Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
201101198/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het MOG-rapport blijkt dat de vreemdeling diverse littekens heeft. Volgens het MOG-rapport laat het litteken op de schedel zich slechts verklaren door geweld van buitenaf en is het litteken typerend voor de door de vreemdeling gerelateerde soort van mishandeling. Ook de psychische klachten van de vreemdeling zijn volgens het MOG-rapport typerend voor hetgeen hij stelt te hebben doorgemaakt. Ondersteunend zijn de als consistent met het relaas van de vreemdeling gevonden littekens van wonden die veroorzaakt zijn door (een klap met) een stomp voorwerp, aldus het MOG-rapport. In voormeld arrest van het EHRM kan geen steun worden gevonden voor het standpunt van de minister dat eerst indien en voor zover in een MOG-rapport de conclusie wordt getrokken dat het type trauma kenmerkend is, het MOG-rapport een ander licht op het relaas zou kunnen werpen. Nu de verklaringen van de vreemdeling over de door hem ondergane mishandelingen worden ondersteund door een medisch rapport, had de minister, in het licht van de onder 2.2.3. weergegeven jurisprudentie van het EHRM, dienen te beoordelen of dit medisch rapport een ander licht werpt op het asielrelaas. De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/412

Uitspraak

201101198/1/V4.

Datum uitspraak: 16 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 december 2010 in zaak nr. 09/41909 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ongegrond verklaard en voor zover dit betrekking heeft op de weigering om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie en Asiel (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel; hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In zijn zevende grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er, gelet op de inhoud van het rapport van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International van

18 november 2010 (hierna: het MOG-rapport), geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister naar aanleiding hiervan het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) om een advies zou moeten vragen. Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de vreemdeling, ten onrechte redengevend geacht dat het MOG-rapport geen ander licht werpt op zijn asielrelaas en dat niet een situatie aan de orde is dat uit de aanwezige littekens of anderszins uit de klachten van de vreemdeling volgt dat zijn relaas op waarheid berust.

Aldus heeft de rechtbank, zo betoogt de vreemdeling, niet onderkend dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), R.C. tegen Zweden, van 9 maart 2010,

nr. 41827/07 (JV 2010/147), rechtsoverweging 53, blijkt dat indien een medisch rapport een sterke aanwijzing geeft dat de littekens en verwondingen van de vreemdeling zijn veroorzaakt door mishandeling of marteling, het op de weg van het bestuursorgaan ligt om hier een nader onderzoek naar te verrichten. De rechtbank had derhalve dienen te beoordelen of het MOG-rapport een sterke aanwijzing vormt dat de littekens door mishandeling kunnen zijn ontstaan, ondanks het feit dat het asielrelaas volgens de rechtbank en de minister op enige punten twijfelachtige aspecten bevat, aldus de vreemdeling. Er zijn volgens de vreemdeling voldoende redenen om te oordelen dat het MOG-rapport een sterke aanwijzing vormt dat zijn littekens door mishandeling zouden kunnen zijn ontstaan, nu de arts die het onderzoek heeft verricht ten aanzien van één van de littekens concludeert dat dit typerend is voor de gestelde mishandeling en dat twee littekens daarmee consistent zijn. Daarnaast heeft de arts ten aanzien van de psychische klachten verklaard dat deze typerend zijn voor de gestelde gebeurtenissen. Nu de minister de conclusies van het MOG-rapport niet heeft bestreden, kon hij niet reeds op grond van het feit dat de littekens en psychische klachten geen sluitend bewijs vormen voor het relaas, de conclusies van het MOG-rapport terzijde schuiven, aldus de vreemdeling, zodat de rechtbank de minister hierin ten onrechte heeft gevolgd.

2.2.1. In het verweerschrift van 13 december 2010 heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het vragen van een advies aan het BMA geen meerwaarde heeft, nu er medisch gezien geen uitspraken kunnen worden gedaan over het oorzakelijk verband tussen de littekens en de gestelde mishandeling van de vreemdeling. De minister heeft daarbij benadrukt dat hij het relaas van de vreemdeling ongeloofwaardig heeft bevonden. Verder heeft de minister opgemerkt dat de littekens en psychische klachten slechts een ander licht op het relaas kunnen doen werpen indien uit het MOG-rapport zou blijken dat de littekens en psychische klachten kenmerkend zijn voor het type trauma. De minister acht daartoe redengevend dat nu de littekens en psychische klachten zijn aangeduid als typerend, dan wel consistent, maar niet als kenmerkend voor de gestelde mishandeling, er ruimte bestaat voor andere mogelijke oorzaken van de littekens.

2.2.2. De Afdeling begrijpt de uitspraak van de rechtbank aldus, dat de rechtbank het eerst in beroep overgelegde MOG-rapport heeft aangemerkt als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en dat het verweerschrift van de minister van 13 december 2010 is aangemerkt als schriftelijke reactie in de zin van het vijfde lid van voormeld artikel van de Vw 2000.

