Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201101467/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2010, nr. 2010-007006, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/2564

Uitspraak

201101467/1/R2.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Lochem,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Lochem,

3. de vereniging Vereniging van Eigenaars Bospark Ruighenrode (hierna: de vereniging), gevestigd te Lochem,

4. [appellant sub 4], wonend te Asperen, gemeente Lingewaal,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), wonend te Laren, gemeente Lochem,

6. [appellant sub 6], wonend te Hengelo (Ov),

7. [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), wonend te Limmen, gemeente Castricum,

8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], wonend te Laren, gemeente Lochem,

9. [appellant sub 9], wonend te Joppe, gemeente Lochem,

10. [appellant sub 10], wonend te Laren, gemeente Lochem,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RenoVastgoed B.V., gevestigd te Bathmen, gemeente Deventer,

12. [appellant sub 12], wonend te Gorssel, gemeente Lochem,

13. [appellante sub 13], wonend te Groenlo, gemeente Oost Gelre,

14. [appellant sub 14] en anderen, wonend te Laren en Kring van Dorth, gemeente Lochem,

15. [appellante sub 15], gevestigd te Lochem,

16. [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]), wonend te Lochem,

17. [appellant sub 17], wonend te Lochem,

18. [appellant sub 18], wonend te Harfsen, gemeente Lochem,

19. [appellant sub 19], wonend te Epse, gemeente Lochem,

20. [appellant sub 20], wonend te Epse, gemeente Lochem,

21. [appellante sub 21], wonend te Gorssel, gemeente Lochem,

22. [appellant sub 22A] en [appellante sub 22B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 22]), wonend te Deventer,

23. [appellant sub 23], wonend te Zutphen,

24. [appellant sub 24], wonend te Epse, gemeente Lochem,

25. [appellant sub 25], wonend te Laren, gemeente Lochem,

26. [appellant sub 26] en anderen, wonend te Harfsen, gemeente Lochem,

27. [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 27]), wonend te Harfsen, gemeente Lochem,

28. [appellante sub 28] en anderen, wonend te Lochem,

29. [appellant sub 29A] en [appellant sub 29B], wonend te Harfsen, gemeente Lochem,

30. [appellant sub 30A] en [appellant sub 30B], wonend te Lochem,

31. [appellante sub 31], gevestigd te Lochem,

32. MC Hamac, gevestigd te Harfsen, gemeente Lochem,

33. [appellant sub 33] en anderen, wonend te Laren,

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2010, nr. 2010-007006, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellanten sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], RenoVastgoed B.V., [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellant sub 14] en anderen, [appellante sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellante sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26] en anderen, [appellant sub 27], [appellante sub 28] en anderen, [appellanten sub 29], [appellanten sub 30], [appellante sub 31], MC Hamac en [appellant sub 33] en anderen tijdig beroep ingesteld. Sommigen hebben de gronden van hun beroep schriftelijk aangevuld.

Bij besluit van 12 september 2011, nr. 2010-011330, heeft de raad het bestemmingsplan "Wippert 10 en Bathmenseweg 4 Kring van Dorth" vastgesteld.

Bij besluit van 18 juni 2012, nr. 2011-007181, heeft de raad het bestemmingsplan "Hooislagen 6 en Broekstraat 1" vastgesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], de vereniging, [appellanten sub 8],[appellant sub 9], RenoVastgoed B.V., [appellant sub 12], [appellant sub 14] en anderen, [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellante sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 27], [appellanten sub 29], [appellante sub 31] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 7], [appellanten sub 8], [appellant sub 9], RenoVastgoed B.V., [appellant sub 12], [appellant sub 14] en anderen, [appellante sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 27], [appellanten sub 29], [appellanten sub 30], MC Hamac, [appellant sub 33] en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 en 19 juni 2012, waar een aantal partijen ter zitting is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

De plannen

2.1. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" (hierna: het plan) voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van Lochem, met uitzondering van de kernen Lochem, Gorssel, Eefde, Epse, Laren, Barchem, Almen, Harfsen en Exel.

Met het bij besluit van 12 september 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Wippert 10 en Bathmenseweg 4 Kring van Dorth" (hierna: het bestemmingsplan "Wippert 10") heeft de raad beoogd het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" te herzien, voor zover dat betrekking heeft op de plandelen voor de percelen Wippert 10 en Bathmenseweg 4 Kring van Dorth. Het bestemmingsplan "Wippert 10" maakt één woning op het perceel Wippert 10 en twee woningen op het perceel Bathmenseweg 4 Kring van Dorth mogelijk.

Met het bij besluit van 18 juni 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Hooislagen 6 en Broekstraat 1" (hierna: het bestemmingsplan "Hooislagen 6") heeft de raad beoogd het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" te herzien, voor zover dat betrekking heeft op de plandelen voor de percelen Hooislagen 6 en Broekstraat 1. Het bestemmingsplan "Hooislagen 6" maakt, voor zover van belang, een tweede bedrijfswoning op het perceel Hooislagen 6 mogelijk.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.1.2. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 12 september 2011, dat met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid en waarbij het bestemmingsplan "Wippert 10" is vastgesteld, aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, nu dat betrekking heeft op een planonderdeel waarop ook het besluit van 7 december 2010 ziet en waartegen beroep aanhangig is. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt het beroep van RenoVastgoed B.V. tegen het besluit van 7 december 2010 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 september 2011. De beroepen van anderen zijn gericht tegen plandelen die niet met het besluit van 12 september 2011 zijn herzien. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze plandelen en het plangebied van het bestemmingsplan "Wippert 10". Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft wat het besluit van 12 september 2011 betreft derhalve voor deze beroepen geen betekenis.

2.1.3. De Afdeling merkt eveneens het besluit van de raad van 18 juni 2012, dat met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid en waarbij het bestemmingsplan "Hooislagen 6" is vastgesteld, aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, nu dat betrekking heeft op een planonderdeel waarop ook het besluit van 7 december 2010 ziet en waartegen beroep aanhangig is. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt het beroep van [appellante sub 31] tegen het besluit van 7 december 2010 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 juni 2012. De beroepen van anderen zijn gericht tegen plandelen die niet met het besluit van 18 juni 2012 zijn herzien. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze plandelen en het plangebied van het bestemmingsplan "Hooislagen 6". Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft wat het besluit van 18 juni 2012 betreft derhalve voor deze beroepen geen betekenis.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad betwist dat [appellanten sub 30] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "specifieke vorm van maatschappelijk-[belanghebbende B]" en "specifieke vorm van recreatie-minicamping" voor het perceel [locatie 1] te Lochem.

2.2.1. Hoewel [appellanten sub 30] op een afstand wonen van ongeveer 300 meter tot het perceel van [belanghebbende B] aan de Ampsenseweg, is niet uitgesloten dat zij hier overlast van kunnen ondervinden. Hiertoe is van belang dat de planontwikkeling voor [belanghebbende B] een toename van bezoekers betekent die gebruik kunnen maken van de overigens weinig gebruikte openbare weg voor de woning van [appellanten sub 30]. Gelet hierop kunnen [appellanten sub 30] als belanghebbenden bij de vaststelling van het plan worden aangemerkt.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7]

2.3. [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-zonder bedrijfsmatige exploitatie" voor het zogenoemde terrein Stavast aan de Vordenseweg (hierna: terrein Stavast). Volgens hen zou het terrein moeten worden bestemd voor bos. Hiertoe voeren zij aan dat het plan is vastgesteld in strijd met de uitgangspunten van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1992" waarin het terrein is bestemd voor "Bos". Ook voldoet het terrein qua omvang niet aan de bestemming uit het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied 1973". Volgens [appellant sub 1], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] is de bestemming bovendien niet noodzakelijk nu de illegaal aanwezige stacaravans zijn verwijderd dan wel op korte termijn zullen worden verwijderd. [appellant sub 2] stelt verder dat het plan leidt tot een extra belasting op zijn woning onder meer doordat het terrein niet over een eigen uitrit beschikt. [appellant sub 1], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen tot slot dat ten onrechte niet in het plan is vereist dat het terrein alleen bedrijfsmatig kan worden geëxploiteerd.

2.3.1. De raad stelt dat het terrein Stavast al in 1973 een recreatiebestemming had. Per abuis is deze bestemming niet overgenomen in de bestemmingsplannen "Buitengebied 1991" en "Recreatieterreinen". Volgens de raad zijn de stacaravans al geruime tijd aanwezig en bestaan er met het oog op een goede ruimtelijke ordening geen bezwaren tegen het opnemen van een passende bestemming hiervoor.

2.3.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor een bedrijfsmatig geëxploiteerd terrein voor recreatief (nacht)verblijf met bijbehorende bebouwing, terreinen en voorzieningen, waaronder begrepen centrale recreatieve voorzieningen, verkeer- en parkeervoorzieningen en spel- en sportvoorzieningen.

Ingevolge dat lid, aanhef en onder i, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie- zonder bedrijfsmatige exploitatie", tevens bestemd voor een terrein voor verblijfsrecreatie (of een gedeelte daarvan) dat niet bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd.

2.3.3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan maakt de raad opnieuw een afweging van alle belangen bij de ruimtelijke ordening van een bepaald gebied. Hierbij kan de raad op grond van nieuwe inzichten en een afweging van de daarbij betrokken belangen tot de conclusie komen dat een nieuwe ontwikkeling wenselijk is voor een bepaald gebied. Dat het plan voor het terrein Stavast afwijkt van het vorige bestemmingsplan behoeft derhalve op zich zelf niet tot de conclusie te leiden dat het plan daarom niet kon worden vastgesteld. Voor zover appellanten stellen dat er geen behoefte bestaat aan een recreatiebestemming is van belang dat de enkele omstandigheid dat de stacaravans inmiddels voor het merendeel zijn verwijderd niet betekent dat daarom geen behoefte bestaat aan een recreatiebestemming voor het terrein Stavast. Hieromtrent heeft de raad ter zitting gesteld dat hem niet is gebleken dat de wisselende eigenaren van het terrein Stavast hier geen behoefte meer aan hebben. Appellanten hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Wat betreft het gestelde omtrent het gebruik door recreanten op het terrein Stavast van de wegen en voorzieningen voor, elektra en riolering op het aangrenzende terrein van Buitencentrum Ruighenrode aan de Vordenseweg (hierna: Buitencentrum Ruighenrode), is van belang dat dit een privaatrechtelijk geschil betreft. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat ook ruimtelijke overwegingen zich verzetten tegen de bestemming. Hiertoe is van belang dat het terrein steeds in gebruik is geweest als recreatieterrein en direct grenst aan het terrein Buitencentrum Ruighenrode dat ook steeds als zodanig in gebruik is geweest en thans opnieuw hiervoor is bestemd. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad vanuit ruimtelijk oogpunt geen aanleiding heeft gezien anders om te gaan met het terrein Stavast dan met het naastgelegen terrein Buitencentrum Ruighenrode. Daarnaast heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat inmiddels een vergunning is verleend voor een ontsluiting van het terrein Stavast op de Zutphenseweg, zodat geen gebruik behoeft te worden gemaakt van de wegen op het terrein Buitencentrum Ruighenrode. De Afdeling overweegt tot slot dat de wens van appellanten om slechts met één gesprekspartner te onderhandelen over het gebruik van hun voorzieningen op het terrein Buitencentrum Ruighenrode ten behoeve van het terrein Stavast, op zich zelf niet tot de conclusie kan leiden dat het plan daarom moet inhouden dat het terrein alleen bedrijfsmatig kan worden geëxploiteerd. Daartoe bestaat immers geen ruimtelijke noodzaak. Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] kunnen zich voorts niet verenigen met de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" voor het terrein Buitencentrum Ruighenrode. In dit verband stellen zij dat hiervoor niet slechts de bestaande rechten uit het vorige bestemmingsplan zijn overgenomen maar dat in strijd met de uitgangspunten van het plan een nieuwe ontwikkeling wordt bestemd. Zij vrezen dat een woonzorginrichting op het terrein kan worden gerealiseerd doordat de definitie van 'gastinrichting' is aangepast ten opzichte van het bestemmingsplan "Recreatieterreinen". Volgens hen past de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" niet binnen de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie". [appellant sub 1], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen in dit kader tot slot dat de woningen op terrein Buitencentrum Ruighenrode in waarde zullen dalen door de komst van een woonzorginrichting.

2.4.1. De raad stelt dat de gebruiksmogelijkheden van terrein Buitencentrum Ruighenrode op verzoek van de eigenaar zijn uitgebreid met wellnessfaciliteiten. Permanente bewoning is volgens de raad uitgesloten.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.48 van de planregels is een gastinrichting een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige verhuur van zaalaccommodatie ten behoeve van congressen en seminars, en/of een bedrijfsmatig geëxploiteerde inrichting waarbinnen ruimten worden verhuurd aan mensen die elders over een hoofdverblijf beschikken ten behoeve van tijdelijk gebruik als recreatief en/of sociaal-medisch (nacht)verblijf, inclusief de daarbij behorende centrale voorzieningen zoals een restaurant, kleinschalige detailhandel, sport-, recreatie-, wellness- en revalidatiefaciliteiten, kantoorfaciliteiten en ondersteunende dienstverlening.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting", mede bestemd voor een gastinrichting.

2.4.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat aan het terrein Buitencentrum Ruighenrode in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Recreatie" met de aanduidingen "Rc" (recreatiepark) en "g" (gastinrichting) was toegekend. Het plan voorzag daarmee in de bouw van een gastinrichting/congrescentrum. In dit plan was geen definitie opgenomen van gastinrichting. Uit het deskundigenbericht volgt daarnaast dat indien de gronden alleen kunnen worden benut voor een sociaal-medisch (nacht)verblijf indien deze recreatief van aard is, de uitbreiding van de definitie van gastinrichting nauwelijks tot een verruiming van de planologische gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan leidt. Indien een recreatieve grondslag evenwel niet is vereist kan de verruiming van de definitie ertoe leiden dat bijvoorbeeld drugsverslaafden, probleemjongeren of mensen met een psychiatrische problematiek kunnen verblijven in de inrichting, aldus het deskundigenbericht.

2.4.4. Vaststaat dat aan het terrein Buitencentrum Ruighenrode de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" is toegekend. Gelet op de bestemmingomschrijving in artikel 17, eerste lid, zoals hiervoor onder 2.4.2. weergegeven, in het licht bezien van het gestelde door de raad ter zitting dat uitsluitend sociaal-medisch verblijf mogelijk is indien dit een recreatieve functie heeft, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met dit plan een woonzorginrichting mogelijk wordt gemaakt als bedoeld door appellanten. Hiertoe acht de Afdeling in het bijzonder van belang dat de gekozen plansystematiek alsmede de bewoording van artikel 17, eerste lid, van de planregels met zich brengt dat de gronden allereerst bestemd zijn voor recreatief (nacht)verblijf en daarnaast ter plaatse van voornoemde aanduiding mede voor een gastinrichting. De Afdeling verwijst naar de in het artikel opgenomen zinsnede '(…) alsmede bestemd voor'. De vrees van appellanten dat binnen de bestemming een instelling kan worden gerealiseerd zoals een kliniek voor drugsverslaafden, is dan ook ongegrond. Voor zover appellanten stellen dat de definitie van gastinrichting tegenstrijdig is aan de bestemmingomschrijving en daarom leidt tot een rechtsonzekere situatie overweegt de Afdeling dat gezien het voorgaande voldoende duidelijk is dat onder sociaal-medisch nachtverblijf een aan de bestemming ondergeschikte vorm van zorgverblijf dient te worden verstaan. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde wijze van bestemmen uit een oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar is. Gelet op het voorgaande in relatie bezien tot het hiervoor aangehaalde deel van het deskundigenbericht, volgt de Afdeling appellanten niet in hun betoog dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de uitgangspunten van het plan. Hiertoe overweegt de Afdeling dat ook in het vorige bestemmingsplan een gastinrichting kon worden gerealiseerd. Daarnaast heeft het plan niet tot uitgangspunt dat alle ontwikkelingen, onafhankelijk van de omvang, zijn uitgesloten. Nu met het plan geen woonzorginrichting mogelijk wordt gemaakt als door appellanten gevreesd, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het plan tot een dusdanige waardevermindering leidt van de woningen van appellanten dat de raad hier een overwegend belang aan had moeten toekennen. Het betoog faalt.

2.5. Tot slot stellen [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] dat de in artikel 17, tweede lid, onder 8, sub h, van de planregels neergelegde maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 8 en 12 meter leidt tot een inbreuk op hun privacy.

2.5.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, onder 8, sub a, van de planregels mag de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" maximaal 5.385 m² bedragen.

Ingevolge dat lid, onder 8, sub h, mag de goothoogte van de gebouwen ten behoeve van de gastinrichting niet meer dan 8 meter bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter bedragen.

2.5.2. Vaststaat dat de bestaande bebouwing rondom de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" bestaat uit recreatiewoningen waarvan op grond van de planregels de goothoogte maximaal 3,5 meter mag bedragen en de nokhoogte maximaal 7 meter. De oppervlakte van de verschillende recreatiewoningen mag op grond van de planregels maximaal 75 m2 bedragen. In dit licht bezien heeft de raad niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat de maximale goot- en bouwhoogte van de gastinrichting aanvaardbaar zijn omdat het een bestaand recht betreft. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de raad immers opnieuw te bezien of de gebruiks- en bouwmogelijkheden van gronden zich verhouden met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft dit evenwel nagelaten. Dit klemt te meer nu de oppervlakte van de gastinrichting maximaal 5.385 m2 mag bedragen en niet in het plan is bepaald waar de gastinrichting mag worden gebouwd binnen de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting". Het plan is derhalve in zoverre niet met de bij het nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

2.6. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" voor het terrein Buitencentrum Ruighenrode, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, en in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 8]

2.7. [appellanten sub 8] hebben de beroepsgrond dat artikel 3, eerste lid, onder ab, van de planregels, niet door de raad is vastgesteld, ter zitting ingetrokken.

2.8. [appellanten sub 8] hebben bezwaar tegen het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voeropslag" voor het perceel [locatie 2] te Laren. Op grond van de systematiek van het plan, zoals die in de plantoelichting is vermeld en ook in andere gevallen is toegepast, dient voeropslag alleen binnen het bouwvlak mogelijk te worden gemaakt en niet door middel van een specifieke aanduiding, aldus [appellanten sub 8]. Nu de raad op het perceel [locatie 2] voeropslag door middel van de aanduiding mogelijk heeft gemaakt, zijn bovendien, in strijd met het Reconstructieplan Achterhoek en Liemers (hierna: het reconstructieplan) en het provinciale en gemeentelijke beleid, de uitbreidingsmogelijkheden voor de veehouderij op het perceel [locatie 2], dat ligt in een verwevingsgebied, ten onrechte uitgebreid tot meer dan 1 ha. De raad heeft bij de vaststelling van het plan op dit punt onvoldoende rekening gehouden met hun belangen en in strijd gehandeld met eerdere toezeggingen, aldus [appellanten sub 8].

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan op dit punt niet in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid. Weliswaar is de voeropslag apart aangeduid, maar het plan biedt ter plaatse geen bouwmogelijkheden voor de intensieve veehouderij. Volgens de raad brengt het plan op dit punt geen onevenredige overlast met zich voor [appellanten sub 8].

2.8.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder l, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" bestemd voor een intensieve veehouderij.

Ingevolge dat lid, onder ab, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voeropslag" uitsluitend kuilvoeropslag toegestaan.

2.8.3. Het reconstructieplan is door de Afdeling bij uitspraak van 24 januari 2007, zaak nr. 200504831/1, vernietigd, onder meer voor zover het de aangewezen verwevingsgebieden betreft.

In de plantoelichting staat dat in het bestemmingsplan de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven in de drie onderscheiden zoneringsgebieden van het reconstructieplan zijn overgenomen. In verwevingsgebieden kan een bouwkavel voor de intensieve veehouderij tot maximaal 1 ha worden uitgebreid, zo staat in de plantoelichting. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat bestaande bouwvlakken ten behoeve van de intensieve veehouderij die groter zijn dan 1 ha worden gerespecteerd.

Gelet hierop heeft de raad het in het reconstructieplan neergelegde beleid ten aanzien van verwevingsgebieden overgenomen en als eigen beleid toegepast.

2.8.4. Gelet op artikel 3, eerste lid, onder l en onder ab, van de planregels is op het perceel [locatie 2] alleen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" een intensieve veehouderij toegelaten en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voeropslag". Het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" bedraagt ongeveer 1 ha. Het plan biedt ter plaatse van de specifieke aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voeropslag" geen bouwmogelijkheden. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid dat inhoudt dat in verwevingsgebieden een bouwkavel voor een intensieve veehouderij tot maximaal 1 ha kan worden vergroot.

De raad heeft ter zitting nader toegelicht dat in dit geval een uitzondering is gemaakt op het uitgangspunt dat alle opstallen, mestsilo's en kuilvoerplaten binnen het bouwperceel moeten zijn gesitueerd. De raad heeft hiertoe uiteengezet dat hij bij de vaststelling van het plan aansluiting heeft gezocht bij de bouwmogelijkheden die de veehouder van het perceel [locatie 2] had op grond van het vorige plan. Het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 2] had in het vorige bestemmingsplan een omvang van ongeveer 1,2 ha. Verder was de kuilvoeropslag buiten het bouwvlak gerealiseerd. Het plan biedt derhalve niet meer uitbreidingsmogelijkheden voor de veehouderij dan het vorige planologische regime. Bovendien ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 8] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheid die het plan ter plaatse biedt voor de opslag van voer een zodanige ruimtelijke uitstraling heeft dat te verwachten valt dat [appellanten sub 8] hiervan onevenredige overlast zullen ondervinden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het plan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voeropslag" geen bouwmogelijkheden biedt. Voorts hebben [appellanten sub 8] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad de verwachting is gewekt dat het plan ter plaatse niet in de opslag van voer zou voorzien.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de gevestigde rechten en belangen van de eigenaar van [locatie 2] dan aan de belangen van [appellanten sub 8]. Het betoog dat de raad in dit geval in redelijkheid geen uitzondering heeft kunnen maken op het uitgangspunt dat alle opstallen, mestsilo's en kuilvoerplaten binnen het bouwperceel moeten zijn gesitueerd, faalt derhalve.

2.9. In hetgeen [appellanten sub 8] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voeropslag" voor het perceel [locatie 2] te Laren, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.10. [appellant sub 9] richt zich tegen het aangeduide maximaal toegelaten aantal wooneenheden op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] te Joppe. Hij betoogt dat de raad ten onrechte ten opzichte van het ontwerpplan het maximaal toegelaten aantal wooneenheden heeft verlaagd van vijf naar vier. Volgens [appellant sub 9] ligt aan de wijziging noch een zienswijze, noch een ambtshalve wijziging ten grondslag. Derhalve is het plan op dit punt niet door de raad gewijzigd vastgesteld. Verder is volgens [appellant sub 9] door de wijziging het gebouw op het perceel [locatie 4] ten onrechte niet als woning bestemd, terwijl het gebouw wel is vermeld in de gemeentelijke basisadministratie. Voorts wijst [appellant sub 9] in dit verband op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het herbouwen, uitbreiden en verplaatsen van de woning [locatie 4].

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toegelaten aantal wooneenheden op het door [appellant sub 9] genoemde plandeel is verlaagd naar aanleiding van een zienswijze, hoewel in de nota van zienswijzen abusievelijk [locatie 8] is vermeld. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het gebouw [locatie 4] niet als woning is bestemd, omdat het geen bestaande woning betreft.

2.10.2. In de nota van zienswijzen staat dat rondom [locatie 8] binnen de bestemming "Wonen" ten onrechte vijf woningen mogelijk zijn gemaakt, nu ter plaatse feitelijk vier woningen aanwezig zijn. De verbeelding wordt hierop aangepast, zo staat in de nota van zienswijzen.

Hoewel in de nota van zienswijzen niet expliciet is verwezen naar de percelen [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7], blijkt uit de zienswijze dat de zienswijze betrekking heeft op een plandeel met de bestemming "Wonen" rondom [locatie 8] waar vijf woningen mogelijk worden gemaakt. Nu blijkens de verbeelding in de omgeving van [locatie 8] alleen voor genoemde percelen op één plandeel meer dan twee woningen zijn voorzien, is voldoende duidelijk tegen welk plandeel de zienswijze is gericht en op welk plandeel de wijziging betrekking heeft. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt niet door de raad gewijzigd is vastgesteld. Het betoog faalt.

