Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201109723/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdig gebruik (het uitoefenen van een tweede bedrijf) op het perceel [locatie] te Lonneker (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109723/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 juli 2011 in zaak nr. 10/607 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdig gebruik (het uitoefenen van een tweede bedrijf) op het perceel [locatie] te Lonneker (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard onder handhaving van het besluit van 22 juli 2004.

Bij tussenuitspraak van 22 december 2010, verzonden op 23 december 2010, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de gebreken aan het besluit van 27 april 2010 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 19 januari 2011, verzonden op 20 januari 2011, heeft de rechtbank de termijn voor het herstellen van de geconstateerde gebreken met vier weken verlengd tot tien weken na verzending van de eerste tussenuitspraak op 23 december 2010. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2011 heeft het college het besluit van 27 april 2010 van een nadere motivering voorzien.

Bij uitspraak van 20 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 27 april 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 22 juli 2004 herroepen vanaf het moment dat [appellant] zijn koeien van het perceel heeft verwijderd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 oktober 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.G. Nuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" (hierna: het bestemmingsplan), voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch Gebied met landschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 1.3 van de planvoorschriften wordt, voor zover hier van belang, onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 8.1.1. zijn de op de plankaart voor agrarisch gebied met landschappelijke waarden aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf en voor het behoud en het herstel van de aanwezige landschappelijke waarden.

Ingevolge artikel 8.2.1. is bebouwing uitsluitend toegestaan ten dienste van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 8.2.4., voor zover hier van belang, is per bouwperceel slechts één bedrijf als bedoeld in artikel 8.2.1. toegestaan.

Ingevolge artikel 51.1. is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken voor een doel of op een wijze, strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de door hem op het perceel uitgeoefende agrarische activiteiten, nu [persoon] geen reëel agrarisch bedrijf op het perceel exploiteert. Hiertoe voert hij aan dat [persoon] onvoldoende inkomsten genereert om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en dat derhalve geen reëel agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. Tevens voert hij aan dat niet vast staat dat [persoon] in 2004 de intentie had om een reëel agrarisch bedrijf te exploiteren. Dat [persoon] is geboren en getogen op het perceel en het boerenbedrijf in 1991 van zijn vader heeft overgenomen, betekent nog niet dat [persoon] ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 de intentie had om een reëel agrarisch bedrijf te exploiteren, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat er geen bewijs is overgelegd voor de stelling dat [persoon] een dagvullende taak heeft aan zijn werkzaamheden. Het ontbreken van deugdelijk materieel geeft aan dat er hobbymatig wordt geboerd en dat ook hieruit geen intentie blijkt om bedrijfsmatig bezig te zijn, aldus [appellant]. Verder voert hij aan dat het grondareaal ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 slechts 1,25 hectare bedroeg en dat, ook gelet hierop, niet kan worden gesproken van een reëel agrarisch bedrijf. Dat [persoon] ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 elf hectare grond pachtte, staat niet vast. Ook indien daarvan wel sprake was, zal moeten worden aangetoond dat [persoon] deze grond daadwerkelijk voor zijn agrarisch bedrijf gebruikte, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat onvoldoende is onderbouwd dat [persoon] ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 34 stuks vleesvee had. De huisvesting voor deze 34 dieren was hiervoor niet toereikend en de meitellingen zijn niet getoetst, maar eenzijdig ingevuld door [persoon], aldus [appellant].

2.2.1. Vast staat dat [persoon] ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 inkomsten verwierf met zijn bedrijfsactiviteiten. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 18 februari 2009 in zaak nr. 200803727/1), dat de omstandigheid dat met de activiteiten geen volwaardig inkomen wordt gegenereerd op zichzelf onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat geen sprake is van activiteiten met een bedrijfsmatig karakter. Het al dan niet hebben van een winstoogmerk vormt geen doorslaggevend aspect. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat ondanks dat onduidelijk is hoe hoog de inkomsten zijn, dit niet betekent dat de activiteiten van [persoon] geen bedrijfsmatig karakter hebben.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, nu [persoon] het boerenbedrijf van zijn vader heeft overgenomen, een kleine tijd als bedrijfsleider in dienst is geweest bij [appellant] en na beëindiging van dat dienstverband zijn eigen bedrijfsvoering op het perceel weer ter hand heeft genomen, [persoon] de intentie had om bedrijfsmatig bezig te zijn binnen de veehouderij.

Gelet op de meitellingen over 2004, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 het grondareaal elf hectare bedroeg en de veebezetting 34 stuks vleesvee bedroeg. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid mocht uitgaan deze gegevens. [appellant] heeft geen stukken overlegd waaruit volgt dat deze tellingen onjuist zijn. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit deze omvang volgt dat [persoon] een dagvullende taak aan zijn bedrijf had. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon] ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 een grondgebonden agrarisch bedrijf, als bedoeld in de planvoorschriften, exploiteerde. Dat de raad, zoals het college ter zitting van de rechtbank heeft gesteld, het bedrijf van [persoon] in een nieuw bestemmingsplan positief zal bestemmen, is, zoals [appellant] terecht betoogt, geen omstandigheid die relevant is voor de vraag of ten tijde van het besluit van 22 juli 2004 sprake was van een agrarisch bedrijf. De rechtbank heeft aan deze omstandigheid dan ook terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

531-736.