2.2.3. In rechtsoverweging 53 van voormeld arrest van het EHRM van

9 maart 2010 wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Firstly, the Court notes that the applicant initially produced a medical certificate before the Migration Board as evidence of his having been tortured (see paragraph 11). Although the certificate was not written by an expert specialising in the assessment of torture injuries, the Court considers that it, nevertheless, gave a rather strong indication to the authorities that the applicant's scars and injuries may have been caused by ill-treatment or torture. In such circumstances, it was for the Migration Board to dispel any doubts that might have persisted as to the cause of such scarring (see the last sentence of paragraph 50). In the Court's view, the Migration Board ought to have directed that an expert opinion be obtained as to the probable cause of the applicant's scars in circumstances where he had made out a prima facie case as to their origin. It did not do so and neither did the appellate courts. While the burden of proof, in principle, rests on the applicant, the Court disagrees with the Government's view that it was incumbent upon him to produce such expert opinion. In cases such as the present one, the State has a duty to ascertain all relevant facts, particularly in circumstances where there is a strong indication that an applicant's injuries may have been caused by torture. The Court notes that the forensic medical report submitted at its request has documented numerous scars on the applicant's body. Although some of them may have been caused by means other than by torture, the Court accepts the report's general conclusion that the injuries, to a large extent, are consistent with having been inflicted on the applicant by other persons and in the manner in which he described, thereby strongly indicating that he has been a victim of torture. The medical evidence thus corroborates the applicant's story."

2.2.4. In het MOG-rapport wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"4B Interpretatie bevindingen lichamelijk onderzoek Ten aanzien van litteken a)

K. zegt meermalen met een rubberen politieknuppel op zijn hoofd geslagen te zijn. Het ontbreken van haar duidt op een genezen wond. Het voelbare deukje in de schedel laat zich niet verklaren door per ongeluk ergens tegen aan te stoten, doch alleen door geweld van buiten af. Het is mogelijk dat er locaal sprake is geweest van een fractuurtje van de schedel. Dit litteken is typerend voor deze soort van mishandeling.

Ten aanzien van litteken b)

Hij vertelt met een metaal beslagen geweerkolf in zijn gezicht geslagen te zijn en daarbij heftig gebloed te hebben. Deze wond werd verzorgd in het ziekenhuis waar hij naar toegebracht werd nadat hij uit het politiebureau was vrijgekocht. Het is juist dat wonden in het gelaat heftig bloeden. De wond is veroorzaakt door een klap met een stomp voorwerp (in plaats van een scherp voorwerp). Het litteken is consistent met het door betrokkene vertelde. De wond is verwaarloosd en niet gehecht zoals te zien is aan het wijken van de wondranden. Deze wond past bij de geschiedenis zoals door hem verteld.

Ten aanzien van litteken c)

Hij vertelt langdurig met een rubberen politieknuppel geslagen te zijn over zijn gehele lichaam. Er is sprake van een wond die veroorzaakt is door een stomp voorwerp. Het litteken is consistent met het door betrokkene vertelde."

(…)

"5B Interpretatie bevindingen psychiatrisch onderzoek

In het verhaal van K. zijn vier afzonderlijke traumatische gebeurtenissen te onderscheiden:

1) Het wegvoeren van zijn broer door de LTTE [Liberation Tigers of Tamil Eelam]. Zijn eigen detentie door de LTTE en de dreiging van gedwongen rekrutering. Het afscheid van zijn moeder en de vlucht naar Colombo.

2) De fysieke mishandelingen en doodsbedreigingen door de politie in Colombo.

3) Het seksuele misbruik door medegevangenen in Colombo.

4) Het ondergedoken zijn in Negambo, het afscheid van zijn vader en de vlucht naar een hem volkomen onbekend land. De angst om teruggestuurd te worden."

(…)

"Zijn [psychische] klachten zijn typerend voor wat hij doorgemaakt heeft."

(…)

"7 Samenvatting en conclusie

Wat betreft de vraag of de littekens zijn voortgekomen uit de gestelde asielmotieven valt op te merken dat één litteken typerend is en een tweetal littekens passend is bij de gebeurtenissen.

Wat betreft de vraag of de psychische klachten zijn voortgekomen uit de gestelde asielmotieven valt op te merken dat deze typerend zijn voor de gebeurtenissen.

Zijn symptomen en klachten voldoen aan de DSM-IV criteria van een chronische Post Traumatische Stress Stoornis."

2.2.5. Uit het MOG-rapport blijkt dat de vreemdeling diverse littekens heeft. Volgens het MOG-rapport laat het litteken op de schedel zich slechts verklaren door geweld van buitenaf en is het litteken typerend voor de door de vreemdeling gerelateerde soort van mishandeling. Ook de psychische klachten van de vreemdeling zijn volgens het MOG-rapport typerend voor hetgeen hij stelt te hebben doorgemaakt. Ondersteunend zijn de als consistent met het relaas van de vreemdeling gevonden littekens van wonden die veroorzaakt zijn door (een klap met) een stomp voorwerp, aldus het MOG-rapport. In voormeld arrest van het EHRM kan geen steun worden gevonden voor het standpunt van de minister dat eerst indien en voor zover in een MOG-rapport de conclusie wordt getrokken dat het type trauma kenmerkend is, het MOG-rapport een ander licht op het relaas zou kunnen werpen. Nu de verklaringen van de vreemdeling over de door hem ondergane mishandelingen worden ondersteund door een medisch rapport, had de minister, in het licht van de onder 2.2.3. weergegeven jurisprudentie van het EHRM, dienen te beoordelen of dit medisch rapport een ander licht werpt op het asielrelaas. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is reeds daarom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2009 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.4. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 december 2010 in zaak

nr. 09/41909;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 19 oktober 2009, kenmerk 0811.12.1151;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het totale bedrag dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Graat

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2012

307-719.

Verzonden: 16 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser