Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5286

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201105609/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Terap Holding B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij gelegen aan de Kampersweg 10B te Ospel. Dit besluit is op 8 april 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105609/1/A4.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ospel, gemeente Nederweert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Terap Holding B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij gelegen aan de Kampersweg 10B te Ospel. Dit besluit is op 8 april 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door S.G.T. Jacobs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Terap Holding, vertegenwoordigd door V.M.C.M. Leppers, werkzaam bij Bergs Advies B.V., als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. Anders dan [appellant] en anderen betogen is hierbij niet bepalend vanaf welk tijdstip de aanvraag, door aanvulling van vereiste gegevens, in behandeling kan worden genomen. De tekst van artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo geeft daarvoor geen aanleiding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 7 april 2009 is vergunning verleend voor het houden van 2.032 legkippen in stal 3, 16.236 legkippen in stal 4 en 24.147 legkippen in stal 5. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 44.950 legkippen in stal 3, 16.236 legkippen in stal 4 en 24.147 legkippen in stal 5 en het vervangen van een stal met grondhuisvesting door een nieuwe stal met volièresysteem en droogtunnel.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Ter zitting hebben [appellant] en anderen de beroepsgrond ten aanzien van de geluidsisolerende waarde van de gevels van omliggende woningen ingetrokken.

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat in de kennisgeving van het besluit in het huis-aan-huisblad ten onrechte is vermeld dat het besluit niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. Zij wijzen in dit verband op het toegevoegde voorschrift tot het aanbrengen van beplanting.

2.5.1. Nog daargelaten dat niet aannemelijk is dat derden door de toevoeging van dit voorschrift zijn benadeeld, kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 mei 2005 in zaak nr. 200408657/1), een onregelmatigheid in de kennisgeving van een besluit geen grond voor vernietiging van dat besluit zijn, aangezien niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid aan het besluit kan komen te ontvallen. Het betoog van [appellant] en anderen, wat daar ook van zij, leidt derhalve niet tot het door hen beoogde doel.

2.6. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat op het aanvraagformulier de reden voor het veranderen van de inrichting ontbreekt. De in de toelichting bij de aanvraag in dit verband aangevoerde continuïteit van het bedrijf achten [appellant] en anderen geen relevant belang, nu het bedrijf elders een hoofdlocatie heeft. Volgens [appellant] en anderen is in de aanvraag bovendien ten onrechte vermeld dat geen mestbewerking plaatsvindt.

2.6.1. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. De in de toelichting vermelde reden voor de vergunningaanvraag is, wat daar ook van zij, niet bepalend voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend. Voorts heeft het college in de beantwoording van de zienswijzen onweersproken gesteld dat de toegepaste droogtunnel met oppervlaktedroging onderdeel uitmaakt van het stalsysteem van stal 3 en daarom niet als aparte mestbewerking kan worden beschouwd.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] en anderen betogen verder dat het college de gevraagde vergunning had moeten weigeren wegens strijd met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Nederweert" (hierna: het bestemmingsplan). Zij stellen in dit verband dat de pluimveehouderij in het bestemmingsplan en op grond van de Reconstructiewet als knelsituatie is aangemerkt en ruimtelijk ongewenst is. Daarnaast omvat de inrichting volgens [appellant] en anderen mede een erfverharding die het in het bestemmingsplan bepaalde bouwblok overschrijdt en verzet voorts de in het bestemmingsplan opgenomen "beste-locatiemethode" zich volgens hen tegen vergroting van de pluimveehouderij. Verder is op grond van het bestemmingsplan een inpassingsplan vereist, aldus [appellant] en anderen.

2.7.1. Het krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer weigeren van een milieuvergunning betreft een bevoegdheid en geen verplichting. Hierbij komt aan het college beleidsvrijheid toe.

Het college heeft te kennen gegeven dat, voor zover door verlening van de vergunning strijd met het bestemmingsplan ontstaat, het voornemens is om planologische medewerking te verlenen, zodat er in de toekomst geen strijd met het bestemmingsplan zal zijn. Er is geen grond voor het oordeel dat het college met deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden.

Het betoog faalt.

2.8. Volgens [appellant] en anderen is het geluidsonderzoek gebaseerd op onvolledige invoergegevens, nu het aan- en afrijden van vrachtwagens met voer en het vullen van de silo's daarbij niet volledig zijn betrokken. Volgens [appellant] en anderen is het college er ten onrechte vanuit gegaan dat de silo's gedurende een uur per week worden gevuld hoewel dit in werkelijkheid gedurende drie uren per week plaatsvindt. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat het college ten onrechte geen scherm of wal heeft voorgeschreven ter beperking van geluidhinder als gevolg van het vullen van voersilo's, dat volgens hen soms al voorafgaand aan de dagperiode plaatsvindt.

2.8.1. In het van de aanvraag deel uitmakende en aan het bestreden besluit ten grondslag liggende "Akoestisch onderzoek Industrielawaai" van M&A Milieuadviesbureau B.V. van 8 december 2010 (hierna: het akoestisch rapport) is een beoordeling gemaakt van de geluidbelasting vanwege de inrichting. Hierin is, voor zover hier van belang, geconcludeerd dat in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de omliggende woningen wordt voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau. Bij het vullen van de voersilo's bedraagt het langtijdgemiddelde geluidniveau op de gevels van enkele omliggende woningen echter meer dan 40 dB(A), waarmee het langtijdgemiddelde geluidsniveau in de dagperiode wordt overschreden. Het vullen vindt één keer per week plaats in de dagperiode en geschiedt met drie vrachtwagens, waarbij het vullen per vrachtwagen één uur duurt.

2.8.2. [appellant] en anderen hebben hun stelling dat het akoestische onderzoek is gebaseerd op onvolledige invoergegevens niet aannemelijk gemaakt. Uit het akoestisch rapport blijkt genoegzaam dat de door hen in dit verband genoemde vrachtwagenbewegingen en het vullen van de silo's in het akoestisch onderzoek zijn betrokken. Niet is gebleken dat het college in dit verband is uitgegaan van een onjuiste tijdsduur van het vullen van de silo's. Anders dan [appellant] betoogt volgt uit het akoestisch rapport niet dat moet worden uitgegaan van een tijdsduur van drie uren per week.

2.8.3. Het college heeft bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (hierna: de Handreiking) gehanteerd. In paragraaf 5.3 van de Handreiking is vermeld dat voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie met een beperkte frequentie, maar vaker dan 12 maal per jaar, met een bestuurlijke afweging een hogere geluidemissie kan worden toegestaan dan de geluidbelasting die optreedt in de representatieve bedrijfssituatie.

Het college heeft het vullen van de voedersilo's aangemerkt als regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. Niet is gebleken dat het daarbij van een van het akoestische rapport afwijkende duur is uitgegaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een scherm of wal, waarmee aan de streefwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau kan worden voldaan, redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Daartoe heeft het de kosten die daaraan zijn verbonden van circa € 90.000, vermeerderd met kosten voor een adequate planologische inpassing, mede gelet op de beperkte frequentie en duur van het vullen van de voedersilo's, onevenredig geacht. Gelet op die motivering heeft het college er in redelijkheid van kunnen afzien het plaatsen van een scherm of wal voor te schrijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet van belang is of, zoals [appellant] en anderen stellen, Terap Holding reeds eerder een ophoging en aarden wal heeft gerealiseerd en beplanting heeft verwijderd zonder te voorzien in enige compenserende beplanting.

2.8.4. Voor zover het vullen van de voersilo's feitelijk buiten de dagperiode plaatsvindt wordt dat, wat daar ook van zij, niet mogelijk gemaakt door de verleende milieuvergunning en betreft dat een kwestie van handhaving.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] en anderen betogen dat aan de beoordeling van emissie van zwevende deeltjes onjuiste berekeningen ten grondslag liggen. [appellant] en anderen betwisten de hierbij gehanteerde verticale uittreesnelheid bij stal 3 en de hoogte van stal 4 en stal 5 en de daarin aanwezige emissiepunten. Zij stellen verder dat de waarden als vermeld in de als bijlage 3 bij de aanvraag gevoegde berekening van zwevende deeltjes afwijken van de waarden als vermeld in de bij de aanvraag gevoegde "Toelichting pluimveehouderij Kampersweg 10b te Ospel" (hierna: de Toelichting).

2.9.1. Het college voert aan dat het zijn beoordeling van de emissie van zwevende deeltjes heeft gebaseerd op de als bijlage 3 bij de aanvraag gevoegde berekening. Voor die berekening is gebruik gemaakt van de Invoerinstructie "ISL3a" voor agrarische bronnen, waarin voor wat betreft emissieparameters wordt verwezen naar de "Gebruikershandleiding V-stacks vergunning"( hierna: de Gebruikershandleiding). Het college heeft toegelicht dat stal 3 uit twee gedeelten bestaat met elk twee verticale emissiepunten, waarbij op grond van de Gebruikershandleiding van een standaard uittreesnelheid moet worden uitgegaan. Voorts heeft het toegelicht dat stal 4 en stal 5 op grond van de invoerinstructie als één bouwmassa kunnen worden beschouwd, waarbij van de gemiddelde hoogte is uitgegaan. De emissiepunthoogte van stal 4 en stal 5 is bepaald aan de hand van de stofvangbakken waarin de aanvraag voorziet.

2.9.2. [appellant] en anderen hebben geen concrete aanknopingspunten voor gerechtvaardigde twijfel aan de juistheid van het standpunt van het college naar voren gebracht. Het college heeft de gegevens zoals vermeld in bijlage 3 bij de aanvraag bepalend mogen achten, nu in de aanvraag zelf voor wat betreft de berekening van zwevende deeltjes naar deze bijlage is verwezen. Dit geldt te meer nu het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat de Toelichting slechts algemeen van aard is en in de bijlage, anders dan in de Toelichting, een volledige en inzichtelijke berekening is weergegeven. Voor zover de in de Toelichting vermelde emissiegegevens afwijken van de in bijlage 3 vermelde, biedt dat op zichzelf dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door het college gebruikte gegevens.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

457-727.