Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201107846/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit niet verlenen huisvestingsvergunning voor woning onder vaststelling dat de woonruimte door het vertrek van appellant is vrijgekomen voor distributie. Aanzegging bestuursdwang om woning uiterlijk op 29 september 2010 te ontruimen.

Ontruiming van een woning is een ingrijpende maatregel. Gelet hierop dienen hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van de stelling van het college dat appellant de woning heeft verlaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26-01-2011 in zaak nr. 201005716/1/H3, LJN: BP2056) volgt uit art. 7 van de Huisvestingswet dat de huisvestingsvergunning ertoe strekt de woning legaal in gebruik te kunnen nemen. Dit brengt met zich dat de vergunning na die ingebruikname is uitgewerkt, zodat deze vergunning na het metterwoon verlaten van de woning niet ten tweede male kan worden gebruikt om de woning weer in gebruik te nemen.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van juli 2008 tot juni 2010 in Marokko verbleef en gedurende die periode geen gebruik heeft gemaakt van de woning. Dat tijdens zijn afwezigheid de huur van de woning is betaald en deze is onderhouden door een familielid brengt op zichzelf bezien niet mee dat geen grond bestaat voor het oordeel dat appellant de woning metterwoon heeft verlaten. Voorts is niet in geschil dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen appellant slechts toestemming heeft verleend om voor de periode van 12 juli 2008 tot 12 november 2008 in Marokko te verblijven en dat het niet op de hoogte is gesteld van de langere afwezigheid. Verder heeft appellant woningcorporatie 'Mitros' niet geïnformeerd over zijn verblijf in Marokko. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat onder deze omstandigheden de langdurige aaneengesloten afwezigheid van bijna twee jaren in verband met verblijf in zijn land van herkomst de conclusie rechtvaardigt dat appellant de woning metterwoon heeft verlaten en zijn hoofdverblijf naar Marokko heeft verplaatst. Dit zou anders zijn indien appellant aannemelijk kan maken dat het door het college ingenomen standpunt niet juist is. Appellant heeft met de door hem overgelegde documenten niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met juridische procedures genoodzaakt was in Marokko te verblijven. Gelet op de inconsistente verklaringen over zijn verblijf in Marokko, zijn de door appellant overgelegde getuigenverklaringen mede door hun onvoldoende objectieve herkomst van onvoldoende gewicht. Met de door hem overgelegde medische documenten heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat hij wegens medische redenen niet in staat was om eerder naar Nederland terug te keren. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat het college, gelet op het langdurige verblijf in zijn land van herkomst en de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant de woning metterwoon heeft verlaten en de huisvestingsvergunning derhalve was uitgewerkt. Het betoog faalt.

De Rb. heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen nieuwe huisvestingsvergunning aan appellant te verlenen. Voorts heeft de Rb. terecht geoordeeld dat het college in de door appellant aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven te zien voor het toepassen van de hardheidsclausule. Daarbij is van belang dat appellant zich gedurende twee jaren zelfstandig heeft kunnen redden in Marokko. Gelet hierop was het college bevoegd om onder oplegging van een last onder bestuursdwang de ontruiming van de woning te bevelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107846/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], woonplaats kiezend te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juni 2011 in

zaak nr. 10/4235 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het college onder vaststelling dat de woonruimte aan de [locatie] te Utrecht door het vertrek van [appellant] is vrijgekomen voor distributie, besloten aan [appellant] geen huisvestingsvergunning voor deze woning te verlenen. Voorts heeft het onder aanzegging van bestuursdwang bevolen de woning uiterlijk op 29 september 2010 te ontruimen.

Bij besluit van 8 november 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op 6 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. de Jonge, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5 van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 2.2.1 van de Regionale huisvestingsverordening van het Bestuur Regio Utrecht van 1 januari 2010 (hierna: de verordening) is het verboden zonder een huisvestingsvergunning een zelfstandige woonruimte met een huurprijs beneden de huurprijsgrens dan wel een zelfstandige woonruimte met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, in gebruik te nemen voor bewoning of in gebruik te geven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning.

