Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
201106843/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2011 in zaak nr. 200907394/1/V2 (LJN: BP7081) volgt dat een besluit waarbij een aanvraag van een vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, wordt afgewezen van gelijke strekking is als een eerder besluit waarbij een aan die vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingetrokken, omdat beide besluiten strekken tot het onthouden aan die vreemdeling van die verblijfsvergunning. Om diezelfde reden is een besluit, waarbij een aan een vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens art. 32, lid 1 Vw 2000 wordt ingetrokken, van gelijke strekking als een aan die verblijfsvergunning voorafgaand besluit, waarbij een eerdere aanvraag van die vreemdeling tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen. Voor zover het besluit tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning strekt tot het onthouden van een verblijfsvergunning op een andere grond, als bedoeld in art. 29, lid 1 Vw 2000, danwel om een ander asielmotief, dan die op grond waarvan de ingetrokken verblijfsvergunning was verleend, kan het slechts door de bestuursrechter worden getoetst, indien en voor zover dienaangaand nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/411

Uitspraak

201106843/1/V1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 mei 2011 in zaak nr. 10/15571 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2010 heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

2.3. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.4. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.5. Bij besluiten van 24 maart 2006 en 29 mei 2006 heeft de minister aanvragen van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 maart 2008 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling van 18 juli 2007 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen (hierna: de opvolgende aanvraag), ingewilligd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Bij besluit van 7 april 2010 heeft de minister die verblijfsvergunning krachtens artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ingetrokken.

2.6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2011 in zaak nr. 200907394/1/V2 (www.raadvanstate.nl) volgt dat een besluit waarbij een aanvraag van een vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, wordt afgewezen van gelijke strekking is als een eerder besluit waarbij een aan die vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingetrokken, omdat beide besluiten strekken tot het onthouden aan die vreemdeling van die verblijfsvergunning. Om diezelfde reden is een besluit, waarbij een aan een vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens artikel 32, eerste lid, van de Vw 2000 wordt ingetrokken, van gelijke strekking als een aan die verblijfsvergunning voorafgaand besluit, waarbij een eerdere aanvraag van die vreemdeling tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen. Voor zover het besluit tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning strekt tot het onthouden van een verblijfsvergunning op een andere grond, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, danwel om een ander asielmotief, dan die op grond waarvan de ingetrokken verblijfsvergunning was verleend, kan het slechts door de bestuursrechter worden getoetst, indien en voor zover dienaangaand nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan.

2.7. Het besluit van 7 april 2010 is van gelijke strekking als de besluiten van 24 maart 2006 en 29 mei 2006, zodat het in 2.3 en 2.6 weergegeven beoordelingskader daarop van toepassing is. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.8. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grief behoeft derhalve geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

2.9. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling een op zijn naam gestelde nationaliteitsverklaring en rijbewijs ten grondslag gelegd.

2.9.1. Deze documenten zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee in een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces verbaal van 18 juli 2007 hebben vastgesteld dat die documenten zijn vervalst en de vreemdeling deze vaststelling niet heeft weerlegd.

2.10. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling voorts een op naam van zijn vader gesteld identiteitsbewijs en een ten behoeve van hem op 23 augustus 2007 afgegeven woonplaatsverklaring ten grondslag gelegd. Volgens de door de vreemdeling bij brief van 29 oktober 2007 overgelegde vertaling van voormeld identiteitsbewijs is de datum van opstelling van dat identiteitsbewijs onduidelijk. Een afgiftedatum is in die vertaling voorts niet vermeld.

2.10.1. Deze documenten zijn evenmin nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat niet valt in te zien dat de vreemdeling het identiteitsbewijs en een woonplaatsverklaring niet eerder had kunnen en derhalve had moeten overleggen.

2.11. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling voorts een op 1 juli 2004 door Kellogg Brown & Root afgegeven verklaring, een ongedateerde door de Coalition Provisional Authority North afgegeven verklaring en meerdere foto's ten grondslag gelegd.

2.11.1. Deze verklaringen en foto's zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat de vreemdeling die ook aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.

2.12. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling voorts paragraaf 3.4.9 "Werknemers van de coalitie, de regering, internationale organisaties, ambassades en militairen" van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van mei 2009 (hierna: het ambtsbericht) en hoofdstuk VIII, onder E "Iraqis affiliated with the MNF 1 or foreign companies" van het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) "UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers" van april 2009 (hierna: het UNHCR rapport) ten grondslag gelegd en betoogd dat zijn asielrelaas in het licht daarvan opnieuw moet worden beoordeeld.

