Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
201104198/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2011, kenmerk 11R.00012, heeft de raad het bestemmingsplan "Harmelerwaard" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.16
Besluit luchtkwaliteit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/837
JBO 2012/138 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Milieurecht Totaal 2012/2548
BR 2012/163

Uitspraak

201104198/1/R3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Harmelen, gemeente Woerden,

2. [appellante sub 2], wonend te Harmelen, gemeente Woerden,

3. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord (hierna: LTO Noord), gevestigd te Zwolle,

4. de stichting Stichting Verbetering Tuinbouwstructuur in de provincie Utrecht (hierna: Stitu), gevestigd te Utrecht,

5. [appellant sub 5], wonend te Harmelen, gemeente Woerden,

6. [appellante sub 6], gevestigd te Harmelen, gemeente Woerden, en anderen,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SDG Paprika's B.V., gevestigd te Harmelen, gemeente Woerden, en anderen,

8. [appellant sub 8], wonend te Harmelen, gemeente Woerden,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2011, kenmerk 11R.00012, heeft de raad het bestemmingsplan "Harmelerwaard" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2011, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2011, LTO Noord bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, Stitu bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2011, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2011, [appellante sub 6] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2011, SDG en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, en [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 6] en anderen, SDG en anderen, de raad en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2012, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. A. Vinkenborg, LTO Noord, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 5], [appellante sub 6] en anderen, van wie [gemachtigden] in persoon en bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, SDG en anderen, vertegenwoordigd door mr. D. de Jong, advocaat te Zeist, en de raad, vertegenwoordigd door S. Gabriel en T. Chaudron, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellant sub 1] en Stitu stellen dat het plan, anders dan het voorheen geldende plan, geen bedrijfswoning meer mogelijk maakt op hun gezamenlijke percelen.

2.1.1. Het beroep van [appellant sub 1] en Stitu voor zover gericht tegen het niet toekennen van de aanduiding "bedrijfswoning" aan hun gezamenlijke percelen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

De beroepen van [appellant sub 1] en Stitu zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk is, voor zover het betrekking heeft op artikel 24, lid 24.1, onder c, van de planregels.

2.2.1. Het beroep van [appellant sub 8] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 24, lid 24.1, onder c, van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van verlenging van Hugo de Vriesweg

2.3. [appellant sub 1], [appellante sub 2], LTO-Noord, Stitu en SDG en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover bij de vaststelling daarvan in artikel 24, lid 24.10, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid is toegevoegd, op grond waarvan de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3" kan worden gewijzigd in de bestemming "Verkeer". Door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid kan de Hugo de Vriesweg worden verlengd tot aan de voorziene rotonde op de Utrechtsestraatweg. In de toekomst zal via deze rotonde een aansluiting worden gecreëerd op de Oostelijke Randweg Harmelen. Deze randweg zal de verbinding vormen tussen de Utrechtsestraatweg en de nieuwe op- en afrit van de Rijksweg A12 bij Harmelen.

2.4. [appellant sub 1] en Stitu betogen dat door de wijzigingsbevoegdheid in totaal 1.300 m2 van hun percelen niet meer voor glastuinbouw kan worden gebruikt. Het plan verhindert volgens hen dat hun percelen gezamenlijk voor de exploitatie van een glastuinbouwbedrijf kunnen worden gebruikt.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid maar een klein deel van de gezamenlijke percelen nodig is voor de realisering van de ontsluiting. Het overige deel kan volgens de raad nog steeds worden ingericht ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf.

2.4.2. Ingevolge artikel 24, lid 24.10, van de planregels, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3" te wijzigen in de bestemming "Verkeer" als bedoeld in artikel 12, mits:

a. de realisatie van de bestemming financieel haalbaar is;

b. met een geluidsonderzoek wordt aangetoond dat het woon- en leefklimaat als gevolg van de te wijzigen bestemming niet in onaanvaardbare mate wordt aangetast;

c. met een luchtkwaliteitsonderzoek wordt aangetoond dat de luchtkwaliteit als gevolg van de gewijzigde bestemming voldoet aan de daaraan ingevolge de Wet milieubeheer gestelde eisen;

d. aangetoond is dat de wijziging bijdraagt aan een goede ontsluiting van het glastuinbouwconcentratiegebied.

2.4.3. De percelen van [appellant sub 1] en Stitu hebben een gezamenlijke grootte van ongeveer 3 ha. Op de verbeelding is aan een gedeelte van het perceel van Stitu, kadastraal bekend gemeente Harmelen, sectie K, nr. 330, de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3" toegekend. Dit gedeelte beslaat ongeveer 0,13 ha. [appellant sub 1] en Stitu hebben niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele verkleining van deze omvang ertoe zal leiden dat die gezamenlijke percelen niet meer kunnen worden gebruikt voor de exploitatie van een glastuinbouwbedrijf. De raad heeft aan de eventuele gevolgen van de wijzigingsbevoegdheid voor de mogelijkheid om een glastuinbouwbedrijf te vestigen op de gezamenlijke percelen van [appellant sub 1] en Stitu dan ook in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 5] betoogt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de planologische inpasbaarheid van de bestemming die de in artikel 24, lid 24.10, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt. [appellante sub 2], LTO Noord en SDG en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van deze wijzigingsbevoegdheid.

2.5.1. De raad stelt te hebben gekozen voor een beoordeling van de gevolgen van het verlengen van de Hugo de Vriesweg voor de luchtkwaliteit bij de totstandkoming van een wijzigingsplan. Hij betoogt, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2006, in zaak nr. 200600223/1 (www.raadvanstate.nl), dat deze aanpak geoorloofd is.

2.5.2. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 2007, 414). Tevens zijn op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 in werking getreden. Bij de Wet van 11 oktober 2007 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Ingevolge artikel V, voor zover thans aan de orde, van deze wet zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit. Het plan is vastgesteld na 15 november 2007 en derhalve is titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de daarbij behorende regelgeving van toepassing.

2.5.3. In titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn regels gesteld met betrekking tot de luchtkwaliteit.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:

1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of

2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dat artikel zijn de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.26 en 3.28 van de Wro.

2.5.4. Het bestreden besluit betreft de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro. De raad heeft in dit geval in strijd met artikel 5.16, eerste lid van de Wet milieubeheer de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de in artikel 24, lid 24.10, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet beoordeeld. Aan het vorenstaande kan de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2006, in zaak nr. 200600223/1, waarop de raad een beroep doet, niet afdoen, nu deze uitspraak niet, zoals hier aan de orde, ziet op een besluit waarop titel 5.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is, maar op een besluit waarop het Blk 2005 van toepassing was. Ingevolge het Blk 2005 diende ook bij een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan de daarin opgenomen regels over luchtkwaliteit in acht te worden genomen. In het tweede lid van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer wordt de bevoegdheid tot vaststelling van een wijzigingsplan evenwel niet aangewezen als een in het eerste lid van dat artikel bedoelde bevoegdheid bij de uitoefening waarvan aan dat eerste lid moet worden voldaan. Daarom dient reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek te worden gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De omstandigheid dat, zoals de raad stelt, het exacte tracé van de weg bij de vaststelling van dit bestemmingsplan nog niet bekend was, maar dat pas bij de vaststelling van een wijzigingsplan zal worden doet aan het vorenstaande niet af. Het betoog slaagt.

2.6. [appellante sub 2], LTO Noord en SDG en anderen betogen dat de raad aan het bestreden besluit ten onrechte geen onderzoek ten grondslag heeft gelegd naar de akoestische gevolgen van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 24, lid 24.10, van de planregels.

2.6.1. De raad heeft gesteld geen onderzoek te hebben gedaan naar deze akoestische gevolgen. Volgens de raad dient dit onderzoek plaats te vinden bij de vaststelling van een wijzigingsplan.

2.6.2. In dit geval liggen woningen, waaronder die van [appellant sub 5], op zeer korte afstand van het gebied waarop de in artikel 24, lid 24.10, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft. Voorts zal het verlengen van de Hugo de Vriesweg ertoe leiden dat niet alleen vrachtverkeer ten behoeve van het achtergelegen glastuinbouwgebied maar ook vrachtverkeer ten behoeve van een daarachter gelegen bestemming van deze weg gebruik zal gaan maken. Gelet hierop was het naar het oordeel van de Afdeling aangewezen om te onderzoeken of de akoestische gevolgen niet in de weg staan aan een invulling van de bestemming "Verkeer" die door de raad met artikel 24, lid 24.10, van de planregels wordt beoogd. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

2.7. In hetgeen [appellant sub 1] en Stitu hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het artikel 24, lid 24.10, van de planregels betreft, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen van [appellant sub 1] en Stitu zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

In hetgeen [appellante sub 2], LTO Noord, [appellant sub 5] en SDG en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het artikel 24, lid 24.10, van de planregels betreft, is genomen in strijd met artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van LTO Noord is in zoverre gegrond en de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 5] en SDG en anderen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gezien het vorenstaande komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden over artikel 24, lid 24.10, van de planregels.

De bestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 2"

2.8. [appellante sub 6] en anderen richten zich tegen de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" die aan hun gronden is toegekend. Volgens hen blijkt uit de kaart bij het MER Groengebied Utrecht-West dat op hun gronden geen enkele archeologische waarde te verwachten valt. [appellante sub 6] en anderen stellen voorts dat in de archeologische rapportage bij het plan is vermeld dat onderzoek in landelijk gebied in Leidse Rijn heeft aangetoond dat als gronden in een landelijk gebied zijn verstoord of afgegraven dieper dan 1 m onder het bestaande maaiveld, er geen archeologische resten meer verwacht hoeven te worden. Die situatie doet zich hier volgens [appellante sub 6] en anderen voor, nu naar eigen zeggen hun gronden in het verleden zijn afgegraven voor de kleiwinning, waarbij de gronden tot een diepte van 2 m zijn bewerkt. Om die reden kan volgens [appellante sub 6] en anderen ook geen waarde worden gehecht aan de Indicatieve kaart Archeologische Waarden (hierna: de IKAW), nu de hogere ligging op de stroomgordel van de Rijn in dit geval teniet is gedaan. Volgens [appellante sub 6] en anderen is in verband met de eerdere afgravingen het terrein rond de boerderijen aan de Dorpeldijk met ongeveer 1,30 à 1,40 m opgehoogd.

LTO Noord richt zich tegen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 2", voor zover toegekend aan gronden waarop bestaande bebouwing aanwezig is. Als gevolg van uitgevoerde bouwactiviteiten zijn eventuele waarden al ernstig verstoord, aldus LTO Noord. Volgens haar gaat het daarbij ook om verstoringen dieper dan 30 cm.

2.8.1. De raad betoogt dat op de IKAW bijna de gehele polder Harmelerwaard is aangemerkt als een gebied met een hoge trefkans voor archeologische waarden vanwege de hogere ligging op de stroomgordel van de Rijn. Op de in december 2010 door hem vastgestelde archeologische beleidskaart heeft de raad het gebied waarin de gronden van [appellante sub 6] en anderen zijn gelegen, aangemerkt als een archeologisch waardevol terrein, nu bekend is dat in dit gebied een archeologische vindplaats in de bodem aanwezig is. De raad stelt voorts dat uit de door [appellante sub 6] en anderen overgelegde documenten niet valt af te leiden op welke locaties binnen het gebied grond is afgegraven of is opgehoogd. Voorts is de precieze diepte van de afgravingen niet na te gaan, aldus de raad.

Naar aanleiding van hetgeen LTO Noord heeft betoogd, stelt de raad dat de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 2" ook aan gronden zijn toegekend waarop bestaande bebouwing aanwezig is. De aanwezigheid van bebouwing betekent volgens de raad niet dat er geen archeologische waarden meer in de bodem aanwezig kunnen zijn. Volgens de raad is dit sterk afhankelijk van eventuele onderkeldering en de wijze en diepte van de fundering.

2.8.2. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.8.3. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van aanwezige archeologische waarden.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Ingevolge lid 15.2, onder 15.2.1, en lid 16.2, onder 16.2.1, is het in het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden verboden, behoudens het bepaalde in onderscheidenlijk lid 15.2, onder 15.2.2, en lid 16.2, onder 16.2.2, zonder een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders op en in de in onderscheidenlijk lid 15.1 en lid 16.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 100 m2:

a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder peil;

b. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,3 m onder peil;

c. het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,3 m onder peil;

d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

e. het ophogen en egaliseren van gronden.

Ingevolge lid 15.2, onder 15.2.3, aanhef en onder b, en lid 16.2, onder 16.2.3, aanhef en onder b, zijn de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in onderscheidenlijk lid 15.2, onder 15.2.1, en lid 16.2, onder 16.2.1, slechts toelaatbaar, indien (…) door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

2.8.4. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 is de Afdeling van oordeel dat op het gemeentebestuur de plicht rust zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwregels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn.

2.8.5. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

2.8.6. In dit geval heeft de raad zich bij de beslissing om al dan niet de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 2" toe te kennen gebaseerd op de IKAW en op de in december 2010 door de raad vastgestelde archeologische beleidskaart. De raad heeft onweersproken gesteld dat op de IKAW bijna de gehele polder Harmelerwaard is aangemerkt als een gebied met een hoge trefkans op archeologische waarden vanwege de hogere ligging op de stroomgordel van de Rijn en de daarmee samenhangende geschiktheid voor bewoning vanaf het Neolithicum. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die moet worden aangemerkt als een nadere uitwerking van de IKAW op grond van gegevens bekend bij de gemeentelijke archeoloog, zijn drie gebieden aangemerkt als archeologisch waardevolle terreinen. Van deze gebieden is bekend dat er een archeologische vindplaats in de bodem aanwezig is. Deze gebieden hebben in het plan de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 1" gekregen. Een aantal gebieden is aangemerkt als gebieden met geen of een lage verwachtingswaarde. Deze gebieden hebben in het plan geen archeologische dubbelbestemming gekregen. Het overige deel van het plangebied is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangemerkt als een gebied met een hoge verwachtingswaarde; aan de gronden in dit deel heeft de raad de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" toegekend.

De raad heeft in het plan aan de gronden van [appellante sub 6] en anderen de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" toegekend. De Afdeling is van oordeel dat de raad in dit geval op grond van de IKAW en de gemeentelijke archeologische beleidskaart de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden aannemelijk heeft gemaakt. Dat volgens [appellante sub 6] en anderen uit een kaart bij het MER Groengebied Utrecht-West blijkt dat op zijn gronden geen enkele archeologische waarde te verwachten valt, doet aan het vorenstaande niet af. Voorts hebben [appellante sub 6] en anderen met de door hen overgelegde stukken over afgravingen en ophogingen niet aannemelijk gemaakt dat op hun gronden geen trefkans meer bestaat op archeologische waarden. Daarbij is van belang dat uit die stukken niet valt af te leiden in hoeverre die gronden zijn afgegraven. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om aan de gronden van [appellante sub 6] en anderen de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toe te kennen. Het betoog faalt.

2.8.7. Voor zover LTO Noord heeft gesteld dat onder bestaande bebouwing eventuele archeologische waarden al ernstig zijn verstoord als gevolg van uitgevoerde bouwactiviteiten, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet valt uit te sluiten dat ook onder bestaande bebouwing een trefkans bestaat op archeologische waarden. Bouwactiviteiten hoeven immers niet per se zo diep in de grond te zijn uitgevoerd, dat bij voorbaat aannemelijk is dat geen archeologische waarden meer zijn te verwachten. Het betoog faalt.

2.8.8. In hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het de aan hun gronden toegekende dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" betreft, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is in zoverre ongegrond.

In hetgeen LTO Noord heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het de toekenning betreft van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 2" aan gronden waarop bestaande bebouwing aanwezig is, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van LTO Noord is in zoverre ongegrond.

Het beroep van LTO Noord voor het overige

2.9. LTO Noord richt zich tegen de in artikel 5, lid 5.2.3, van de planregels toegestane maximale goot- en bouwhoogte van onderscheidenlijk 5,5 en 6,6 m voor kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg te Harmelen. Volgens LTO Noord valt niet in te zien dat hiermee een te abrupte overgang van open groen naar glas kan worden voorkomen. Volgens LTO Noord moeten tuinbouwbedrijven in dit gebied kunnen beschikken over glasopstanden die voldoen aan de moderne eisen van bedrijfsvoering, waarbij een goothoogte van 8 m en een bouwhoogte van 12 m geen uitzondering meer zijn.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg aan de rand van het glastuinbouwgebied liggen en dat de in artikel 5, lid 5.2.3, opgenomen maximale goot- en bouwhoogte een al te abrupte overgang van open groen naar glas moeten voorkomen. Voor de gevallen waarin een hogere goot- en bouwhoogte noodzakelijk zijn, is in het plan een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, aldus de raad.

2.9.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.3, aanhef en onder g, van de planregels, voor zover hier van belang, mogen de goot- en de bouwhoogte van kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg niet meer bedragen dan onderscheidenlijk 5,5 en 6,6 m.

Ingevolge artikellid 5.3, onder 5.3.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 5.2, onder 5.2.3, onder g, voor het bouwen van kassen tot een goothoogte van 8 m en een bouwhoogte van 12 m, mits:

a. de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering is aangetoond;

b. de functies en waarden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad, waarbij, voor zover het betreft kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg, rekening wordt gehouden met de belangen van de toekomstige ecologische en recreatieve verbinding in de strook ten oosten van de Sportlaan.

2.9.3. De kassen in het gebied ten westen van de Hugo de Vriesweg grenzen aan een gebied met een relatief open karakter dat is gelegen tussen de kern van Harmelen en het glastuinbouwgebied. De raad heeft met het oog op een geleidelijke overgang tussen dat gebied en het glastuinbouwgebied in redelijkheid kunnen besluiten om voor de kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg een lagere goot- en bouwhoogte mogelijk te maken dan voor de overige kassen van het glastuinbouwgebied. LTO Noord heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.3, van de planregels maximaal mogelijk gemaakte goot- en bouwhoogte voor kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg de bedrijfsvoering van bedrijven ter plaatse onevenredig beperken. Daarbij is van belang dat LTO Noord ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat zij geen voorbeelden kent van ondernemers in het plangebied die hebben aangegeven dat zij zich niet met deze planregel kunnen verenigen. Nu de raad voorts met artikellid 5.2, onder 5.2.3, de mogelijkheid heeft geschapen om afwijkende goot- en bouwhoogten voor deze kassen mogelijk te maken, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit opzicht onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van de glastuinbouw. Het betoog faalt.

2.10. LTO Noord betoogt dat niet valt in te zien waarom in een conserverend plan enkele agrarische bedrijfswoningen midden in het glastuinbouwgebied als burgerwoningen worden bestemd. Volgens LTO Noord is het in een glastuinbouwconcentratiegebied van belang dat ontwikkelingen in de glastuinbouw, waaronder schaalvergroting en de hiervoor noodzakelijke reconstructie van het gebied, niet worden belemmerd door burgerwoningen die midden in dat gebied liggen. Met het oog hierop richt het beroep zich tevens tegen artikel 24, lid 24.1, onder c, van de planregels, dat het mogelijk maakt om aan de gronden waarop bepaalde bedrijfswoningen in het gebied staan, bij wijzigingsplan de bestemming "Wonen" toe te kennen.

2.10.1. Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder c, van de planregels, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, indien is komen vast te staan dat op gronden als bedoeld in artikel 5 ("Agrarisch - Glastuinbouw"), voor zover het betreft de percelen Gregor Mendelweg 6 en 7 te Harmelen, de woning ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" niet meer als bedrijfswoning wordt gebruikt, de aanduiding te wijzigen in de bestemming "Wonen".

2.10.2. De raad stelt dat aan twee percelen aan de Gregor Mendelweg een woonbestemming is toegekend, onder meer omdat de percelen al enige jaren in gebruik zijn voor burgerbewoning. Voor twee andere bedrijfswoningen is in de mogelijkheid voorzien om aan de gronden waarop deze zijn gelegen alsnog de bestemming "Wonen" toe te kennen. Bij het als zodanig bestemmen en het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid is volgens de raad rekening gehouden met de gevolgen voor de reeds aanwezige glastuinbouwbedrijven. De afstanden van de woningen tot aan de glastuinbouwbedrijven voldoen aan de wettelijke normen en vormen daarmee geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

2.10.3. Een conserverend plan kan afwijken van het voorheen geldende plan. Tenzij sprake is van mogelijkheden die in zo sterke mate afwijken van het voorheen geldende plan dat deze niet in een conserverend plan geregeld kunnen worden, kan ook een conserverend plan ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De door LTO Noord bedoelde afwijkingen van het voorheen geldende plan zien op twee percelen aan de Gregor Mendelweg, te weten de nrs. 4 en 9, waar in het plan burgerwoningen mogelijk worden gemaakt, terwijl voorheen slechts het gebruik als agrarische bedrijfswoning mogelijk was. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheden in het plan zodanig afwijken van het voorheen geldende plan dat die niet in een conserverend plan zouden mogen worden opgenomen.

LTO Noord heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat door het als zodanig bestemmen van de woningen aan de Gregor Mendelweg 4 en 9 en door de wijzigingsbevoegdheid in artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder c, van de planregels, die betrekking heeft op de bedrijfswoningen aan de Gregor Mendelweg 6 en 7, de omliggende glastuinbouwbedrijven onevenredig in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. Daarbij is van belang dat in het plan ten behoeve van de omliggende glastuinbouwbedrijven ruime bouwvlakken zijn toegekend. Het betoog faalt.

2.11. In hetgeen LTO Noord heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de in artikel 5, lid 5.2.3, van de planregels toegestane maximale goot- en bouwhoogte van onderscheidenlijk 5,5 en 6,6 m voor kassen ten westen van de Hugo de Vriesweg, de toegekende bestemming "Wonen" aan de percelen Gregor Mendelweg 4 en 9 en artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder c, van de planregels, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van LTO Noord is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6] en anderen voor het overige

2.12. [appellante sub 6] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel Kasteellaan 1 te Harmelen. Volgens hen is een illegale situatie ten onrechte gelegaliseerd.

Volgens hen liggen de kelders die als vergader- en cursusruimten mogen worden gebruikt, op een afstand van minder dan 50 m van het agrarische bouwvlak op het perceel [locatie 1]. Dat levert volgens hen een geurgevoelige bestemming op die belemmeringen kan opleveren voor de benutting van het bouwvlak.

Nu op de verbeelding aan het plandeel voor dit perceel de bestemming "Horeca" is toegekend en in de planregels uitdrukkelijk is bepaald dat ook tuinen onder de bestemming zijn begrepen, mogen volgens [appellante sub 6] en anderen ook in de tuinen en in het koetshuis, dat op een afstand van minder dan 25 m van het agrarisch bedrijf van [appellante sub 6] en anderen is gelegen, horeca-activiteiten worden ontplooid. Dit leidt volgens hen tot hindergevoelige bestemmingen op korte afstand van het veehouderijbedrijf. Volgens [appellante sub 6] en anderen is de voetnoot in artikel 9, lid 9.1, onder a, van de planregels in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu het begrip "niet-geurgevoelige functies" in het plan niet nader is omschreven.

2.12.1. De raad betoogt dat bij het toekennen van de bestemming "Horeca" aan het perceel Kasteellaan 1 rekening is gehouden met de belangen van de omliggende agrarische bedrijven. Volgens de raad is in de gemeentelijke geurverordening bepaald dat in bestaande gevallen de afstand van een agrarisch bouwvlak tot een geurgevoelige bestemming minimaal 25 m moet bedragen. Volgens de raad liggen de bedrijfswoning en de daaronder gelegen kelders waar de vergader- en cursusactiviteiten plaatsvinden, op een afstand groter dan 25 m van het agrarisch bouwvlak op het perceel [locatie 1]. Het maakt voor de eventuele beperkingen aan de bedrijfsvoering op dit laatstgenoemde perceel niet uit of de bestemming "Wonen" of "Horeca" wordt toegekend, aldus de raad. Het koetshuis ligt weliswaar op een afstand van minder dan 25 m, maar hiervoor is volgens de raad in de planregels opgenomen dat dat geen geurgevoelige functie mag krijgen. Door de nadere bestemming "Vergader- en cursusruimte, uitsluitend in de monumentale kelders " is het niet mogelijk om andere vormen van horeca te exploiteren op het perceel Kasteellaan 1, aldus de raad.

2.12.2. Ingevolge artikel 1, voor zover hier van belang, van de Wet geurhinder en veehouderij wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.12.3. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horecabedrijven met de nadere bestemming, die daarna is vermeld per adres en voor daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen parkeerplaatsen en tuinen. In de tabel bij dit onderdeel zijn voor het adres Kasteellaan 1 de nadere bestemming "Vergader- en cursusruimte, uitsluitend in de monumentale kelders" en een maximale oppervlakte gebouwen (in m2) van 60 vermeld. Bij het getal 60 in de tabel is de volgende voetnoot geplaatst: "deze oppervlakte mag uitsluitend worden gebruikt voor niet-geurgevoelige functies welke ten dienste staan van de vergader- en cursusruimte.

Ingevolge lid 9.2, onder 9.2.2, aanhef en onder a, gelden voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 6.2.1 (lees: 9.2.1) de volgende bepalingen: de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, exclusief de bedrijfswoning, mag binnen elk bestemmingsvlak niet meer bedragen dan voor dat vlak in de tabel in lid 6.1 (lees: 9.1), onder a, is aangegeven, waarbij de oppervlakte cultuurhistorisch waardevolle bijgebouwen niet wordt meegerekend.

2.12.4. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Harmelen 1971" gold ter plaatse van het perceel Kasteellaan 1 de bestemming "Buitenplaats II". Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften bij dit plan, voor zover hier van belang, waren de op de kaart voor "Buitenplaats II" aangewezen gronden bestemd tot bos en/of landschappelijke, natuurwetenschappelijke en passief recreatieve doeleinden zoals wandelen en hengelsport met de daartoe benodigde andere bouwwerken. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kon het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor de bouw van een villa met bijgebouwen ten behoeve van een buitenplaats. Niet in geschil is dat deze vrijstelling onder het voorheen geldende plan is verleend voor de villa met kelders op het perceel Kasteellaan 1, zodat onder het vorige plan reeds sprake was van een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Het plan brengt met de wijziging van de bestemming geen verandering in het geurgevoelige karakter van de villa met kelders en de daaruit op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voortvloeiende beperkingen voor de bebouwingsmogelijkheden op het agrarisch bouwvlak van het perceel [locatie 1]. Niet is gebleken dat, mede gelet op de omvang van het toegekende agrarisch bouwvlak, de uit de Wet geurhinder en veehouderij voortvloeiende beperkingen als gevolg van het geurgevoelige karakter van de villa en de kelders zodanig zijn dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 1] daardoor niet onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt.

De tuinen van het perceel Kasteellaan 1 kunnen niet als geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij worden aangemerkt, reeds nu tuinen geen gebouw zijn. [appellante sub 6] en anderen hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe het plan in zoverre anderszins een belemmering zou kunnen betekenen voor hun bedrijfsvoering.

Ten aanzien van het koetshuis geldt dat dit bedrijfsgebouw ingevolge artikel 9, lid 9.1, onder a, van de planregels uitsluitend mag worden gebruikt voor niet-geurgevoelige functies die ten dienste staan van de vergader- en cursusruimte. Dat het begrip "niet-geurgevoelige functies" niet is gedefinieerd in het plan, betekent niet dat het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling is duidelijk dat hiermee wordt gedoeld op functies die met zich brengen dat de gebouwen in kwestie niet kunnen worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij.

Het betoog faalt.

2.13. [appellante sub 6] en anderen richten zich tegen de vorm van het bouwvlak voor het perceel [locatie 1] te Harmelen. [appellante sub 6] en anderen stellen dat zij in de zienswijze uitdrukkelijk hebben gevraagd om een uitbreiding van het bouwvlak in oostelijke richting, langs de Bijleveld. Daarmee wordt volgens hen voorkomen dat ruimte verloren gaat aan hoeken en schuine kanten en dat een sloot moet worden gedempt. [appellante sub 6] en anderen willen een emissiearme stal, een voeropslag en een mestvergister zo ver mogelijk van de woonbebouwing aan de Appellaan realiseren.

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de uitbreiding van het bouwvlak naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 6] en anderen rekening is gehouden met het open karakter van het gebied en de afstanden die zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

2.13.2. In hun zienswijze over het ontwerp van het besluit hebben [appellante sub 6] en anderen verzocht om vergroting van het bouwvlak van het perceel [locatie 1] ten behoeve van uitbreidingsplannen. Bij het plan heeft de raad het bouwvlak weliswaar vergroot om toekomstige uitbreidingen mogelijk te maken, maar niet in de mate die [appellante sub 6] en anderen voor ogen staat. De raad heeft hiertoe besloten omwille van de openheid van het achtergelegen gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft hij hiertoe in redelijkheid kunnen besluiten. Daarbij is van belang dat ofschoon de openheid van het achterliggende gebied is verminderd door de vestiging van de drie boerderijen van [appellante sub 6] en anderen aan de Dorpeldijk, het merendeel van dat gebied nog onbebouwd is en het daarin afwijkt van de omliggende gebieden, zoals de kern van Harmelen en het glastuinbouwgebied. De uitbreidingsplannen van [appellante sub 6] en anderen, bestaande uit een nieuwe stal, voeropslag en een mestvergister waren ten tijde van het bestreden besluit niet zodanig concreet dat de raad daar bij het toekennen van het bouwvlak reeds rekening mee diende te houden. Overigens maakt het plan het in artikel 4.3.2 van de planregels onder bepaalde voorwaarden mogelijk om bij omgevingsvergunning af te wijken van de regels die verbieden te bouwen buiten het bouwvlak. Het toegekende bouwvlak is zodanig gesitueerd dat eventuele toekomstige dierenverblijven daarop kunnen worden gerealiseerd met inachtneming van de beperkingen die voortvloeien uit de Wet geurhinder en veehouderij, hetgeen [appellante sub 6] en anderen overigens ook niet hebben bestreden. Het betoog faalt.

2.14. [appellante sub 6] en anderen stellen dat het bouwvlak voor de boerderij op het perceel [locatie 2] te Harmelen onvoldoende ruimte biedt voor een nog te plaatsen mestvergister en voor voorzieningen om in de toekomst aan de emissie-eisen te kunnen voldoen.

2.14.1. De raad stelt dat het bouwvlak voor het perceel [locatie 2] is vergroot naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 6] en anderen en dat daarmee in voldoende mate tegemoet is gekomen aan hun belangen.

2.14.2. Het bouwvlak voor het perceel [locatie 2] is in het plan vergroot ten opzichte van het bouwvlak in het ontwerpplan om een eventuele uitbreiding in de toekomst van het op dat perceel gevestigde agrarische bedrijf mogelijk te maken. [appellante sub 6] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat daarmee geen redelijke uitbreidingsmogelijkheid voor het agrarisch bedrijf op dat perceel is gecreëerd. Voor zover [appellante sub 6] en anderen hebben gewezen op plannen die zij hebben ontwikkeld na de totstandkoming van het bestreden besluit, overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit moet worden beoordeeld naar de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van dat besluit. Het betoog faalt.

2.15. [appellante sub 6] en anderen betogen dat aan een deel van hun gronden ten onrechte de bestemming "Agrarisch met Waarden" is toegekend. Zij bestrijden in dit verband het open karakter van het gebied en wijzen daarbij op de ligging van het gebied tussen de kern van Harmelen en het glastuinbouwgebied alsmede op de grootschalige bebouwing van de drie boerderijen aan de Dorpeldijk. [appellante sub 6] en anderen benadrukken dat door de toekenning van de bestemming "Agrarisch met waarden" in plaats van de bestemming "Agrarisch" zij voor hun kwekerij geen gebruik kunnen maken van de vooral binnen het gebied met de bestemming "Agrarisch met waarden" gelegen lichtere grondsoorten die geschikt zijn voor de teelt van heesters.

Voorts is volgens [appellante sub 6] en anderen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kwekerij" ten onrechte alleen toegekend aan de gronden binnen het bouwvlak van de boerderij op het perceel [locatie 3] en niet tevens aan gronden buiten het bouwvlak met de bestemming "Agrarisch".

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend aan een deel van de gronden van [appellante sub 6] en anderen, omdat het gebied, ondanks de aanwezigheid van de drie boerderijen, nog steeds een open karakter heeft. Doordat het gebied aan beide kanten is ingesloten door bebouwing, geeft de openheid een bepaald beeld en een duidelijke landschappelijke waarde, aldus de raad.

Volgens de raad is bij de aanvraag om bouwvergunning voor de boerderijen op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] te kennen gegeven dat een kleine oppervlakte ingericht zou worden ten behoeve van een kwekerij. Bij het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kwekerij" is volgens de raad gebruik gemaakt van de gegevens van de vergunningaanvraag. Voorts is volgens de raad rekening gehouden met de doorzichten van de Dorpeldijk richting de Kasteellaan en van de Appellaan

2.15.2. Ofschoon de openheid van het gebied waaraan de raad de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft toegekend, is verminderd door de bouw van de drie boerderijen van [appellante sub 6] en anderen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebied, gelet op de omstandigheid dat het merendeel daarvan nog onbebouwd is en het daarin afwijkt van de omliggende gebieden zoals de kern van Harmelen en het glastuinbouwgebied, een openheid kent die bescherming verdient. De raad heeft hieraan in redelijkheid een groter belang mogen toekennen dan aan het belang van [appellante sub 6] en anderen om op de gronden met die bestemming heesters te mogen kweken en telen.

Bij de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kwekerij" heeft de raad blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting aansluiting gezocht bij hetgeen in de aanvraag om bouwvergunning voor de boerderijen [locatie 3] en [locatie 4] was vermeld over de omvang van kwekerijactiviteiten. Ter zitting heeft de raad gesteld dat in deze aanvraag een omvang van 0,75 ha voor de boerderij op [locatie 3] en een omvang van 1 ha voor de boerderij op [locatie 4] waren vermeld. Gelet hierop valt niet in te zien waarom de raad alleen kwekerijactiviteiten binnen het bouwvlak van het perceel [locatie 3] heeft mogelijk gemaakt en niet tevens daarbuiten, nu dat bouwvlak ongeveer 0,57 ha groot is. Daarbij dient bedacht te worden dat in de aanvraag om bouwvergunning is vermeld dat op dit perceel tevens een melkveehouderij zal worden opgericht. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

2.16. [appellante sub 6] en anderen betogen dat in artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.1, en artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.1, van de planregels de mogelijkheid om niet-agrarische activiteiten te ontwikkelen ten onrechte afhankelijk wordt gesteld van de verlening van een omgevingsvergunning en dat dergelijke activiteiten ten onrechte alleen als ondergeschikte nevenactiviteit zijn toegestaan. Volgens [appellante sub 6] en anderen is dat in strijd met het streekplan, thans de Provinciale structuurvisie, waarin de prioriteit voor landbouw is losgelaten voor de gronden die zijn aangewezen als "Landelijk gebied I", en in strijd met het Raamplan Groengebied Utrecht-West, dat erin voorziet dat agrarische bedrijven plaats maken voor recreatieve activiteiten in het gebied.

2.16.1. De raad betoogt dat het vereiste van een omgevingsvergunning in artikel 3, lid 3.5.1, en artikel 4, lid 4.5.1, van de planregels het mogelijk maakt om de gevolgen van voorgenomen nevenactiviteiten voor de omgeving af te wegen. Niet elk agrarisch bouwperceel is volgens de raad geschikt voor alle typen nevenactiviteiten.

2.16.2. De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 9.1.2, eerste lid, van de Invoeringswet Wro een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is gelijkgesteld met een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro. Ingevolge artikel 9.1.2, vierde lid, van de Invoeringswet Wro blijft de WRO van toepassing op een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de WRO. Dit betekent dat een streekplan het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had. Uit artikel 4a van de WRO volgt dat het streekplan, behoudens indien sprake is van een concrete beleidsbeslissing, niet rechtstreeks bindend is voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van een ruimtelijk plan.

Vastgesteld wordt dat het streekplan geen concrete beleidsbeslissingen bevat. De raad dient het provinciale beleid uit het streekplan in de afweging mee te wegen als een bij het plan betrokken belang. Dit laatste geldt eveneens voor het provinciale beleid in het Raamplan Groengebied Utrecht-West.

2.16.3. In de toelichting op het plan heeft de raad uiteengezet op welke wijze hij het provinciale beleid heeft meegewogen in de afweging.

Dat in het streekplan (hierna: de Provinciale structuurvisie) de prioriteit voor landbouw is losgelaten voor gronden die daarin zijn aangewezen als "Landelijk gebied 1", waaronder de gronden van [appellante sub 6] en anderen, betekent niet dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de in artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.1, en artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.1, van de planregels genoemde activiteiten slechts toe te staan als ondergeschikte nevenactiviteit en slechts na verlening van een omgevingsvergunning. Het Raamplan Groengebied Utrecht West maakt dat niet anders, nu dat plan voor het grootste deel van de gronden van [appellante sub 6] en anderen nog niet nader is uitgewerkt en voor zover dat wel het geval is, het met name ziet op de ontwikkeling van groengebied en voet- en fietspaden en derhalve niet op de in artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.1, en artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.1, van de planregels genoemde activiteiten. Het betoog faalt.

2.17. [appellante sub 6] en anderen betogen dat artikel 24, lid 24.3, van de planregels, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders bestemmingen kan wijzigen ten behoeve van de vestiging van nieuwe landgoederen, in strijd is met de Provinciale structuurvisie. Zo wordt volgens hen de ontwikkeling van nieuwe landgoederen ten onrechte afhankelijk gesteld van de medewerking van het college van burgemeester en wethouders, zonder dat daarbij die medewerking is geclausuleerd door middel van objectieve criteria. Voorts is de beperking tot gronden in of grenzend aan de kernrandzone of de EHS in strijd met de Provinciale structuurvisie, waarin landgoederen binnen de gehele zone "Landelijk gebied 1" zijn toegestaan, aldus [appellante sub 6] en anderen.

2.17.1. De raad betoogt dat door als voorwaarde op te nemen dat de gronden van het landgoed moeten liggen in of grenzend aan de kernrandzone wordt voorkomen dat landgoederen moeilijk bereikbaar zijn. Landgoederen moeten namelijk voor een deel openbaar toegankelijk zijn, aldus de raad. Daarnaast wordt volgens hem op deze manier voorkomen dat landbouwgebieden gescheiden worden door een landgoed.

2.17.2. Ingevolge artikel 24, lid 24.3, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders, onder de onder a tot en met h vermelde wijzigingsvoorwaarden, bevoegd de bestemming van gronden, gelegen in of grenzend aan de kernrandzone, of grenzend aan de EHS ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" te wijzigen in de bestemmingen als bedoeld in de artikelen 14 ("Wonen") voor maximaal 1 hectare, 7 ("Bos") en 7 (lees: 8; "Groen") en in de bestemming "Natuur", welke, indien nog niet voorkomend in het plan, bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt toegevoegd, ten behoeve van de vestiging van een nieuw landgoed.

2.17.3. Artikel 24, lid 24.3, van de planregels ziet op een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders tot wijziging van bij het plan toegekende bestemmingen in bestemmingen die de vestiging van een landgoed mogelijk maken. De Wro voorziet niet in de mogelijkheid om een planregel in een bestemmingsplan op te nemen ingevolge welke een bestemming wijzigt zonder tussenkomst van het college van burgemeester en wethouders, noch in de mogelijkheid om een planregel op te nemen dat het college van burgemeester en wethouders verplicht een bestemming te wijzigen indien aan bepaalde objectieve criteria is voldaan.

Zoals hiervoor overwogen betreft de Provinciale structuurvisie provinciaal beleid, dat de raad in de afweging dient mee te wegen als een bij het plan betrokken belang. In de Provinciale structuurvisie wordt onder meer Landelijk gebied 1 aangewezen als zoekgebied voor nieuwe landgoederen. Niet valt in te zien dat de raad, het beleid in de afweging betrekkend, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in artikel 24, lid 24.3, van de planregels een nadere beperking aan te brengen in de locatiemogelijkheden van een nieuw landgoed omwille van de bereikbaarheid van landgoederen en ter voorkoming van compartimentering van landbouwgebieden.

Het betoog faalt.

2.18. [appellante sub 6] en anderen kunnen zich niet verenigen met artikel 26, lid 26.1, van de planregels. Door dit artikel worden de opslagruimten bij de boerderij op het perceel [locatie 1] onder het overgangsrecht gebracht, nu deze opslagruimten op een afstand van minder dan 5 m van de as van de weg staan. Volgens [appellante sub 6] en anderen heeft de raad het belang van de verkeersveiligheid niet afgewogen tegen de belangen van [appellante sub 6] en anderen en is voorts niet gebleken dat de raad het voornemen heeft om de bestaande situatie binnen de planperiode met de gewenste situatie in overeenstemming te brengen.

2.18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk is dat hoge gebouwen dicht langs wegen worden gerealiseerd. Hij verwijst daarbij naar het "Handboek Wegontwerp wegen buiten de bebouwde kom" van het CROW, waarin met het oog op de ongevalskans van automobilisten die van de weg raken, een obstakelvrije zone wordt aanbevolen van ten minste 1,5 m, gemeten vanaf de binnenkant van de kantlijn. Volgens de raad wordt het bouwwerk van [appellante sub 6] en anderen hiermee onder het overgangsrecht gebracht.

2.18.2. Ingevolge artikel 26, lid 26.1, van de planregels mag of mogen, onverminderd het overigens in de regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, op en in de gronden die grenzen aan de gronden als bedoeld in artikel 12 ("Verkeer"), binnen een afstand van 5 m, loodrecht gemeten uit de as van de weg, uitsluitend bouwwerken tot een hoogte van 1 m worden gebouwd op een minimale afstand van 1,5 m van de rand van de rijbaan.

2.18.3. Niet in geschil is dat de door [appellante sub 6] en anderen bedoelde opslagruimten bij de boerderij op het perceel [locatie 1] op een afstand kleiner dan 5 m van de as van de weg staan. Met artikel 26, lid 26.1, van de planregels heeft de raad deze opslagruimten dan ook onder het bouwovergangsrecht van het plan gebracht. Gelet op de rechtszekerheid dienen bouwwerken die mogelijk zijn gemaakt met een onherroepelijke bouwvergunning in beginsel als zodanig te worden bestemd. Op dit uitgangspunt kan onder omstandigheden een uitzondering worden gemaakt. Daarbij moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk binnen de planperiode, omdat het overgangsrecht is bedoeld als overbrugging van een tijdelijke situatie. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat het niet de bedoeling is deze situatie binnen de planperiode in overeenstemming met artikel 26, lid 26.1, van de planregels te brengen. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de opslagruimten binnen de planperiode zullen verdwijnen, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt.

2.19. [appellante sub 6] en anderen betogen dat de agrarische bedrijven aan de Dorpeldijk ten onrechte in artikel 24, lid 24.1, van de planregels zijn uitgesloten van de mogelijkheid van functiewijziging, nu in dat artikel de eis wordt gesteld dat er een agrarische bedrijfsvoering is geweest. Deze eis is volgens [appellante sub 6] en anderen niet verenigbaar met het provinciale beleid zoals dat voortvloeit uit de Provinciale structuurvisie en het Raamplan Groengebied Utrecht West. Volgens [appellante sub 6] en anderen maken de regelgeving, waaronder de Natuurbeschermingswet, de Ecologische hoofdstructuur en de Randstadgroenstructuur het praktisch onmogelijk om de melkveehouderij op het perceel [locatie 2] op te starten en de stallen voor het melkvee en de geiten op de percelen [locatie 3] en 2a-III te gebruiken. Van de boerderijen op de twee laatstgenoemde percelen zou alleen de kwekerijtak in beperkte mate in gebruik kunnen worden genomen, aldus [appellante sub 6] en anderen.

2.19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de boerderijen van [appellante sub 6] en anderen aan de Dorpeldijk in beginsel zijn uitgesloten van de regeling met betrekking tot functieverandering, nu zij tot op heden nog niet in bedrijf zijn. Nu volgens de raad vanuit de gemeente alle medewerking is verleend om de agrarische bedrijven mogelijk te maken, dienen [appellante sub 6] en anderen volgens hem aan te tonen waarom het niet mogelijk is om een agrarisch bedrijf te starten.

2.19.2. Ingevolge artikel 24, lid 24.1, van de planregels, voor zover hier van belang is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, indien is komen vast te staan dat binnen een bouwvlak op gronden als bedoeld in artikel 3 ("Agrarisch") of in artikel 4 ("Agrarisch met waarden") geen agrarisch bedrijf meer is gevestigd, de bestemming binnen dat bouwvlak of dat bestemmingsvlak te wijzigen in een van de in dat artikellid genoemde bestemmingen, met inachtneming van de daarbij aangegeven bepalingen.

2.19.3. Uit de bewoordingen van artikel 24, lid 24.1, van de planregels kan worden afgeleid dat dit van toepassing is op gevallen waarin binnen een bouwvlak een agrarisch bedrijf gevestigd is geweest. Paragraaf 7.10 van de Provinciale structuurvisie, die onder meer betrekking heeft op functieverandering, ziet eveneens op gebouwen van agrarische bedrijven die beëindigd zijn, alsmede op niet-agrarische bebouwing die vrijkomt door bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat artikel 24, lid 24.1, in dit opzicht in overeenstemming is met het provinciale beleid zoals dat in de Provinciale structuurvisie is neergelegd. [appellante sub 6] en anderen hebben evenmin inzichtelijk gemaakt waarom de door hen bedoelde beperking in artikel 24, lid 24.1, van de planregels in strijd zou zijn met het provinciale beleid zoals dat is neergelegd in het Raamplan Groengebied Utrecht-West. Het betoog faalt.

2.20. [appellante sub 6] en anderen stellen dat aan de Bijleveld ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" is toegekend. De Bijleveld is gelegen nabij de bouwvlakken op de percelen [locatie 1] en Dorpeldijk 2a. Volgens [appellante sub 6] en anderen heeft de raad te kennen gegeven dat pas later duidelijk zal worden wat de bestemming voor de bedrijven van [appellante sub 6] en anderen zal betekenen. Volgens [appellante sub 6] en anderen ontstaat hierdoor een voor de bedrijfsvoering onzekere situatie.

2.20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Waarde-Ecologie" deel uitmaakt van het beleid over de Ecologische hoofdstructuur. De raad betoogt dat hij op dit punt het bestaande provinciale beleid in het plan heeft verwerkt. Ofschoon het kabinet te kennen heeft gegeven geen geld meer te investeren in de Ecologische hoofdstructuur, was dit voornemen ten tijde van het bestreden besluit nog niet in nieuw beleid vastgelegd.

2.20.2. Ingevolge artikel 17, lid 17.1, zijn de voor "Waarde-Ecologie" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor landschaps- en natuurwaarden en instandhouding daarvan:

a. in en langs bestaande watergangen en waterpartijen,

b. in en langs houtsingels, bosjes en bermen, en

c. op en langs dijken, wallen en ander bodemreliëf,

zodanig dat voor flora en fauna verbindingen kunnen ontstaan tussen natuur- en andere groengebieden.

2.20.3. In artikel 17 van de planregels zijn de regels met betrekking tot de bestemming "Waarde-Ecologie" opgenomen. In hetgeen [appellante sub 6] en anderen aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze planregels op enig punt onduidelijk zijn. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is in zoverre dan ook niet gebleken. De omstandigheid dat er ten tijde van het bestreden besluit onduidelijkheid bestond over de vraag of het Rijk financiële middelen ter beschikking zal blijven stellen voor de totstandkoming en instandhouding van de in artikel 17, lid 17.1, bedoelde landschaps- en natuurwaarden, kan evenmin tot het conclusie leiden dat er een voor [appellante sub 6] en anderen rechtsonzekere situatie ontstaat, nu die omstandigheid geen betrekking heeft op de door de toekenning van de bestemming van toepassing zijnde regels. Het betoog faalt.