Ingevolge artikel 4.1 zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat is gebleken dat [appellant] in de periode van juli 2008 tot juni 2010 geen gebruik heeft gemaakt van de eengezinswoning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: de woning). Op grond hiervan en andere feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] de woning metterwoon heeft verlaten. Dit brengt mee dat de aan hem op 7 mei 2008 verleende huisvestingsvergunning is uitgewerkt en deze niet ten tweede male kan worden gebruikt. Voorts komt hij niet in aanmerking voor een nieuwe huisvestingsvergunning. Naar het oordeel van het college heeft [appellant] met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij Marokko niet eerder dan in juni 2010 mocht dan wel heeft kunnen verlaten wegens daar aanhangige juridische procedures en dat eerdere pogingen om Marokko te verlaten zijn mislukt. Evenmin heeft hij met objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij wegens medische redenen niet in staat was eerder naar Nederland terug te keren. Ten slotte heeft het college geen aanleiding gezien voor het toepassen van de hardheidsclausule.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hij de woning metterwoon heeft verlaten en de huisvestingsvergunning derhalve was uitgewerkt. Daarbij wijst hij op de hoge eisen die mogen worden gesteld aan de motivering van de stelling dat hij de woning heeft verlaten. Weliswaar verbleef hij in de periode van juli 2008 tot juni 2010 niet in de woning, maar uit de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt niet van het daadwerkelijk willen prijsgeven van de woning. [appellant] voert aan dat hij in verband met juridische procedures genoodzaakt was om in Marokko te verblijven en de Marokkaanse autoriteiten hem ervan hebben weerhouden het land te verlaten, hetgeen blijkt uit de door hem overgelegde stukken. Twee pogingen om Marokko eerder te verlaten zijn mislukt, omdat hij bij de grens door de douane werd teruggestuurd. Bovendien heeft hij gedurende de periode dat hij in Marokko verbleef de huur van de woning doorbetaald en is deze tijdens zijn afwezigheid onderhouden. Nu hij wegens overmacht in Marokko diende te verblijven, acht [appellant] de ontruiming van de woning disproportioneel. Verder is hij door zijn visuele beperking gebonden aan een woning in een vertrouwde omgeving in de nabijheid van zijn familie, aldus [appellant].

2.3.1. Ontruiming van een woning is een ingrijpende maatregel. Gelet hierop dienen hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van de stelling van het college dat [appellant] de woning heeft verlaten.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201005716/1/H3) volgt uit artikel 7 van de Huisvestingswet dat de huisvestingsvergunning ertoe strekt de woning legaal in gebruik te kunnen nemen. Dit brengt met zich dat de vergunning na die ingebruikname is uitgewerkt, zodat deze vergunning na het metterwoon verlaten van de woning niet ten tweede male kan worden gebruikt om de woning weer in gebruik te nemen.

2.3.2. Niet in geschil is dat [appellant] in de periode van juli 2008 tot juni 2010 in Marokko verbleef en gedurende die periode geen gebruik heeft gemaakt van de woning. Dat tijdens zijn afwezigheid de huur van de woning is betaald en deze is onderhouden door een familielid brengt op zichzelf bezien niet mee dat geen grond bestaat voor het oordeel dat [appellant] de woning metterwoon heeft verlaten. Voorts is niet in geschil dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen [appellant] slechts toestemming heeft verleend om voor de periode van 12 juli 2008 tot 12 november 2008 in Marokko te verblijven en dat het niet op de hoogte is gesteld van de langere afwezigheid. Verder heeft [appellant] woningcorporatie 'Mitros' niet geïnformeerd over zijn verblijf in Marokko. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat onder deze omstandigheden de langdurige aaneengesloten afwezigheid van bijna twee jaren in verband met verblijf in zijn land van herkomst de conclusie rechtvaardigt dat [appellant] de woning metterwoon heeft verlaten en zijn hoofdverblijf naar Marokko heeft verplaatst. Dit zou anders zijn indien [appellant] aannemelijk kan maken dat het door het college ingenomen standpunt niet juist is. Met de rechtbank is de Afdeling evenwel van oordeel dat [appellant] met de door hem overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in verband met juridische procedures genoodzaakt was in Marokko te verblijven. Uit deze documenten blijkt weliswaar dat [appellant] is verwikkeld in verscheidene juridische procedures in Marokko, maar niet dat hij als gevolg daarvan gehouden was in Marokko te verblijven en de Marokkaanse autoriteiten hem ervan hebben weerhouden eerder dan in juni 2010 het land te verlaten. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat [appellant] geen verklaring kon geven voor het feit dat hij in juni 2010 mocht terugkeren naar Nederland, ondanks de eerder door hem gestelde houding van de Marokkaanse autoriteiten. Bovendien heeft [appellant] aan woningcorporatie 'Mitros' andere verklaringen gegeven voor de langdurige afwezigheid. De in hoger beroep overgelegde verklaring van een Officier van Justitie in Marokko waaruit zou blijken dat [appellant] gedwongen was in Marokko te blijven, is daarom, wat daar ook van zij, evenmin doorslaggevend. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat, gelet op de inconsistente verklaringen over zijn verblijf in Marokko, de door [appellant] overgelegde getuigenverklaringen mede door hun onvoldoende objectieve herkomst van onvoldoende gewicht zijn. Met de door hem overgelegde medische documenten heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat hij wegens medische redenen niet in staat was om eerder naar Nederland terug te keren.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college, gelet op het langdurige verblijf in zijn land van herkomst en de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de woning metterwoon heeft verlaten en de huisvestingsvergunning derhalve was uitgewerkt. Het betoog faalt.

2.3.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen nieuwe huisvestingsvergunning aan [appellant] te verlenen. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in de door [appellant] aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven te zien voor het toepassen van de hardheidsclausule. Daarbij is van belang dat [appellant] zich gedurende twee jaren zelfstandig heeft kunnen redden in Marokko. Gelet hierop was het college bevoegd om onder oplegging van een last onder bestuursdwang de ontruiming van de woning te bevelen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

ambtenaar van staat w.g. Klein

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

176-697.