is de bestemming "Bedrijf" toegekend, voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

b. kleinschalige bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven";

[…]

j. detailhandelsactiviteiten, mits direct gerelateerd aan de bedrijfsfunctie tot een maximumvloeroppervlakte van 100 m² (…).

Ingevolge artikel 1, lid 1.44, is de definitie van detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge lid 1.71 is de definitie van een kleinschalig bedrijf een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten dat naar aard en omvang kleinschalig is en passend is binnen de milieucategorie 1 of 2.

Aan de gronden aangrenzend aan de gronden met de bestemmingen "Wonen" en "Bedrijf" is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

2.4.1. In het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) was aan de gronden, waar [appellant sub 2] thans het timmerbedrijf wenst te exploiteren, de bestemming "Agrarisch bouwblok (AG-B)" toegekend.

Ingevolge artikel 7 van de voorschriften bij dat plan waren de op de plankaart als "Agrarisch bouwblok (AG-B)" aangewezen gronden bestemd voor agrarische productiedoeleinden.

Ingevolge artikel 60, lid B, mocht, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen werden gebruikt in strijd met het in dat plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik worden voortgezet.

2.4.2. Het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" wat betreft het perceel [locatie 2] vormt tevens het bouwvlak en heeft een omvang van ongeveer 4.000 m². Het bedrijfsterrein wordt omringd door weilanden. Op het terrein aan de [locatie 2] staan een oude kippenschuur en twee bijgebouwen die thans worden gebruikt als opslagruimte ten behoeve van allerlei soorten materiaal, zoals hout, steigermateriaal en oude voertuigen. Ook is het terrein thans in gebruik als opslagruimte voor onder andere stenen.

2.4.3. Ingevolge artikel 1.2.4, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover thans van belang, worden plannen alsmede hun aansluiting op het aangrenzende gebied, vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond.

2.4.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 2] waar [appellant sub 2] op wijst, in dit plan als zodanig is bestemd. Naar het oordeel van de Afdeling treedt als gevolg van de onjuistheid op de kadastrale ondergrond van de verbeelding, wat daar ook van zij, geen onzekerheid op over de bestemming en de daarbij behorende planregels die ter plaatse van het desbetreffende bedrijfsgebouw gelden. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat wat betreft dit planonderdeel geen sprake is van een duidelijke ondergrond. Het betoog faalt.

2.4.4. Wat betreft het betoog ten aanzien van het toegestane vloeroppervlak ten behoeve van detailhandel en het daarmee samenhangende beroep op het overgangsrecht behorende bij het voorgaande plan, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling stelt vast dat detailhandel onder het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) niet was toegestaan. Uit het deskundigenbericht volgt dat sinds september 2009 geen detailhandel meer plaatsvindt op het perceel, hetgeen [appellant sub 2] ter zitting heeft bevestigd. Nu ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het gebruik van het perceel ten behoeve van detailhandel sinds september 2009 meer dan een jaar was gestaakt en het bedrijf bovendien failliet was verklaard, komt aan [appellant sub 2] reeds hierom geen geslaagd beroep op het overgangsrecht behorende bij het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) toe. Onder voormelde omstandigheden bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ter plaatse maximaal 100 m² vloeroppervlak ten behoeve van de detailhandel toe te staan. De Afdeling betrekt daarbij dat [appellant sub 2] zijn voornemen met detailhandel een doorstart te maken ten tijde van de vaststelling van het plan niet kenbaar heeft gemaakt aan de raad. Bovendien is van concrete plannen voor een doorstraat niet gebleken. De enkele omstandigheid dat, naar [appellant sub 2] heeft gesteld, op het perceel nog altijd bestratingsmaterialen worden gestald, betekent niet dat het bedrijf nog in werking is en doet derhalve niet aan het voorgaande af.

2.4.5. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" te klein is om in het kader van de bevoorrading met vrachtwagens te kunnen manoeuvreren, overweegt de Afdeling dat nu het plan geen 1.300 m², maar 100 m² ten behoeve van detailhandel mogelijk maakt, niet aannemelijk is dat het bestemmingsvlak onvoldoende ruimte biedt om met vrachtwagens binnen het bestemmingsvlak te kunnen keren.

2.4.6. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte geen verbinding mogelijk maakt tussen zijn bedrijfsterrein en de openbare weg, overweegt de Afdeling als volgt. De raad verzoekt in zijn zienswijze op het deskundigenbericht het beroep van [appellant sub 2], voor zover dat ziet op de verbinding van het bedrijfsterrein met de openbare weg, gegrond te verklaren. De verbinding zal in de partiële herziening van het plan alsnog planologisch mogelijk worden gemaakt. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is in zoverre gegrond. Nu thans nog niet duidelijk is waar binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel [locatie 2] de ontsluitingsroute wordt voorzien, dient het bestreden besluit ten aanzien van dat gehele plandeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.4.7. In hetgeen [appellant sub 2] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover bestreden voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.5. [appellante sub 3] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 3] te Ysselsteyn. [appellante sub 3] betoogt dat aan de voormalige agrarische bedrijfswoning, gelegen aan de [locatie 4], ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend. Niet alleen de bedrijfsvoering, maar ook de uitbreidings- en exploitatiemogelijkheden van de varkenshouderij worden hierdoor belemmerd. Daarnaast kan geen goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning worden gegarandeerd, aangezien de afstand tussen de woning en het bedrijf te klein is, aldus [appellante sub 3].

2.5.1. Aan de gronden, gelegen aan de [locatie 3], is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend, voorzien van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder h, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", waarbij ook activiteiten behorende tot een agrarisch bedrijf zijn toegestaan, met uitzondering van glastuinbouw.

Aan de gronden, gelegen aan de [locatie 4], is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

2.5.2. De raad verzoekt in het verweerschrift het beroep van [appellante sub 3] gegrond te verklaren. De voormalige agrarische bedrijfswoning mag geen belemmering vormen voor de exploitatie van het bedrijf van [appellante sub 3] en zal derhalve in de partiële herziening van het plan opnieuw als agrarische bedrijfswoning worden bestemd, aldus de raad.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.5.3. Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel [locatie 4] dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 4]

2.6. [appellante sub 4] betoogt dat de analoge verbeelding onduidelijk is, nu uit de verbeelding niet kan worden afgeleid welke bestemmingen aan het perceel [locatie 5] zijn toegekend dan wel van welke aanduidingen voormeld perceel is voorzien. Dit is volgens [appellante sub 4] in strijd met de rechtszekerheid.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro, voor zover van belang, stelt het college van burgemeester en wethouders, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, een bestemmingsplan op zodanige wijze beschikbaar dat deze langs elektronische weg door een ieder kan worden verkregen.

Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, voor zover van belang, wordt het in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde plan in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing langs elektronische weg vastgelegd en in die vorm vastgesteld. Een volledige verbeelding daarvan op papier wordt gelijktijdig vastgesteld.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat de analoge verbeelding wat betreft het perceel [locatie 5] niet rechtsonzeker is, nu de afkortingen en arceringen die de bestemmingen en aanduidingen op deze verbeelding voor voormeld perceel weergeven duidelijk leesbaar zijn. Voor zover [appellante sub 4] ter zitting heeft gewezen op de hoeveelheid verbindingsstreepjes, oordeelt de Afdeling dat dat betoog feitelijke grondslag mist omdat op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie 5] geen verbindingsstreepjes zijn weergegeven.

2.7. [appellante sub 4], eigenaar van het perceel [locatie 5] te Oostrum sinds 2003, betoogt dat ten onrechte de bestemming "Agrarisch" aan haar perceel is toegekend en geen bouwvlak op de verbeelding is opgenomen. Zij wenst het perceel bedrijfsmatig te exploiteren, maar de toegekende bestemming maakt dat niet mogelijk. Ter zitting heeft [appellante sub 4] toegelicht dat zij een bedrijfsbestemming wenst die bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4 toestaat. [appellante sub 4] betoogt, onder verwijzing naar het rapport "Locatietoets kadastraal perceel Venray S 1064", van 2 juli 2009, welke toets zij heeft laten verrichten door projectbureau Orbis (hierna: de locatietoets), dat niets in de weg staat aan het toekennen van een bedrijfsbestemming en een bouwvlak. Daarnaast werd het perceel volgens [appellante sub 4] in het verleden ook bedrijfsmatig gebruikt en vond dat gebruik legaal plaats doordat destijds vrijstellingen waren verleend van het plan dat destijds gold. Voorts acht [appellante sub 4] het opmerkelijk dat in het plan "Buitengebied" (hierna: "Buitengebied" (2005)), dat de raad in 2005 in procedure heeft gebracht, wel een bedrijfsbestemming aan het perceel was toegekend en het perceel daarnaast was voorzien van een bouwvlak. De agrarische bestemming die aan het perceel is toegekend zal volgens [appellante sub 4] niet gerealiseerd worden, omdat [appellante sub 4] geen agrarische activiteiten uitoefent, het perceel niet geschikt is voor agrarisch gebruik vanwege de beperkte omvang en bodemverontreiniging en nu bebouwingsmogelijkheden ontbreken.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat om verschillende redenen geen bedrijfsbestemming aan het perceel [locatie 5] is toegekend. In het plan "Buitengebied" (2005) was weliswaar een niet-agrarisch bouwvlak aan het perceel [locatie 5] toegekend, maar uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007, in zaak nr. 200600136/1, die ziet op het besluit omtrent goedkeuring van het college van gedeputeerde staten inzake het plan "Buitengebied" (2005), volgt volgens de raad dat de door [appellante sub 4] gewenste bedrijfsbestemming op de onderhavige locatie niet gerechtvaardigd is nu haar beroep tegen de onthouding van goedkeuring ten aanzien van het desbetreffende plandeel ongegrond is verklaard. De omstandigheden zijn nadien ter plaatse niet veranderd, aldus de raad. Daarnaast zijn de door [appellante sub 4] genoemde vrijstellingen in het verleden verleend ten behoeve van een tijdelijk bedrijf en thans derhalve niet van belang, aldus de raad. Thans is voor het perceel van [appellante sub 4] een vergunning aangevraagd en door het college van burgemeester en wethouders verleend voor de sloop van een magazijn, kantoor en loodsen, aldus de raad. Verder had [appellante sub 4] ten tijde van de vaststelling van het plan volgens de raad geen concreet bouwvoornemen en lag het opnemen van een bouwvlak ook daarom niet in de rede. Tot slot stelt de raad zich op het standpunt dat de agrarische bestemming binnen de planperiode gerealiseerd kan worden, nu in het besluit van het college van gedeputeerde staten van 8 januari 2002 met betrekking tot de melding de bodem te saneren staat dat uiterlijk voor het jaar 2015 met de sanering van het perceel [locatie 5] moet worden gestart.

2.7.2. In het plan is aan het perceel [locatie 5] de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor agrarisch grondgebruik.

Ingevolge lid 3.7.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan onder een aantal voorwaarden wijzigen en nieuwvestiging van agrarische bedrijven, met uitzondering van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven, toestaan daar waar geen bouwvlak is opgenomen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.15, wordt onder agrarisch grondgebruik verstaan het gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren.

2.7.3. In het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) was aan het perceel, voor zover van belang, de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 11 van de voorschriften bij dat plan waren de op de plankaart als "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarische productiedoeleinden, alsmede voor het behoud van de daar voorkomende, dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden, met dien verstande dat het behoud van de laatstgenoemde waarden voorop stond.

2.7.4. Het plan "Buitengebied" (2005) is wat betreft het perceel [locatie 5] nimmer in werking getreden.

De raad stelt dat uitsluitend een tijdelijke vrijstelling van het voorgaande plan "Buitengebied" (1981) is verleend voor de asfaltcentrale. Het bewijs hiervoor ontbreekt, omdat het archief is vernietigd.

[appellante sub 4] stelt dat in het verleden ten behoeve van de asfaltcentrale een niet-tijdelijke vrijstelling van het voorgaande plan op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend, maar het bewijs hiervoor ontbreekt eveneens.

2.7.5. In het deskundigenbericht staat dat het perceel [locatie 5], dat ongeveer 2 ha groot is, tussen ongeveer de jaren 1960 en 2000 in gebruik is geweest als asfaltcentrale en als opslaglocatie voor zand en grond. Sindsdien vinden op het perceel geen activiteiten meer plaats. Ter zitting is komen vast te staan dat het perceel is gelegen in een gebied met natuur en maatschappelijke functies.

Op het perceel, dat grotendeels is overwoekerd en wordt omgeven door houtopstanden, zijn restanten te vinden van bedrijfsmatig gebruik, te weten een romneyloods, verschillende kleine opstallen, een weegbrug, betonvloeren en betonconstructies die werden gebruikt voor het sorteren van afval. De milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van afvalstoffen ter plaatse is vervallen.

2.7.6. Op 8 januari 2002, kenmerk 2001/57213, heeft het college van gedeputeerde staten een besluit op de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming ontvangen melding met betrekking tot het voornemen de bodem te saneren op de locatie [locatie 5], genomen. Uit het besluit volgt dat ter plaatse sprake is van bodemverontreiniging en dat deze als ernstig en urgent is beoordeeld. In het voormelde besluit is bepaald dat uiterlijk voor het jaar 2015 een aanvang moet worden gemaakt met de sanering.

2.7.7. De Afdeling stelt voorop dat de raad in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat gezien de ligging van het perceel zware bedrijvigheid ter plaatse niet wenselijk is.

Voorts overweegt de Afdeling dat de raad bij het toekennen van de bestemming "Agrarisch" aan het perceel [locatie 5] aansluiting heeft gezocht bij de bestaande regeling van de gronden ter plaatse. Deze regeling maakt geen niet-agrarische bedrijvigheid mogelijk.

Het plan maakt nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse niet bij recht mogelijk, maar alleen indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.1, van de planregels. Voorts stelt de Afdeling vast dat aan het perceel geen bouwvlak is toegekend, waardoor ter plaatse geen gebouw, bouwwerken, geen gebouwen zijnde of teeltondersteunende voorzieningen opgericht mogen worden. Verder is de omvang van het terrein volgens het deskundigenbericht erg beperkt voor de vestiging van een volwaardig (grondgebonden) agrarisch bedrijf en daarmee zijn de gebruiksmogelijkheden voor het perceel volgens het deskundigenbericht zeer beperkt, hetgeen niet gemotiveerd is weersproken door de raad. Het perceel kan volgens het deskundigenbericht wel worden verpacht voor agrarisch gebruik. Naar het oordeel van de Afdeling is echter niet aannemelijk gemaakt dat daaraan behoefte bestaat. Voorts overweegt de Afdeling dat het perceel vanwege de ter plaatse aanwezige verontreiniging ingevolge het besluit van het college van gedeputeerde staten van 8 januari 2002 gesaneerd moet worden. Ter zitting is komen vast te staan dat het gaat om een multifunctionele sanering. De raad heeft de stelling in het deskundigenbericht dat de kosten voor het multifunctioneel saneren hoger zijn voor een agrarisch terrein dan bij een ontwikkeling als bedrijventerrein, terwijl het perceel minder opbrengstpotentie heeft, niet weersproken. Ter zitting is verder gebleken dat de kosten voor de sanering voor rekening zullen komen van [appellante sub 4] Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat de kosten voor multifunctionele sanering niet onaanzienlijk zijn, is niet uitgesloten dat [appellante sub 4] de kosten die zij moet maken ten behoeve van de sanering, niet met de realisering van de agrarische bestemming die aan het perceel [locatie 5] is toegekend kan terugverdienen. Gelet op het voorgaande alsmede gezien de voorgeschiedenis zoals weergegeven in 2.7.4 en 2.7.5 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad onder de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de vaststelling van het plan onverkort is vastgehouden aan een soortgelijke bestemming als onder het voorgaande plan voor het perceel [locatie 5].

2.8. [appellante sub 4] richt zich voorts tegen de dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" die aan een deel van haar perceel is toegekend. De op het perceel [locatie 5] aanwezige houtopstanden zijn volgens [appellante sub 4] niet waardevol. [appellante sub 4] geeft in dit verband aan dat een onderzoek waaruit volgt dat de houtopstanden beschermenswaardig zijn ontbreekt. Verder levert de dubbelbestemming beperkingen op voor het gebruik van het perceel, aldus [appellante sub 4]

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" overeenkomstig de bestemming die voor het perceel [locatie 5] onder het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) was opgenomen, in het plan aan het perceel is toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de aanwezige houtopstanden ter plaatse kenmerkend zijn voor het landschap en thans volgroeid zijn en daarmee een landschappelijke waarde en een potentiële natuurwaarde hebben. De dubbelbestemming sluit het oprichten van bebouwing niet uit, aldus de raad.

2.8.2. Aan het deel van het perceel [locatie 5] dat is gelegen nabij de perceelsgrens is de dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" toegekend.

Ingevolge artikel 31, lid 31.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de verbeelding nader aangewezen voor "Waarde - Houtopstanden en houtwallen", behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de landschappelijke waarden in het gebied waar de houtopstand typerend is voor de lokale omstandigheden.

Ingevolge lid 31.2 mag op of in de als "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" aangegeven gronden op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd mits de in lid 31.1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast.

Ingevolge lid 31.3 wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor:

a. de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders (vergraven);

b. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 cm (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);

c. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);

d. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt);

e. het verwijderen van gras en het omzetten in bouwland tijdens het broedseizoen (15 maart - 15 juli);

f. het aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m²;

g. het aanbrengen van tijdelijke afdekmaterialen;

h. het aanbrengen van tijdelijke lage tunnels en een ondergrond voor containervelden, niet zijnde een bouwwerk.

Ingevolge lid 31.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:

a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag/bodemlagen (afgraven);

b. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag (ophogen);

c. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;

d. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;

e. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);

f. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;

g. het dempen van sloten of greppels;

h. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen).

Ingevolge lid 31.4.2 is het onder 31.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

b. betreffen de aanleg van leidingen binnen wegbermen binnen de bestemming "Verkeer", voor zover deze niet aansluit op de bestemming "Natuur";

c. het tijdelijk afdekken van het gewas gedurende de vorstperiode betreffen, mits als vorstmaatregel of om het groeiproces te versnellen.

Ingevolge lid 31.4.3, kan een onder 31.4.1 genoemde vergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de natuurwaarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

2.8.3. In het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) was aan een deel van het perceel de bestemming "Houtopstanden" toegekend.

Ingevolge artikel 12 van de voorschriften bij dat plan waren de als "Houtopstanden" aangewezen gronden bestemd tot behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden, zulks ten behoeve van de opbouw van het landschap.

Ingevolge lid C, onder I, was het verboden op of in de tot "Houtopstanden" bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijn, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

[…]

c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

d. voor zover de Boswet of de krachtens die wet gestelde voorschriften niet van toepassing zijn, het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of een ernstige beschadiging van houtgewas ten gevolge kunnen hebben.

2.8.4. Niet in geschil is dat op een deel van het perceel [locatie 5] volgroeide houtopstanden aanwezig zijn. [appellante sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de raad dat de aanwezige houtopstanden ter plaatse kenmerkend zijn voor het landschap en daarmee een landschappelijke waarde en een potentiële natuurwaarde hebben, onjuist is. In de plantoelichting staat dat elementen die landschappelijk of natuurwetenschappelijk waardevol zijn en niet zijn bestemd als natuur of bosgebied op de verbeelding zijn opgenomen met de bestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen", waarbij het gaat om verspreid in het buitengebied gelegen houtopstanden, houtwallen, bosjes, steilranden en laanbeplanting. Het plan is op dit punt derhalve in overeenstemming met dit uitgangspunt.

Voor zover [appellante sub 4] betoogt dat deze dubbelbestemming de gebruiksmogelijkheden voor het gehele perceel beperkt en de raad gelet daarop aanleiding had moeten zien van zijn uitgangspunt af te wijken, overweegt de Afdeling dat niet is uitgesloten dat de gebruiksmogelijkheden voor het perceel door de dubbelbestemming in enige mate worden beperkt. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de desbetreffende dubbelbestemming geen onevenredige beperking met zich brengt. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de dubbelbestemming slechts aan een beperkt deel van het perceel is toegekend. Daarnaast rustte onder het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) op dit deel van het perceel eveneens een bestemming die strekte tot bescherming van de ter plaatse aanwezige houtopstanden en gold ter plaatse een aanlegvergunningstelsel. Bovendien zijn het normale onderhoud en de normale exploitatie van het perceel ingevolge artikel 31, lid 31.4.2, onder a, van de planregels uitgesloten van de verplichting over een omgevingsvergunning te beschikken wat betreft de in lid 31.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden. Dit betoog faalt.

2.9. [appellante sub 4] richt zich verder tegen de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" die aan een deel van haar perceel is toegekend. De raad heeft volgens [appellante sub 4] onvoldoende gemotiveerd waarom die dubbelbestemming aan haar perceel is toegekend. Voorts levert de dubbelbestemming beperkingen op voor het gebruik van het perceel, aldus [appellante sub 4]

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" is toegekend aan het perceel gelet op de Keur Waterschap Peel en Maasvallei. Met instemming van de waterbeheerder zijn binnen de desbetreffende zone ten behoeve van de primaire bestemming wel degelijk ontwikkelingsmogelijkheden, aldus de raad.

2.9.2. Aan de noordzijde en oostzijde van het perceel [locatie 5], in de nabijheid van de perceelsgrens, is de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" toegekend.

Ingevolge artikel 36, lid 36.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de verbeelding nader aangewezen voor "Waterstaat - Beschermingszone watergang", behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de nabijgelegen waterloop.

Ingevolge lid 36.2 mogen op de voor "Waterstaat - Beschermingszone watergang" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.

Ingevolge lid 36.3 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 36.2 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken binnen de beschermingszone mits:

a. het belang van de waterloop niet onevenredig wordt aangetast;

b. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming.

Het college van burgemeester en wethouders wint, alvorens een omgevingsvergunning te verlenen, advies in bij de waterbeheerder zijnde het waterschap.

Ingevolge lid 36.4 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" van de verbeelding verwijderen indien uit overleg met de waterbeheerder blijkt dat de bescherming overbodig is geworden.

2.9.3. Gezien artikel 11, lid A, onder 1, van de voorschriften van het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981) mocht op de in geding zijnde gronden waaraan in dat plan de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden" was toegekend, niet worden gebouwd.

2.9.4. Ingevolge artikel 4.1 van de Keur Waterschap Peel en Maasvallei is het verboden zonder vergunning van het bestuur:

1. handelingen te verrichten in, op, onder, boven, of langs een zoals in de legger opgenomen waterstaatswerk, beschermingszone, buitenbeschermingszone en profiel van vrije ruimte, anders dan in overeenstemming met de functie;

2. een bouwwerk aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen binnen 5 m uit de insteek van het watervoerend deel van een zoals in de legger opgenomen primair oppervlaktewaterlichaam.

2.9.5. In de plantoelichting staat dat de primaire en secundaire watergangen die op de verbeelding zijn weergegeven zijn overgenomen van de legger en dat aan deze watergangen in het plan de bestemming "Water" is toegekend. Op de legger is ter hoogte van het perceel [locatie 5] een watergang aangeduid als een primaire categorie oppervlaktewater. De in het plan aan deze watergang toegekende bestemming "Water" stemt overeen met het hiervoor genoemde uitgangspunt van de raad.

Uit artikel 4.1 van de Keur volgt dat een beschermingszone binnen 5 m uit de insteek van het watervoerend deel van een primair oppervlaktewaterlichaam moet worden opgenomen. Het plan stemt met de Keur overeen, nu de raad aan de in geding zijnde gronden met een breedte van 5 m aan weerszijden van de hiervoor genoemde primaire watergang de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" heeft toegekend ten behoeve van bescherming, beheer en onderhoud van de watergang. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" aan de in geding zijnde gronden is toegekend.

Voor zover [appellante sub 4] betoogt dat deze dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" de gebruiksmogelijkheden voor het gehele perceel beperkt, overweegt de Afdeling dat niet is uitgesloten dat de gebruiksmogelijkheden voor het perceel in enige mate worden beperkt. De raad heeft echter in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de waterstaat dan aan het belang van [appellante sub 4] het perceel zonder beperkingen te kunnen gebruiken. Daarnaast heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de desbetreffende dubbelbestemming geen onevenredige beperking met zich brengt. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang" slechts aan een beperkt deel van het perceel is toegekend. Daarnaast was het ingevolge het hiervoor geldende plan "Buitengebied" (1981), waar ter plaatse de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden" op het perceel rustte, niet toegestaan ter plaatse te bouwen. Dit betoog faalt.

2.10. In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 5], niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Nu de dubbelbestemmingen "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" en "Waterstaat - Beschermingszone watergang" onlosmakelijk met de bestemming "Agrarisch" zijn verbonden, dienen ook deze dubbelbestemmingen te worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.11. [appellant sub 5] exploiteert aan de [locatie 6] en [locatie 7] te Ysselsteyn een varkenshouderij onderscheidenlijk een bloembollenbedrijf. Hij vreest dat de nabijgelegen voormalige bedrijfswoning aan de Timmermannsweg 47, die in het plan als burgerwoning is bestemd, hem beperkt in zijn exploitatie- en uitbreidingsmogelijkheden.

2.11.1. In het plan is aan de gronden gelegen ter plaatse van de varkenshouderij en het bloembollenbedrijf, gelegen aan de [locatie 6] en [locatie 7], de bestemming "Agrarisch" toegekend, voorzien van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder h, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", waarbij ook activiteiten behorende tot een agrarisch bedrijf zijn toegestaan, met uitzondering van glastuinbouw.

Aan de gronden ter plaatse van de voormalige agrarische bedrijfswoning aan de Timmermannsweg 47 is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

2.11.2. De raad verzoekt in het verweerschrift het beroep van [appellant sub 5] gegrond te verklaren. De voormalige agrarische bedrijfswoning aan de Timmermannsweg 47 mag geen belemmering vormen voor de exploitatie van het bedrijf van [appellant sub 5] en zal derhalve in de partiële herziening van het plan opnieuw als agrarische bedrijfswoning worden bestemd, aldus de raad.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.11.3. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Timmermannsweg 47 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van de Stichting Natuur & Rust en anderen

2.12. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de Stichting Natuur & Rust en anderen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu bij de raad de elektronische weg om een beroepschrift in te dienen niet openstaat en dat ook niet mogelijk is bij de Afdeling.

2.12.1. In de publicatie van de terinzagelegging van het plan staat dat beroep tegen het bestemmingsplan kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Stichting Natuur & Rust en anderen hebben op 9 maart 2011 per e-mail een beroepschrift naar het officiële e-mailadres van de gemeente verstuurd ter attentie van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De Stichting Natuur & Rust en anderen zijn bij brief, gedateerd 11 maart 2011, verzonden op 14 maart 2011, op de hoogte gesteld dat de e-mail op 9 maart 2011 door de gemeente is ontvangen. Verder is in deze brief vermeld dat de uitdraai van de e-mail is doorgezonden ter behandeling als beroepschrift naar de Afdeling. Het stuk is bij de Afdeling op 15 maart 2011 ingekomen. De beroepstermijn is geëindigd op 12 maart 2011.

2.12.2. Artikel 2:15 van de Awb luidt:

1. Een bericht kan elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

[...]

4. Het bestuursorgaan deelt een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mede.

Artikel 6:15 van de Awb luidt:

1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Artikel 6:6 van de Awb luidt:

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

[…]

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.12.3. De Afdeling overweegt dat indien een bij een bestuursorgaan ingekomen e-mail een bezwaar- of administratief beroepschrift zou bevatten waarop het bestuursorgaan bevoegd is te beslissen, het dit bezwaar of administratief beroep eerst niet-ontvankelijk mag verklaren vanwege de omstandigheid dat het bestuursorgaan de elektronische weg niet heeft opengesteld nadat het op grond van artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb een herstelmogelijkheid aan de indiener heeft geboden.

De verplichting tot het bieden van die herstelmogelijkheid dient te worden aangenomen indien uit de e-mail duidelijk kan worden opgemaakt dat daarmee wordt beoogd bezwaar te maken dan wel administratief beroep in te stellen en deze is verzonden naar het officiële e-mailadres van het betrokken overheidslichaam of van de ambtelijke dienst die het aangaat dan wel naar het zakelijke e-mailadres van een ambtenaar met wie de indiener zodanig contact over de zaak heeft gehad dat hij ervan mocht uitgaan dat de e-mail met het bezwaar of administratief beroep ook naar die ambtenaar mocht worden gestuurd.

Het voorgaande brengt mee dat voor een naar een onbevoegd bestuursorgaan per e-mail verzonden bezwaar- of beroepschrift, ook in het geval waarin bij dat bestuursorgaan de elektronische weg niet openstaat, een doorzendplicht op grond van artikel 6:15 van de Awb geldt aangezien die e-mail, indien het onbevoegde bestuursorgaan wel de bevoegde instantie zou zijn geweest, voor hem de verplichting met zich zou hebben gebracht bovenstaande herstelmogelijkheid te bieden aan de indiener.

De omstandigheid dat het niet mogelijk is om per e-mail een bezwaar- of administratief beroepschrift in te dienen bij de bevoegde instantie doet aan voormelde verplichting tot doorzending niet af.

2.12.4. Uit de op 9 maart 2011 door de Stichting Natuur & Rust en anderen aan de gemeente toegezonden e-mail blijkt duidelijk dat daarmee is beoogd beroep in te stellen tegen het vaststellingsbesluit van 14 december 2010. Deze e-mail is naar het officiële e-mailadres van de gemeente verstuurd, ter attentie van de raad en het college van burgemeester en wethouders.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.12.3 is overwogen behelst de e-mail van 9 maart 2011 een - bij een onbevoegd bestuursorgaan - ingediend beroepschrift dat de raad op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb moest doorzenden naar de Afdeling, hetgeen de raad in dit geval ook heeft gedaan.

Ingevolge artikel 6:15, derde lid, is het tijdstip waarop het beroepschrift bij de raad is ingediend bepalend voor het antwoord op de vraag of een beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Nu het beroepschrift van de Stichting Natuur & Rust en anderen gezien 2.12.1 binnen de beroepstermijn bij de raad is binnengekomen en bovendien niet is gebleken van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht, is het beroepschrift tijdig ingediend.

Het betoog van de raad dat het beroep van de Stichting Natuur & Rust en anderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, faalt.

2.13. [38 belanghebbenden] wonen allen op een afstand van minstens 1000 m van het beoogde terrein van het circuit "De Peel", hetgeen volgens hen ten onrechte geen deel uitmaakt van het plangebied. Vanuit hun woningen hebben zij geen zicht op het terrein. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kunnen instellen.

Gelet op het voorgaande is het beroep van de Stichting Natuur & Rust en anderen slechts ontvankelijk voor zover het is ingesteld door de Stichting Natuur & Rust en de Vereniging Milieudefensie.

2.14. De Stichting Natuur & Rust en de Vereniging Milieudefensie voeren aan dat het beoogde terrein van het circuit "De Peel" ten onrechte buiten het plan is gelaten en dat de thans geldende bestemming in het plan moet worden opgenomen. Zij betogen dat het in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om een belangrijk onderdeel van het buitengebied buiten het plan te laten.

2.14.1. De Afdeling begrijpt het beroep van de Stichting Natuur & Rust en de Vereniging Milieudefensie aldus dat dit is gericht tegen de begrenzing van het plan. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen de Stichting Natuur & Rust de Vereniging Milieudefensie hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat zij het uitgangspunt van de raad niet onredelijk acht om een overwegend conserverend plan vast te stellen en gronden waarop specifieke ontwikkelingen zijn voorzien, zoals de in geding zijnde gronden, niet in het plangebied op te nemen, ook niet met overneming van een conserverende regeling. Bovendien heeft de raad in het verweerschrift onweersproken gesteld dat het niet mogelijk was het beoogde circuitterrein ter plaatse in het plan te regelen, omdat ten tijde van de vaststelling van het plan de invulling van dat terrein nog in voorbereiding en daarmee onvoldoende concreet was. Het betoog faalt.

2.15. Voor zover de Stichting Natuur & Rust en de Vereniging Milieudefensie bezwaar hebben tegen de beoogde ontwikkeling voor de in geding zijnde gronden, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar niet in deze procedure aan de orde kan komen, nu in deze procedure uitsluitend het plan ter toetsing voorligt.

2.16. In hetgeen de Stichting Natuur & Rust en de Vereniging Milieudefensie hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.17. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 3], [appellante sub 4] en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft het verzoek van [appellante sub 4] om vergoeding van de kosten van de ingebrachte locatietoets overweegt de Afdeling dat de kosten van een deskundigenrapport slechts voor vergoeding in aanmerking komen, indien de kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van het voorliggende beroep. Gelet op de datum van de locatietoets, zijnde 2 juli 2009, vóór de datum van het bestreden besluit, is de locatietoets niet opgesteld in verband met de behandeling van het beroep van [appellante sub 4] Gelet hierop komen de kosten van de locatietoets niet voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 1] en de Stichting Natuur & Rust en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting ter behoud en bevordering van Natuur & Rust in de gemeenten Venray en Deurne en anderen niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door [38 belanghebbende];

II. verklaart de beroepen van de [appellante sub 3], [appellante sub 4A] en [appellante sub 4B] en [appellant sub 5] geheel en het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Venray van 14 december 2010, kenmerk 204, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010" is vastgesteld, voor zover het ziet op:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft de [locatie 2];

b. het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft de [locatie 4];

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" en "Waterstaat - Beschermingszone watergang" wat betreft de [locatie 5];

d. het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft de Timmermannsweg 47;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en de beroepen van [appellant sub 2] en de stichting Stichting ter behoud en bevordering van Natuur & Rust in de gemeenten Venray en Deurne en anderen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Venray tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellante sub 3] tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 4A] en [appellante sub 4B] tot een bedrag van € 1.129,62 (zegge: elfhonderdnegenentwintig euro en tweeënzestig cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 5] tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Venray aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2];

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 3];

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 4A] en [appellante sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 5].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

466-668.