2.21. Voor zover [appellante sub 6] en anderen betogen dat de uitvoerbaarheid van het plan, voor zover dat uitvoering geeft aan het Raamplan Groengebied, afhankelijk is gesteld van de vrijwillige verwerving van gronden en dus onzeker is, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 6] en anderen niet inzichtelijk hebben gemaakt welk plandeel om die reden niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

2.22. [appellante sub 6] en anderen betogen dat aan de voormalige boerderij op het perceel [locatie 1] ten onrechte niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - karakteristiek hoofdgebouw" is toegekend, terwijl dit bij de woning op het perceel [locatie 5] wel is gebeurd. Nu de panden allebei ongeveer 180 jaar geleden zijn gebouwd, is het door de raad gemaakte onderscheid niet terecht en ongerechtvaardigd, aldus [appellante sub 6] en anderen.

2.23. In het plan is aan de woning op het perceel [locatie 5] niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - karakteristiek hoofdgebouw" toegekend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat dit wel de bedoeling was, maar dat de raad deze aanduiding abusievelijk niet heeft toegekend. Ten aanzien van de door [appellante sub 6] en anderen gemaakte vergelijking met de woning op het perceel [locatie 5] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de woning op het perceel [locatie 5] een hoofdgebouw betreft, terwijl het bij het door [appellante sub 6] en anderen bedoelde gebouw op het perceel [locatie 1] om een bijgebouw gaat, en de raad enkel bij hoofdgebouwen een aanduiding heeft toegekend om de enkele reden dat het gebouw ouder dan 50 jaar is. In hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 6] en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Voorts is niet gebleken dat de raad de voormalige boerderij op het perceel [locatie 1] als cultuurhistorisch waardevol had moeten aanmerken en op grond daarvan de aanduiding "specifieke aanduiding - cultuurhistorisch waardevol bijgebouw" had moeten toekennen. Het betoog faalt.

2.24. In hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het niet toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kwekerij" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch", voor zover gelegen buiten het bouwvlak van het perceel [locatie 3], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De raad dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

In hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het artikel 26, lid 26.1, van de planregels betreft voor zover dat betrekking heeft op de opslagruimten op het perceel [locatie 1], is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante sub 6] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.25. [appellant sub 8] betoogt dat artikel 12, tweede lid, van de voorschriften van het ter plaatse van zijn perceel voorheen geldende plan "Buitengebied Harmelen 1971" de mogelijkheid kende van een binnenplanse vrijstelling voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Volgens [appellant sub 8] komt hij in een nadeliger positie te verkeren nu het plan deze mogelijkheid niet langer kent.

2.25.1. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Harmelen 1971" rustte op het perceel van [appellant sub 8] de bestemming "Agrarische doeleinden klasse D", welke bestemming bedoeld was voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Op deze bestemming was artikel 12 van de planvoorschriften van toepassing. Het door [appellant sub 8] genoemde artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften had dan ook enkel betrekking op de mogelijkheid vrijstelling te verlenen voor de bouw van een tweede bedrijfswoning ten behoeve van bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Het bedrijf van [appellant sub 8], een paardenhouderij, kan daartoe niet worden gerekend. Nu [appellant sub 8] onder het voorheen geldende plan derhalve ten behoeve van zijn bedrijf geen gebruik kon maken van de bedoelde mogelijkheid tot vrijstelling, komt hij door het plan, dat die mogelijkheid evenmin kent, niet in een nadeligere positie te verkeren. Het betoog faalt derhalve.

2.26. [appellant sub 8] kan zich voorts niet verenigen met de aanduiding "bedrijfswoning" ten zuiden van het perceel [locatie 6] ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 7]. Volgens [appellant sub 8] is niet duidelijk welke onderbouwing ten grondslag ligt aan het als zodanig bestemmen van een tweede bedrijfswoning voor dit bedrijf. Volgens [appellant sub 8] is het als zodanig bestemmen zowel in strijd met het conserverende karakter van het plan als met de toelichting op het plan, waarin is vermeld dat nieuwe tweede bedrijfswoningen bij glastuinbouwbedrijven in beginsel niet zijn toegestaan.

2.26.1. De raad stelt dat op 16 september 2009 een aanvraag is ingediend om een bouwvergunning te verlenen voor een tweede bedrijfswoning met bijgebouw voor het glastuinbouwbedrijf [locatie 7] op het perceel naast het perceel [locatie 6] en dat deze ontwikkeling, vooruitlopend op de afhandeling van de aanvraag, is meegenomen in het plan. Volgens de raad is een tweede bedrijfswoning nodig, gelet op de omvang van het noodzakelijke toezicht bij het bedrijf.

2.26.2. In het plan is een tweede bedrijfswoning ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 7] mogelijk gemaakt. De raad heeft zich voor de onderbouwing van de noodzaak van deze bedrijfswoning voor het bedrijf gebaseerd op een bedrijfsadvies van DLV Plant van 23 juli 2008 dat was gevoegd bij de hiervoor genoemde aanvraag om bouwvergunning voor een tweede bedrijfswoning. In dit advies is een onderbouwing gegeven voor de noodzaak van deze woning voor het bedrijf. In het advies wordt gewezen op de noodzaak van voldoende toezicht op de bedrijfsvoering, met name op het eigen energienetwerk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op grond hiervan niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat een tweede bedrijfswoning in dit geval noodzakelijk is. Dat het plan een conserverend karakter heeft, betekent niet dat in het plan in het geheel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk zouden mogen worden gemaakt. Het in de toelichting op het plan vermelde beleid van de raad om in beginsel geen nieuwe tweede bedrijfswoningen bij glastuinbouwbedrijven mogelijk te maken hoefde in dit geval evenmin in de weg te staan aan het voorzien in een tweede bedrijfswoning, nu de raad in dit geval gemotiveerd is afgeweken van dat beleid.

2.27. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 8] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.28. Ten aanzien van [appellant sub 1], Stitu en [appellant sub 8] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 2], LTO Noord, [appellant sub 5], [appellante sub 6] en anderen en SDG en anderen te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de stichting Stichting Verbetering Tuinbouwstructuur in de provincie Utrecht niet-ontvankelijk voor zover het het niet toekennen van de aanduiding "bedrijfswoning" aan hun gezamenlijke percelen betreft, en het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk voor zover het artikel 24, lid 24.1, onder c, van de planregels betreft;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 5] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SDG Paprika's B.V. en anderen geheel gegrond en de beroepen van de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord en [appellante sub 6] en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Woerden van 27 januari 2011, kenmerk 11R.00012, voor zover het betreft:

a. de vaststelling van artikel 24, lid 24.10, van de planregels;

b. de vaststelling van 26, lid 26.1, van de planregels, voor zover dat betrekking heeft op de opslagruimten op het perceel [locatie 1];

c. het niet toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kwekerij" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch", voor zover gelegen buiten het bouwvlak van het perceel [locatie 3];

IV. draagt de raad van de gemeente Woerden op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor onderdeel c onder III te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, de stichting Stichting Verbetering Tuinbouwstructuur in de provincie Utrecht, [appellante sub 6] en anderen en [appellant sub 8] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Woerden tot vergoeding van:

a. bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. bij de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. bij [appellante sub 6] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

e. bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SDG Paprika's B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Woerden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellante sub 2];

b. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord;

c. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 5];

d. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 6] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en

e. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SDG Paprika's B.V. en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

288.