2.12.1. Hetgeen de vreemdeling aldus heeft aangevoerd over de algemene veiligheidssituatie in Irak voor de groep van personen waartoe hij stelt te behoren, rechtvaardigt geen hernieuwde rechterlijke toetsing, omdat op voorhand is uitgesloten dat dit aan de besluiten van 24 maart 2006 en 29 mei 2006 kan afdoen. Hiertoe is reeds redengevend dat de minister zich in het besluit van 29 mei 2006 op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en de vreemdeling aan de opvolgende aanvraag geen op zijn individuele asielrelaas betrekking hebbende nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.

2.13. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling voorts het in paragraaf 3.5 van Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV), nr. 2009/26, Stcrt. 2009, nr. 17843, neergelegde en op 27 november 2009 inwerking getreden beleid ten grondslag gelegd.

2.13.1. Volgens dit beleid, voor zover thans van belang, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel worden verleend, indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt vanwege zijn werkzaamheden voor buitenlandse bedrijven of de Multi National Forces in Irak een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling te hebben, waartegen geen bescherming kan worden geboden.

2.13.2. Hetgeen de vreemdeling aldus aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd, is geen wijziging van het recht, omdat dit beleid, voor zover thans van belang, niet wezenlijk verschilt van het in paragraaf 5.5 van WBV, nr. 2006/10, Stcrt. 22 februari 2006, nr. 38, neergelegde beleid dat op 24 februari 2006 in werking is getreden en gold ten tijde van de besluiten van 24 maart 2006 en 29 mei 2006.

2.14. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling voorts ten grondslag gelegd dat de algemene situatie in Irak, in het bijzonder de provincie Nineveh, zodanig is verslechterd dat zich een uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn). Thans is de uitzonderlijke situatie, beschreven in voormeld artikel van de richtlijn, uitdrukkelijk opgenomen in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000. Hiertoe heeft de vreemdeling verwezen naar:

- het ambtsbericht;

- het UNHCR rapport;

- een "briefing note" van de UNHCR van 11 december 2009 waarin is vermeld dat, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, het UNHCR rapport nog steeds van toepassing is;

- het rapport "Iraq - civilians under fire" van Amnesty International van april 2010 waarin in hoofdstuk 1 is vermeld dat: "This report focuses on civilians who are particularly at risk of attack because of their human rights or professional work; their political activities; their identity, gender or sexual orientation; or their plight as displaced people.";

- een artikel uit NRC Handelsblad van 6 april 2010 getiteld "Reeks aanslagen treft Iraakse hoofdstad"; en,

- de "Note on the Continued Applicability of the April 2009 UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-Seekers" van de UNHCR van juli 2010 (hierna: de UNHCR notitie).

2.14.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2010 in zaak nr. 201000956/1/V2 (www.raadvanstate.nl) volgt dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 uitsluitend bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat iedere burger louter door zijn aanwezigheid in het desbetreffende land of gebied een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde ernstige schade.

2.14.2. Hetgeen de vreemdeling aldus aan de opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd, rechtvaardigt geen hernieuwde rechterlijke toetsing, omdat op voorhand is uitgesloten dat dit aan de besluiten van 24 maart 2006 en 29 mei 2006 kan afdoen. Hiertoe is redengevend dat voormeld artikel uit NRC Handelsblad alleen betrekking heeft op de situatie in Bagdad, voormeld rapport van Amnesty International niet ziet op de risico's die iedere burger in Irak louter door zijn aanwezigheid aldaar loopt, en uit de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2011 in zaak nr. 201010155/1/V2 (www.raadvanstate.nl) volgt dat uit het ambtsbericht noch uit het UNHCR rapport en de UNHCR notitie kan worden afgeleid dat zich in Irak, in het bijzonder in de provincie Nineveh, een uitzonderlijke situatie als voormeld heeft voorgedaan.

2.15. Gezien het in 2.6 weergegeven beoordelingskader heeft de rechtbank het besluit van 7 april 2010 terecht getoetst aan de door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden tegen de toepassing van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 vanwege de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor personen uit Irak bij WBV, nr. 2008/28, Stcrt. 2008, nr. 771. Het dienaangaande door de rechtbank gegeven oordeel dat de minister dat categoriaal beschermingsbeleid in redelijkheid heeft kunnen beëindigen, is in hoger beroep niet bestreden, zodat thans van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan.

2.16. Het beroep is ongegrond.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 mei 2011 in zaak nr. 10/15571;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2012

412-610.

Verzonden: 13 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser