Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201105847/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fokbedrijf Zeeland B.V. (hierna: Zeeland) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fokvarkenshouderij aan de Schuifelenberg 19 te Zeeland. Dit besluit is op 30 april 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/832

Uitspraak

201105847/1/A4.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zeeland, gemeente Landerd,

en

het college van burgemeester en wethouders van Landerd,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fokbedrijf Zeeland B.V. (hierna: Zeeland) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fokvarkenshouderij aan de Schuifelenberg 19 te Zeeland. Dit besluit is op 30 april 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2011, beroep ingesteld. Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, 6 juni 2011, 8 juni 2011, 28 juni 2011, 24 augustus 2011, 7 september 2011 en 15 september 2011, heeft [appellant] zijn beroep nader gemotiveerd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C.H.J. Cranen, werkzaam bij de gemeente Landerd, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in art. 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgrond over de passendheid van het bouwplan binnen het bouwblok ingetrokken.

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte een deel van de door hem ingediende zienswijzen, opgenomen in brieven van 2 februari 2011, 4 februari 2011, 9 februari 2011, 17 februari 2011, 23 februari 2011, 1 maart 2011, 25 maart 2011, 8 april 2011 en 15 april 2011, niet-ontvankelijk heeft geacht. Deze zienswijzen moeten naar hij stelt als aanvullingen op eerder ingebrachte zienswijzen worden gezien en om die reden worden betrokken bij het nemen van het besluit.

2.4. In het bestreden besluit staat vermeld dat niet tijdig ingediende zienswijzen buiten behandeling worden gelaten. Verder wordt daarin echter ook geconstateerd dat de brieven van [appellant], ingekomen bij het college vanaf 2 februari 2011, een nadere motivering bevatten van gedurende de termijn voor het inbrengen van zienswijzen, ingebrachte zienswijzen. Onder het kopje 'beslissing' in het bestreden besluit staat niet vermeld dat bepaalde zienswijzen buiten beschouwing zijn gelaten.

Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat het college, zoals het ter zitting ook heeft bevestigd, de inhoud van de door [appellant] bedoelde brieven bij zijn besluit heeft betrokken. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat het college zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de activiteiten waarvoor vergunning is aangevraagd geen milieu-effectrapport behoefde te worden gemaakt.

2.5.1. Vaststaat dat de uitbreiding van de inrichting met 816 zeugen, mer-beoordelingsplichtig is ingevolge bijlage D bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Op 12 mei 2010 heeft het college van Zeeland een aanmeldingsnotitie ontvangen, waarin het voornemen tot uitbreiding van de inrichting kenbaar is gemaakt. Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het college besloten dat voor de voorziene uitbreiding het opstellen van een milieu-effectrapport niet nodig is. Het college heeft zich blijkens dit besluit, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die ertoe nopen dat voor de aangevraagde activiteiten een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Nu [appellant] heeft gesteld dat een dergelijk rapport wel moest worden opgesteld, maar dit standpunt niet heeft gemotiveerd, bestaat in hetgeen hij heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een milieu-effectrapport niet moest worden gemaakt.

Het betoog faalt.

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.7. [appellant] betoogt dat het college zijn woning aan de [locatie] ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de geurbelasting vanwege de inrichting. Daartoe voert [appellant] aan dat het een burgerwoning betreft die niet tot de inrichting van Zeeland behoort. In dit verband heeft [appellant] ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2009, in zaak nr. 200800903/1.

Daarnaast stelt hij dat het college in het verleden zijn woning wel bescherming tegen geurhinder heeft geboden, aangezien toen in verband met de ligging van zijn woning in de stankcirkel van het bedrijf een stal moest worden gesloten.

Voorts betoogt [appellant] dat het college heeft miskend dat de woning ligt in het gebied dat bestreken wordt door het bestemmingsplan "Log Graspeel".

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de woning van [appellant] in het ter plaatse geldende bestemmingsplan is bestemd tot agrarische bedrijfswoning, planologisch gezien derhalve bij de varkenshouderij behoort, zodat aan de woning geen bescherming tegen geurhinder toekomt.

2.7.2. Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie] een geurgevoelig object is zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). Op grond van de stukken wordt vastgesteld dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan anders dan [appellant] veronderstelt het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" is. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel, waarop de woning ligt, de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden - A" met als nadere aanduiding 'niet grondgebonden'. De woning aan de [locatie] is derhalve bestemd als agrarische bedrijfswoning en behoort planologisch gezien nog steeds bij de inrichting.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1) brengt een redelijke wetsuitleg mee - anders dan in de uitspraak van 28 januari 2009, in zaak nr. 200800903/1 is gedaan - dat bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning.

Nu de woning van [appellant] onderdeel uitmaakt van de inrichting, komt daaraan geen bescherming toe tegen geurhinder, afkomstig van die inrichting. Het college heeft de woning [locatie] terecht niet betrokken bij de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat zich op de Schuifelenberg slechts beperkte verkeersbewegingen voordoen en dat niets wordt overwogen over het verkeer op andere nabij de inrichting gelegen wegen. Hij acht dit uitgangspunt onjuist omdat de gemeente op de Schuifelenberg wel verkeersdrempels en verlichting nodig heeft geacht.

2.8.1. Het college heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verkeershinder en verkeersveiligheid aspecten zijn die primair geregeld worden in de wegenverkeerswetgeving en dat, gelet op de beperkte verkeersbewegingen op de Schuifelenberg, geen aanleiding bestaat om vanwege onveilige verkeerssituaties de vergunning te weigeren dan wel aanvullende voorschriften daaraan te verbinden.

2.8.2. Het belang van de verkeersveiligheid vindt bescherming in de Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving en kan geen rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag om milieuvergunning. De beroepsgrond kan, zelfs al zou het college in dit opzicht zijn uitgegaan van minder verkeersbewegingen op de Schuifelenberg dan zich in werkelijkheid voordoen, geen aanleiding vormen voor vernietiging van het besluit, aangezien het aspect van verkeersveiligheid geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant] vreest hinder van ongedierte. Hij voert hiertoe aan dat bij inrichtingen als de onderhavige vaak ratten aanwezig zijn en dat deze dieren ziekten verspreiden.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften hinder door ongedierte in voldoende mate wordt beperkt.

2.9.2. In voorschrift 1.1.3 is bepaald dat het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.

In voorschrift 6.1.2, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bewaren van dierlijk afval zodanig moet geschieden dat het aantrekken van ongedierte wordt voorkomen.

In voorschrift 6.1.4 is bepaald dat wanneer in de stallen dan wel op of bij het erf ongedierte (zoals ratten, muizen of insecten) voorkomt, doelmatige bestrijdingsmaatregelen moeten worden getroffen.

2.9.3. De Afdeling stelt vast dat met deze voorschriften hinder door ongedierte wordt beperkt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van hinder door ongedierte.

De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant] vreest vanwege het in werking zijn van de inrichting gevolgen voor de volksgezondheid vanwege mogelijke verspreiding van besmettelijke dierziekten. Hij wijst daarbij op bestaande dierziekten en het uitbreken van dierziekten in Nederland. Volgens [appellant] is het, blijkens een televisieprogramma, ook de opvatting van deskundigen dat ziekten voortkomen uit de aanwezigheid van grote groepen mensen en dieren.

2.10.1. Het college heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat onvoldoende bekend is over de risico's van bij veehouderijen voorkomende dierziekten voor de gezondheid van omwonenden. Daarover vindt momenteel landelijk onderzoek plaats.

Wat daarvan ook zij, volgens het college kan het toepassen van chemische luchtwassers binnen de inrichting als een maatregel worden gezien ter beperking van de verspreiding van dierziekten en van gezondheidsrisico's voor de mens.

2.10.2. Indien door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's gelet op

artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

Het college heeft ter zitting gesteld dat alle varkens binnen de inrichting inpandig worden gehouden en dat binnen de inrichting strikte hygiënemaatregelen gelden. Voorts zijn er voorschriften aan de vergunning verbonden die de hygiëne bevorderen. Zo is ter zitting gebleken dat binnen de inrichting een hygiënesluis aanwezig is, personeel en bezoekers worden verplicht te douchen voordat zij de stal betreden en nadat zij de stal verlaten en dienen personeel en bezoekers gebruik te maken van kleding en schoenen van het bedrijf. Daarnaast is van belang dat luchtwassers zijn voorzien.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in werking zijn van de inrichting zodanige risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] niet heeft gewezen op algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten waaruit een andere conclusie voortvloeit. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de risico's voor de volksgezondheid geen aanleiding geven om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden dan wel de vergunning te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

2.11. Voor zover [appellant] betoogt dat in het besluit ten onrechte niet is ingegaan op zijn stellingen betreffende de door het in werking zijn van de inrichting veroorzaakte licht-, zicht- en geluidhinder, mist zijn betoog feitelijke grondslag. Het college heeft in het besluit overwegingen over licht-, zicht- en geluidhinder opgenomen. Het betoog faalt.

2.12. [appellant] betoogt voorts nog dat het college in het besluit ten onrechte niet is ingegaan op de aspecten flora, de gevolgen van verstening voor de grondwaterstand, wateroverlast, explosiegevaar, het gebruik van zwavelzuur in chemische luchtwassers, overstroming door gier, ammoniak, stofhinder en de ondeugdelijke plattegrond.

Voorts betoogt [appellant] dat zijn woning ten onrechte geen bescherming geniet tegen stofhinder en ammoniak.

2.12.1. In het bestreden besluit heeft het college overwegingen opgenomen aan de te onderscheiden vormen van door de inrichting mogelijk veroorzaakte hinder waarop de door [appellant] genoemde aspecten zien. Hiermee is op toereikende wijze ingegaan op de zienswijzen.

[appellant] heeft niet concreet gesteld waarom de door het college gemaakte beoordeling ten aanzien van stofhinder en ammoniak niet juist zou zijn. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat deze beoordeling van de gevolgen van de verandering van de varkenshouderij wat betreft de ammoniakemissie en -depositie en stofhinder onvoldoende is.

Het betoog faalt.

2.13. Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

163-738.