2.10.3. Weliswaar is in het deskundigenbericht vermeld dat het gebouw [locatie 4] in de gemeentelijke basisadministratie is aangeduid als hoofdgebouw en derhalve gelijk is te stellen met een woning, maar in het deskundigenbericht is tevens vermeld dat op het perceel van [appellant sub 9] feitelijk één bewoonbare woning aanwezig is. In het deskundigenbericht staat dat het gebouw [locatie 4] niet het uiterlijk heeft van een hoofdgebouw en niet voor bewoning kan worden gebruikt. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deskundigenbericht op dit punt onjuistheden of onvolkomenheden bevat. De door [appellant sub 9] aangevoerde omstandigheden dat zich in de kelder van het gebouw [locatie 4] een watermeter bevindt en dat het gebouw is voorzien van een huisnummer brengen nog niet met zich dat het gebouw als woning kan worden aangemerkt.

Verder blijkt uit de plankaart van het vorige bestemmingsplan dat het gebouw [locatie 4] op grond van het vorige plan niet als woning was bestemd.

De raad heeft bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande woningen als zodanig zijn bestemd, maar dat in beginsel geen nieuwe burgerwoningen mogelijk worden gemaakt. Nu het gebouw [locatie 4] geen bestaande woning is, heeft de raad het gebouw niet als woning bestemd. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad in redelijkheid in de omstandigheid dat [appellant sub 9] een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie 4] geen reden heeft hoeven zien om een uitzondering te maken op het bij de vaststelling van het plan gehanteerde uitgangspunt dat in het plan geen nieuwe burgerwoningen mogelijk worden gemaakt. Het betoog faalt.

2.11. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aangeduide maximaal toegelaten aantal wooneenheden op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.12. [appellant sub 10] heeft bezwaar tegen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak voor het perceel [locatie 9] te Laren, voor zover het bouwvlak ten opzichte van het vorige plan is vergroot. Hij vreest door de vergroting van het bouwvlak voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat ten gevolge van stank- en geluidoverlast en een toename van zwaar verkeer door de aldaar gevestigde veehouderij. Hij stelt dat het plan op dit punt onevenredige gezondheidsrisico's met zich brengt. Voorts vreest hij voor een waardedaling van zijn woning.

2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak voor de intensieve veehouderij is vergroot, teneinde het gebruik dat ingevolge de in het verleden verleende milieuvergunning mogelijk is ook op grond van het plan mogelijk te maken. Het plan is op dit punt in overeenstemming met het beleid, nu het perceel [locatie 9] ligt in een landbouwontwikkelingsgebied. Volgens de raad is de vrees van [appellant sub 10] voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en een waardedaling van zijn woning niet gegrond.

2.12.2. Ten opzichte van het vorige plan maakt het plan voor de intensieve veehouderij aan de [locatie 9] een uitbreiding mogelijk van ongeveer 3000 m² aan de westzijde van de veehouderij. Uit de verbeelding in samenhang bezien met de plankaart van het vorige plan blijkt dat de afstand van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel van [appellant sub 10] tot het bouwvlak voor het perceel [locatie 9], is verkleind tot 12 m.

Uit de plantoelichting blijkt dat de raad bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de milieuhinder ten gevolge van een intensieve veehouderij heeft aangesloten bij het toetsingskader van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). Nu de bestaande intensieve veehouderijen voldoen aan de eisen van de Wgv, veroorzaakt het plan geen onevenredige milieuhinder, aldus de raad.

Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 15 september 2010 in zaak nr. 200905024/1/R3 eerder heeft overwogen betekent het niet overschrijden van de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm uit de Wgv niet zonder meer dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Afgezien van de vraag of de intensieve veehouderij aan de [locatie 9] voldoet aan de normen van de Wgv, betekent het voorgaande dat de raad niet slechts onder de enkele verwijzing naar de Wgv zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, ondanks de afstand van 12 meter van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel van [appellant sub 10] tot het bouwvlak voor het perceel [locatie 9], [appellant sub 10] geen onevenredige geurhinder zal ondervinden door de uitbreiding van het bouwvlak. Hierbij komt dat de raad evenmin in het bestreden besluit, dan wel ter zitting, heeft onderbouwd waarom ten aanzien van de aspecten geluid, verkeer en gezondheid de vrees van [appellant sub 10] voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat ongegrond is. Bovendien is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat twijfel bestaat of de eigenaar van de veehouderij gebruik zal maken van de uitbreidingsmogelijkheden. De raad heeft dit niet onderkend.

Gelet op het voorgaande is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog slaagt.

2.13. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover het betreft het op de verbeelding aangeduide bouwvlak voor het perceel [locatie 9] te Laren, voor zover dat bouwvlak ten opzichte van het vorige plan is vergroot, dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van RenoVastgoed B.V.

2.14. Zoals hierboven onder 2.1.2 is overwogen is het beroep van RenoVastgoed B.V. gericht tegen zowel het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wippert 10" als tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010".

Het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wippert 10"

2.15. RenoVastgoed B.V. voert aan dat het bestemmingsplan "Wippert 10" ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om twee woningen te bouwen op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Wippert 10 te Kring van Dorth. Zij bestrijdt het standpunt van de raad dat het niet wenselijk is om meer dan één woning op het perceel Wippert 10 mogelijk te maken, omdat het perceel ligt in een landbouwontwikkelingsgebied. In dit verband stelt zij dat in andere situaties in het landbouwontwikkelingsgebied wel medewerking is verleend aan functieverandering. Volgens RenoVastgoed B.V. zal een tweede woning bovendien geen extra belemmeringen met zich brengen voor omliggende agrarische bedrijven. Verder is het toelaten van twee woningen in overeenstemming met het gemeentelijke beleid inzake functieverandering van agrarische bouwwerken. Tot slot stelt RenoVastgoed B.V. dat het plan is vastgesteld in strijd met een toezegging van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2009 dat medewerking zal worden verleend aan een wijziging van de bestemming ten behoeve van twee woningen.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet wenselijk is om meer dan één woning op het perceel Wippert 10 mogelijk te maken, omdat het perceel ligt in een landbouwontwikkelingsgebied. Een tweede woning zou agrarische bedrijven kunnen beperken in hun bedrijfsvoering. Bovendien is de oppervlakte aan gebouwen die gesloopt wordt te klein om op grond van het beleid inzake functieverandering van agrarische gebouwen een extra woongebouw mogelijk te maken.

2.15.2. In de plantoelichting staat dat het bestemmingsplan "Wippert 10" is getoetst aan de voorwaarden van het beleidskader voor functieverandering van agrarische gebouwen, zoals dat is neergelegd in het op 1 juli 2008 goedgekeurde regionale beleidskader "Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies" en de gemeentelijke aanvulling op dit beleidskader dat door de raad is vastgesteld op 27 oktober 2008. In deze voorwaarden staat dat bij een te slopen oppervlakte van 500 m² tot 1000 m² aan agrarische bedrijfsgebouwen één nieuwe vrijstaande woning mag worden gebouwd. Voorts is in landbouwontwikkelingsgebieden geen functieverandering naar wonen toegestaan.

Uit de plantoelichting blijkt dat in totaal een oppervlakte van ongeveer 845 m² aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen op de percelen Wippert 10 en Bathmenseweg 4 wordt gesloopt. Nu met het bestemmingsplan "Wippert 10" reeds één nieuwe woning op het perceel Bathmenseweg 4 mogelijk wordt gemaakt en het perceel Wippert 10 ligt in een landbouwontwikkelingsgebied, heeft de raad terecht gesteld dat het mogelijk maken van een tweede woning op het perceel Wippert 10 op deze punten niet strookt met het regionale en gemeentelijke beleid inzake functieverandering.

De Afdeling ziet in hetgeen RenoVastgoed B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten zien om een uitzondering op zijn beleid te maken. Hiertoe wordt overwogen dat ter zitting is gebleken dat, in tegenstelling tot hetgeen RenoVastgoed B.V. stelt, niet is uitgesloten dat een agrarisch bedrijf in de toekomst zou kunnen worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering door de vestiging van een tweede woning op het perceel Wippert 10. Voorts heeft RenoVastgoed B.V. haar stelling dat de raad in gelijksoortige gevallen wel medewerking heeft verleend aan het verzoek om functieverandering van voormalige agrarische gebouwen niet met concrete voorbeelden onderbouwd. Evenmin heeft RenoVastgoed B.V. aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een tweede woning op het perceel Wippert 10 zou voorzien.

Het betoog faalt.

2.16. In hetgeen RenoVastgoed B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan "Wippert 10", voor zover het betreft het plandeel voor het perceel Wippert 10, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit van 12 september 2011 in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit van 12 september 2011, is ongegrond.

Het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010"

2.17. Het beroep van RenoVastgoed B.V. tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Wippert 10. Voor dit plandeel is het bestemmingsplan "Wippert 10" vastgesteld. Nu blijkens 2.16 het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wippert 10" ongegrond wordt verklaard, wordt dat plan met deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat het bestreden plandeel van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" niet langer rechtskracht zal hebben. Nu overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat RenoVastgoed B.V. geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010".

In verband hiermee is het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit van 7 december 2010, niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.18. [appellant sub 12] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "specifieke vorm van maatschappelijk - zorgtuin" en "specifieke bouwaanduiding - schuilgelegenheid en berging" voor het perceel [locatie 10] te Gorssel. Hiertoe voert hij aan dat hij ten onrechte niet dezelfde kansen heeft gekregen als de nieuwe eigenaar om het perceel aan te kopen. Hiermee heeft de raad in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheids- en transparantiebeginsel. [appellant sub 12] beroept zich in dit verband op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. [appellant sub 12] stelt tot slot dat de zorgtuin kan worden gerealiseerd zonder dat er gebouwd wordt.

2.18.1. In het kader van deze procedure moet worden beoordeeld of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. De door [appellant sub 12] aangevoerde bezwaren hebben evenwel betrekking op de privaatrechtelijke procedure voorafgaand aan de vaststelling van het plan waarbij het perceel [locatie 10] door de gemeente is verkocht aan de nieuwe [eigenaar]. De Afdeling kan in deze procedure geen oordeel geven over de rechtmatigheid van de privaatrechtelijke procedure en de privaatrechtelijke overeenkomst, ter zake waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is. Deze beroepsgronden kunnen niet de rechtmatigheid van het plan aantasten. Voor zover [appellant sub 12] stelt dat de zorgtuin kan worden ontwikkeld zonder dat er wordt gebouwd, is van belang dat uit het deskundigenbericht volgt dat het bijgebouw, met een maximale oppervlakte van 30 m2, nodig is voor onder meer schuilgelegenheid voor de mensen die in de zorgtuin werken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "specifieke vorm van maatschappelijk - zorgtuin" en "specifieke bouwaanduiding - schuilgelegenheid en berging" aan het perceel heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

2.19. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 13]

2.20. [appellante sub 13] betoogt dat het plan ten onrechte op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor haar perceel [locatie 11] te Barchem niet voorziet in twee woningen. Zij voert hiertoe aan dat het woongebouw aan de Muldersweg naar aard en indeling geschikt is voor en tevens gebruikt wordt door twee huishoudens. [appellante sub 13] wijst er in dit verband op dat de gemeente twee keer afvalstoffenheffing en rioolheffing heft, de gemeente twee beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) heeft opgelegd en dat het gebouw twee huisnummers heeft. Voorts is voor de bouw van de woning een bouwvergunning verleend waaruit blijkt dat in het woongebouw twee afzonderlijke huishoudens worden gevoerd, zo stelt [appellante sub 13]. Zij bestrijdt het standpunt van de raad dat het toelaten van twee woningen op het perceel leidt tot meer verstening in het buitengebied.

2.20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het woongebouw aan de [locatie 11] geen twee afzonderlijke huishoudens worden gevoerd. De raad ziet dan ook geen aanleiding om op het plandeel voor het desbetreffende perceel twee woningen toe te laten.

2.20.2. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder 1, onder a, van de planregels, geldt voor het bouwen binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" dat binnen het bestemmingsvlak maximaal één woning is toegestaan, tenzij een ander maximum aantal wooneenheden is aangeduid.

2.20.3. Gelet op de verbeelding in samenhang bezien met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder 1, onder a, van de planregels, is op het perceel [locatie 11] één woning toegestaan. Uit de door [appellante sub 13] genoemde bouwvergunning, gedateerd 13 september 1983, blijkt dat het woongebouw aan de [locatie 11] te Barchem weliswaar is gebouwd voor twee huishoudens met gedeeltelijk eigen voorzieningen, maar dat die voorzieningen niettemin met elkaar zijn verbonden via deuren. Tevens blijkt uit de bouwvergunning dat de huishoudens beschikken over een gezamenlijke berging en één vaste trapopgang naar de bovenverdieping. De Afdeling leidt hieruit af dat op het perceel één zelfstandige woning is gebouwd. Voorts heeft [appellante sub 13] ter zitting bevestigd dat de twee huishoudens niet strikt van elkaar gescheiden zijn. Gelet op de verbeelding in samenhang bezien met artikel 24, lid 2, aanhef en onder 1, onder a, van de planregels, is de vergunde situatie in het plan derhalve als zodanig bestemd.

Nu de raad bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt heeft gehanteerd dat alleen bestaande woningen als zodanig worden bestemd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 11] te Barchem twee woningen mogelijk te maken. Dat de gemeente twee keer afvalstoffenheffing en rioolheffing heft, de gemeente twee beschikkingen op grond van de WOZ heeft opgelegd en dat het gebouw twee huisnummers heeft, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat deze omstandigheden niet doorslaggevend zijn bij het vaststellen van een bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

2.21. In hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 11] te Barchem strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14] en anderen

2.22. [appellant sub 14] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" voor zover het betreft het landbouwontwikkelingsgebied Larense Broek (hierna: het LOG Larense Broek). Hiertoe voeren zij aan dat de raad aan de zonering van het LOG Larense Broek ten onrechte geen ruimtelijke afweging ten grondslag heeft gelegd. In dit kader stellen [appellant sub 14] en anderen dat het reconstructieplan, voor zover hierin de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied is vastgelegd, niet rechtstreeks doorwerkt in een bestemmingsplan. Volgens hen dient de raad rekening te houden met het provinciale beleid, maar is hij daaraan niet gebonden.

2.22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het bestemmingsplan de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven in de drie onderscheiden zoneringgebieden van het reconstructieplan zijn overgenomen.

2.22.2. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc), geldt voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, of artikel 19, derde lid, aangewezen delen van het reconstructiegebied, het reconstructieplan als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Artikel 3.7, vijfde tot en met zevende lid, van die wet is niet van toepassing. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

2.22.3. Het reconstructieplan voorziet in een zonering intensieve veehouderij. De zonering intensieve veehouderij bestaat uit extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. De zonering is globaal weergegeven op de bij het reconstructieplan behorende kaart Reconstructiezonering. De gedetailleerde begrenzing op perceelsniveau is op de kaart 1:25.000 weergegeven. De zonering van het LOG Larense Broek in het plan komt overeen met de zonering van het landbouwontwikkelingsgebied in het reconstructieplan, zoals deze is weergegeven op de kaart 1:25.000.

In het reconstructieplan is vermeld dat artikel 27, eerste lid, van de Rwc van toepassing is op de in het reconstructieplan opgenomen zonering. Hieruit volgt dat de zonering bindend doorwerkt naar het bestemmingsplan. In tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 14] en anderen stellen is omtrent de zonering van de intensieve veehouderij derhalve geen nadere afweging vereist van de raad. De raad heeft terecht de zonering van het LOG Larense Broek overgenomen uit het reconstructieplan. Het betoog faalt.

2.23. [appellant sub 14] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid, voor zover op grond daarvan een grondgebonden en een gemengd agrarisch bedrijf in een landbouwontwikkelingsgebied kunnen worden omgeschakeld naar een intensieve veehouderij. Evenmin kunnen [appellant sub 14] en anderen zich verenigen met de wijzigingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 4, aanhef en onder c, van de planregels, op grond waarvan een bouwkavel van een intensieve veehouderij in het landbouwontwikkelingsgebied kan worden uitgebreid tot maximaal 1,5 ha.

2.23.1. [appellant sub 14] en anderen voeren aan dat de eerst genoemde wijzigingsbevoegdheid zich niet verhoudt tot het uitgangspunt dat het plan in principe geen nieuwe bouwpercelen voor intensieve veehouderijen mogelijk maakt. Voorts voeren zij aan dat artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 3, aanhef en onder a, van de planregels, op grond waarvan een agrarisch bouwvlak kan worden vergroot tot maximaal 3 ha, en de eis dat in een landbouwontwikkelingsgebied een bouwvlak voor een intensieve veehouderij ten hoogste kan worden vergroot tot 1,5 ha, niet met elkaar in overeenstemming zijn. Verder stellen [appellant sub 14] en anderen dat ten onrechte de eis dat de wijzigingsbevoegdheden slechts kunnen worden toegepast, indien het woon- en leefklimaat voor woningen van derden niet wordt aangetast, niet nader is uitgewerkt.

2.23.2. Ingevolge artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" geheel of gedeeltelijk te wijzigen voor de omschakeling van een grondgebonden of gemengd agrarisch bedrijf, naar een intensieve veehouderij door het aanduiden van gronden voor een intensieve veehouderij, mits:

c. ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" niet meer dan 1,5 ha van de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen wordt gebruikt voor een intensieve veehouderij.

Ingevolge het bepaalde in dat lid, aanhef en onder 3, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" geheel of gedeeltelijk te wijzigen voor de vergroting van een agrarisch bouwvlak, mits:

a. de omvang van het bouwvlak na vergroting maximaal 3 hectare bedraagt, tenzij in de aanvullende regels voor intensieve veehouderijen een andere maximum omvang is bepaald;

i. het woon- en leefklimaat voor woningen van derden daardoor niet wordt aangetast.

Ingevolge het bepaalde in dat lid, aanhef en onder 4, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" geheel of gedeeltelijk te wijzigen voor het vergroten van een agrarisch bouwvlak voor een intensieve veehouderij, mits:

c. ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" een vergroting tot maximaal 1,5 ha wordt toegestaan;

e. bij de vergroting ten behoeve van een intensieve veehouderij ook de regels voor vergroting van het bouwvlak in artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 3, in acht worden genomen.

2.23.3. Weliswaar voorziet het plan in een wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan een grondgebonden of gemengd agrarisch bedrijf kan worden omgeschakeld naar een intensieve veehouderij, maar het plan biedt geen directe grondslag voor de vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met het bij de vaststelling van het plan gehanteerde uitgangspunt dat het plan niet voorziet in nieuwvestiging van agrarische bedrijven.

De Afdeling volgt [appellant sub 14] en anderen voorts niet voor zover zij stellen dat artikel 3, zevende lid, onder 3, aanhef en onder a, van de planregels, niet in overeenstemming is met de eis dat in een landbouwontwikkelingsgebied een bouwvlak voor een intensieve veehouderij ten hoogste kan worden vergroot tot 1,5 ha. In het genoemde artikel is immers uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt voor zover in de aanvullende regels voor intensieve veehouderijen een andere maximum omvang is bepaald, zoals in artikel 3, zevende lid, onder 4, aanhef en onder c, van de planregels, waarin staat dat een agrarisch bouwvlak voor een intensieve veehouderij tot maximaal 1,5 ha kan worden vergroot.

Voor zover [appellant sub 14] en anderen betogen dat ten onrechte de eis dat de wijzigingsbevoegdheid slechts kan worden toegepast, indien het woon- en leefklimaat voor woningen van derden niet wordt aangetast, niet nader is uitgewerkt, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de wijzigingsbevoegdheid in zoverre door onvoldoende objectieve normen is begrensd.

2.23.4. Volgens [appellant sub 14] en anderen heeft de raad bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten gevolge van de door hen bestreden wijzigingsbevoegdheden ten onrechte aansluiting gezocht bij de normen van de Wgv, nu deze normen onvoldoende waarborgen bevatten voor een goed woon- en leefklimaat voor de woningen. Het plan is op dit punt niet in overeenstemming met de doelstelling van reconstructie, te weten dat het aantal gehinderden door veehouderijen wordt verminderd. Zij betogen in dit verband dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen voor de omgeving van de wijzigingsbevoegdheden.

Hiertoe voeren zij allereerst aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor de geurhinder van omwonenden. Volgens [appellant sub 14] en anderen is in het onderzoek dat de raad ten grondslag heeft gelegd aan het plan geen rekening gehouden met de wijzigingsbevoegdheden die mogelijkheden bieden voor uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in het landbouwontwikkelingsgebied. Voorts is ten onrechte als uitgangspunt aan dit onderzoek ten grondslag gelegd dat alle veehouderijbedrijven voldoen aan de eisen van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit). Verder heeft de raad ten onrechte bij de berekening van de cumulatieve geurhinder geen rekening gehouden met veehouderijbedrijven die dieren houden waarvoor ingevolge de Wgv een afstandsnorm geldt. Bovendien heeft de raad ten onrechte agrarische bedrijfswoningen niet in het onderzoek betrokken.

Daarnaast voeren [appellant sub 14] en anderen aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de risico's die uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen met zich kunnen brengen voor de volksgezondheid.

Tot slot voeren [appellant sub 14] en anderen in dit kader aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen voor de omliggende natuurwaarden. Zij bestrijden de stelling van de raad dat een afstand van 3000 m volstaat om de schade voor natuurwaarden door ammoniakemissies als verwaarloosbaar te kwalificeren. Volgens [appellant sub 14] en anderen blijkt namelijk uit het rapport "Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur" van Alterra, gedateerd 2008, dat op een afstand van 5000 m het merendeel van de ammoniakdepositie neerslaat. De raad heeft dit ten onrechte niet onderkend, aldus [appellant sub 14] en anderen.

2.23.5. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende onderzoek is gedaan naar de milieugevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt voor veehouderijen in het landbouwontwikkelingsgebied. De raad verwijst in dit kader naar het milieueffectrapport "Plan MER behorend bij het ontwerp Bestemmingsplan Buitengebied", gedateerd november 2010 (hierna: het MER) en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken. Met het oog op het voorkomen van milieuhinder zijn in het plan geen intensieve veehouderijen voorzien op nieuwe locaties en kan een bouwvlak in het landbouwontwikkelingsgebied tot maximaal 1,5 ha worden vergroot. Volgens de raad zal het plan geen onevenredige geurhinder met zich brengen, noch zal het plan leiden tot risico's voor de volksgezondheid. Bovendien zal het plan niet leiden tot negatieve gevolgen voor de omliggende natuurwaarden.

2.23.6. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), voor zover hier van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid, maakt het bestuursorgaan, voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het derde lid, wordt, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2.23.7. In het MER is vermeld dat de gevolgen van het plan voor het milieu zijn onderzocht aan de hand van vier scenario's. Voor de vier scenario's zijn de in het ontwerpplan toegekende bouwkavels en de in 2009 bestaande milieuvergunningen als uitgangspunt genomen. In het meest milieubelastende scenario wordt ervan uitgegaan dat de oppervlakte van de bouwkavel van een veehouderij ten opzichte van 2005 evenredig zal doorgroeien of afnemen, met dien verstande dat voor de groeiers wordt uitgegaan van nog eens 20% extra veebezetting.

2.23.8. In het kader van het MER heeft Alterra Wageningen onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de geurbelasting. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Ammoniakemissie en -depositie rondom Natura 2000-gebieden en EHS en geurbelasting op woningen en ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen in de gemeente Lochem", gedateerd februari 2010 (hierna: het rapport). In het rapport staat dat het effect van het bestemmingsplan op de geursituatie in de omgeving is bepaald aan de hand van de vier scenario's. Daarbij is rekening gehouden met de beperkingen die de door de Wgv toegestane geuremissies met zich brengen voor de mogelijkheden die het plan biedt voor uitbreiding. Volgens het MER is de geurbelasting in de vier onderzochte scenario's zowel buiten als binnen de bebouwde kom vrijwel gelijk of minder dan in de referentiesituatie in 2009.

Voorts is in het kader van het MER onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de volksgezondheid. Het plan zal naar verwachting de verspreiding van infectieziekten niet bevorderen, zo staat in het MER.

In het rapport en in het rapport "Passende beoordeling behorend bij bestemmingsplan Buitengebied" (hierna: de passende beoordeling) zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de ammoniakdepositie op de Natura 2000-gebieden en de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). In de passende beoordeling staat dat de effecten van het plan zijn beoordeeld aan de hand van de vier hiervoor genoemde scenario's, met dien verstande dat is uitgegaan van de actuele veebezetting en niet van de milieuvergunningen. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat een geringe toename van de totale depositie stikstof ten gevolge van het plan op het Natura 2000-gebied IJsselwaarden Uiterwaarden niet kan worden uitgesloten.

2.23.9. De Afdeling stelt voorop dat opname van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Derhalve dient reeds bij de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid te worden onderzocht of een invulling van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is, waarbij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Tevens dient te worden bezien of, uitgaande van de maximale mogelijkheden van het plan, het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.

2.23.9.1. Ten aanzien van de in artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid, voor zover op grond daarvan een grondgebonden en een gemengd agrarisch bedrijf in een landbouwontwikkelingsgebied kunnen worden omgeschakeld naar een intensieve veehouderij, wordt overwogen dat noch in de passende beoordeling, noch in de andere aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken, rekening is gehouden met deze wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft dit ter zitting erkend. Derhalve staat vast dat de raad bij de vaststelling van het plan niet heeft bezien of de invulling van de desbetreffende wijzigingsbevoegdheid significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Evenmin heeft de raad bij de vaststelling van het plan onderzocht of een invulling van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is, waarbij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Het onderzoek dat de raad ten grondslag heeft gelegd aan het plan is in zoverre onzorgvuldig en gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan, voor zover het betreft artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels, voor zover een omschakeling naar een intensieve veehouderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied", noch artikel 19j van de Nbw 1998, noch de bij het nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden die betrekking hebben op deze wijzigingsbevoegdheid geen bespreking meer.

2.23.9.2. Ten aanzien van de in artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 4, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid, voor zover op grond daarvan een bouwkavel van een intensieve veehouderij in het landbouwontwikkelingsgebied kan worden uitgebreid tot maximaal 1,5 ha, overweegt de Afdeling het volgende.

2.23.9.3. Zoals hierboven reeds is vermeld zijn de gevolgen van het plan voor het milieu onderzocht aan de hand van vier scenario's. In het meest milieubelastende scenario wordt ervan uitgegaan dat de oppervlakte van de bouwkavel van een veehouderij ten opzichte van 2005 evenredig zal doorgroeien of afnemen, met dien verstande dat voor de groeiers wordt uitgegaan van nog eens 20% extra veebezetting. De raad heeft toegelicht dat dit scenario tot stand is gekomen in samenspraak met de Commissie voor de milieueffectrapportage. Volgens de raad is het scenario het meest realistische scenario in het licht van de maximale uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt. Daarbij heeft de raad in aanmerking genomen dat de geldingsduur van een bestemmingsplan niet onbeperkt is. Bovendien heeft de raad van belang geacht dat de omvang van de bestaande bouwvlakken in de meeste situaties al groot is, waardoor de uitbreidingsmogelijkheden beperkt zijn.

Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken naar de gevolgen van het plan voor de omgeving is uitgegaan van een scenario dat niet representatief is voor de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt voor de uitbreiding van een bouwkavel van een intensieve veehouderij in het landbouwontwikkelingsgebied.

2.23.9.4. Voor zover [appellant sub 14] en anderen betogen dat de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het plan ook op andere punten gebreken bevatten, overweegt de Afdeling het volgende.

Ten aanzien van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de geurbelasting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek zodanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad dit onderzoek niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. In dit kader is allereerst van belang dat de Afdeling het niet onredelijk acht dat de raad in het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de geurbelasting de agrarische bedrijfswoningen die deel uitmaken van andere veehouderijen buiten beschouwing heeft gelaten. De raad heeft namelijk van belang mogen achten dat ter plaatse van deze bedrijfswoningen met name geurhinder wordt ondervonden van de eigen veehouderij, waartegen geen bescherming hoeft te worden geboden. Voorts is in het kader van het MER bezien wat de gevolgen van het plan zijn voor de cumulatieve geurbelasting. Voor zover [appellant sub 14] en anderen de berekening die ten grondslag ligt aan het onderzoek naar de cumulatieve geurhinder betwisten, volgt de Afdeling hen niet voor zover zij stellen dat ten onrechte de geurhinder van veehouderijen die dieren houden, waarvoor op grond van de Wgv een afstandsnorm geldt, niet is meeberekend. Daarbij is van belang dat dit dieren betreft waarvoor in de ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, waardoor geen aanknopingspunten bestaan op grond waarvan deze geurhinder kan worden meeberekend bij de beoordeling van de cumulatieve geurhinder. Verder acht de Afdeling het niet onredelijk dat in het onderzoek naar de geurhinder het uitgangspunt is gehanteerd dat veehouderijbedrijven voldoen aan de eisen van het Besluit. Het Besluit bepaalt namelijk dat dierenverblijven, waar emissiearme huisvestingssystemen voor beschikbaar zijn, op den duur emissiearm moeten zijn uitgevoerd. Op grond van het Besluit mogen alleen nog huisvestingssystemen met een emissiefactor die niet hoger is dan de maximale emissiewaarde, toegepast worden. Voor zover [appellant sub 14] en anderen ten aanzien van het onderzoek naar de geurhinder tot slot hebben gesteld dat onduidelijk is met welke geuremissie per dierplaats is gerekend, wijst de Afdeling er op dat in het rapport staat dat de geuremissie per bedrijf in odour units per kubieke meter lucht wordt berekend op basis van het vergunde aantal dieren en de geuremissiefactoren per diersoort en staltypen, zoals deze volgen uit de Regeling geurhinder en veehouderij. De Afdeling ziet niet in dat het rapport op dit punt onvoldoende inzicht geeft in de uitgangspunten die bij het onderzoek zijn gehanteerd.

Het betoog van [appellant sub 14] en anderen dat in het kader van het MER geen onderzoek is gedaan naar de risico's die uitbreidingen van intensieve veehouderijen met zich kunnen brengen voor de volksgezondheid, volgt de Afdeling niet. Uit het MER blijkt dat de kans op het uitbreken van infectieziekten die kunnen worden overgedragen van dieren op mensen voor de vier scenario's zijn onderzocht. [appellant sub 14] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek op dit punt zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet op het MER op dit punt heeft kunnen baseren. De enkele verwijzing naar een informatieblad van de GGD is hiervoor onvoldoende.

Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat in het onderzoek naar de effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de passende beoordeling, ten onrechte als uitgangspunt is gehanteerd dat buiten een zone van 3000 meter rondom Natura 2000-gebieden het effect van de uitstoot van ammoniak duidelijk afneemt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het door [appellant sub 14] en anderen aangehaalde gedeelte uit het rapport "Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur" weliswaar blijkt dat op een afstand van 3000 meter van de bron nog een deel van de vrijgekomen ammoniak moet neerslaan, maar niet dat de depositie per ha per jaar op een afstand van meer dan 3000 meter zodanig hoog is, dat hiermee in het onderzoek rekening had moeten worden gehouden. Gelet hierop hebben [appellant sub 14] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de passende beoordeling zodanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont, dat de raad de passende beoordeling in zoverre niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit.

2.23.9.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten aanzien van de onder 2.23.9.2 vermelde wijzigingsbevoegdheid onvoldoende heeft onderzocht of, uitgaande van de maximale mogelijkheden van het plan, het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Voorts geeft het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat de raad zich niet onder verwijzing naar de in het kader van het plan verrichte onderzoeken in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een invulling van artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 4, aanhef en onder c, van de planregels, mogelijk is waarbij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden en de doelstelling van reconstructie wordt bereikt. Daartoe wordt overwogen dat de raad bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat, in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 14] en anderen stellen, niet enkel heeft verwezen naar de normen van de Wgv. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij ook van belang heeft geacht dat een groot aantal agrarische bedrijven in het buitengebied de bedrijfsactiviteiten zal beëindigen. Tevens heeft de raad in ogenschouw genomen dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven in het plan beperkt zijn, gelet op de omstandigheid dat de huidige bouwkavels al een aanzienlijke omvang hebben. Bovendien heeft de raad voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als voorwaarde gesteld dat het woon- en leefklimaat voor woningen van derden niet wordt aangetast.

Het betoog faalt.

2.24. Voorts hebben [appellant sub 14] en anderen bezwaar tegen de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel Warfveendijk 16 te Laren. Zij betogen dat de raad hun zienswijze onvoldoende heeft weerlegd. Volgens [appellant sub 14] en anderen heeft de raad ten onrechte nagelaten te motiveren waarom de voorziene intensieve veehouderij geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving. [appellant sub 14] en anderen vrezen voor geurhinder, gezondheidsrisico's en aantasting van de omliggende natuurwaarden. In dit verband wijzen zij onder meer op het Natura 2000-gebied Borkeld.

2.24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toelaten van een intensieve veehouderij op het perceel Warfveendijk 16 vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is.

2.24.2. De Afdeling overweegt dat het vorige bestemmingsplan niet in de weg stond aan de vestiging van een intensieve veehouderij op het perceel Warfveendijk 16. Voorts is de oppervlakte van het bouwvlak in het voorliggende plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan niet vergroot.

Op basis van de bij besluit van 24 april 2011 voor het perceel Warfveendijk 16 verleende omgevingsvergunning voor het houden van 2.160 vleesvarkens bedraagt de geurbelasting ter plaatse van het perceel Warfveendijk 18, het perceel dat het dichtst bij het perceel Warfveendijk 16 is gelegen, 9,66 odour units per kubieke meter lucht. Ingevolge de Wgv geldt voor het buitengebied van Lochem een norm van 14 odour units per kubieke meter lucht. Nu niet van omstandigheden is gebleken op grond waarvan de raad geen aansluiting heeft kunnen zoeken bij de geurnormen van de Wgv, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene intensieve veehouderij geen onevenredige geurhinder met zich zal brengen. Daarnaast hebben [appellant sub 14] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan op dit punt onevenredige gezondheidsrisico's met zich brengt. Het Natura 2000-gebied Borkeld ligt op 5000 m van de voorziene intensieve veehouderij. De passende beoordeling heeft geen betrekking op het Natura 2000-gebied Borkeld. Uit het deskundigenbericht volgt evenwel dat niet is uitgesloten dat de voorziene intensieve veehouderij significant negatieve effecten met zich kan brengen op het Natura 2000-gebied Borkeld. Niet is gebleken dat het deskundigenbericht op dit punt onjuist is. In dit verband is van belang dat uit het deskundigenbericht volgt dat de kwaliteit van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied Borkeld zwaar onder druk staat, nu de achtergrondwaarde stikstof de kritische depositiewaarde van één van de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen reeds overschrijdt. Tevens is van belang dat uit de stukken blijkt dat op het perceel Warfveendijk 16 ten tijde van de vaststelling van het plan geen intensieve veehouderij gevestigd was. Het plan voorziet in zoverre in een nieuwe functie ten opzichte van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Gelet op deze omstandigheden is het uitgangspunt in de passende beoordeling dat buiten een zone van 3000 m rondom een Natura 2000-gebied het effect van de uitstoot van ammoniak duidelijk afneemt voor dit geval niet zonder meer toereikend voor het oordeel dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Borkeld niet door het plan, voor zover het betreft de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel Warfveendijk 16 te Laren, worden aangetast. Gelet hierop is bij de vaststelling van het plan in zoverre artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, niet in acht genomen. Het betoog slaagt.In hetgeen [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels, voor zover op grond daarvan een omschakeling naar een intensieve veehouderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied", is vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998 en artikel 3:2 van de Awb. In hetgeen [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling tevens aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel Warfveendijk 16 te Laren, is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.25. In hetgeen [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels, voor zover op grond van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid een omschakeling naar een intensieve veehouderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied", is vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998 en artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 14] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 15], [appellant sub 16] en [appellant sub 17]

2.26. [appellante sub 15] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 12] te Lochem. Hiertoe voert zij aan dat een verruiming van het bedrijfsterrein noodzakelijk is om haar bedrijfsvoering te kunnen voortzetten. Zij stelt dat de in het plan voorziene uitbreiding van de bebouwing van 40% onvoldoende is nu dit slechts de bestaande situatie bestemt. Hierbij stelt zij dat de bestaande situatie waarin zij percelen huurt en hiertussen heen en weer rijdt uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onwenselijk is. De verspreiding van bedrijfsactiviteiten over verschillende percelen leidt volgens haar onder meer tot overlast voor omwonenden en een extra milieubelasting. Voorts biedt haar perceel aan de [locatie 12] voldoende ruimte. Zij wijst in dit verband op de mogelijkheid om de beek de Heksenlaak (hierna: de Heksenlaak) te verleggen. Volgens haar heeft het Waterschap Rijn en IJssel hiermee ingestemd en heeft dit geen nadelige gevolgen voor de ecologie ter plaatse. Daarnaast is het mogelijk om, evenals bij vergelijkbare percelen in Lochem, het bosperceel aan te merken als agrarische grond. [appellante sub 15] stelt tot slot dat verplaatsing van het bedrijf onder meer niet mogelijk is vanwege het gebiedsgebonden karakter van het bedrijf voor de agrarische activiteiten.

2.26.1. De raad stelt dat het plan voorziet in een uitbreiding van het bedrijf ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Een verdere vergroting van het bedrijfsvloeroppervlak is volgens de raad niet mogelijk gelet op de kwetsbare landschappelijke situatie ter plaatse. De raad stelt dat de Heksenlaak een specifieke ecologische doelstelling heeft en als zodanig is opgenomen in het Waterplan Gelderland. Verder wijst de raad op de ligging van het perceel naast gronden die deel uitmaken van de EHS.

2.26.2. Ingevolge artikel 1, lid 22, van de planregels dient onder bestaande (bedrijfs)bebouwing te worden verstaan: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen, met uitzondering van bebouwing die weliswaar bestaat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder 2, sub c, mag in afwijking van het bepaalde onder a, de oppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gebiedsgebonden bedrijf', binnen het bestemmingsvlak worden uitgebreid met maximaal 40%.

2.26.3. Niet in geschil is dat het plan voorziet in een planologische uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en het toegestane gebruik. Ter zitting is komen vast te staan dat dit betekent dat het bedrijf kan uitbreiden met 1302,55 m2 ten opzichte van het bij recht toegestane maximale bebouwingsoppervlak onder het vorige bestemmingsplan. Ten aanzien van een verdere uitbreiding van de bedrijfsbebouwing op het perceel heeft de raad mogen overwegen dat het perceel in een kwetsbaar ecologisch gebied ligt. Hierbij heeft hij van belang mogen achten dat het perceel in de directe nabijheid van de EHS ligt en dat de Heksenlaak in het "Waterplan Gelderland 2010-2015" van 11 november 2009 is aangewezen als water met een specifieke ecologische doelstelling. Dat het Waterschap zou hebben ingestemd met het verleggen van de Heksenlaak is niet met stukken onderbouwd. Tevens heeft de raad in zijn afweging kunnen betrekken dat omwonenden in onevenredige mate hinder zullen ondervinden van een verdere uitbreiding van het bedrijf. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom de raad het niet wenselijk heeft geacht mee te werken aan de door [appellante sub 15] voorgestelde vergroting van het bebouwbaar oppervlak. De raad heeft derhalve in redelijkheid de bestemming "Bedrijf" kunnen toekennen aan het perceel van [appellante sub 15] zonder verdere uitbreidingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

2.27. [appellant sub 16] en [appellant sub 17] kunnen zich evenmin verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 12]. [appellant sub 16] voert hiertoe in de eerste plaats aan dat het plan voorziet in een functieverandering voor het perceel nu ook niet-agrarische activiteiten in de vorm van een opslagterrein en een parkeerterrein zijn toegestaan. Volgens hem hadden derhalve de gebruikelijke onderzoeken moeten worden uitgevoerd onder andere wat betreft de ligging nabij de EHS, de gevolgen voor de verkeersveiligheid, de archeologische waarden ter plaatse en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. [appellant sub 16] stelt daarnaast dat gezien het specifieke karakter van de situatie een apart tijdelijk bestemmingsplan had moeten worden gemaakt voor het perceel zodat de eerder gemaakte afspraken hierin kunnen worden vastgelegd. [appellant sub 16] stelt dat onder meer in het plan had moeten worden vastgelegd dat het huidige parkeerterrein alleen bestemd is voor personenauto's en dat de overzijde van de weg geen permanent parkeerterrein wordt. [appellant sub 16] stelt tot slot dat het bedrijf [appellante sub 15], gezien de aard van de bedrijfsvoering, niet is aangewezen op het buitengebied nu de niet-agrarische activiteiten niet gebiedsgebonden zijn.

[appellant sub 17] voert aan dat in strijd met het uitgangspunt van het plan inzake een goed woon- en leefmilieu, het plan voorziet in een functieverandering voor het perceel. Volgens [appellant sub 17] ligt hieraan geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag, maar heeft de raad zijn eigen belang hierbij laten prevaleren. Hij stelt dat het bedrijf niet meer passend is op het perceel en dat een alternatieve locatie voor het bedrijf wenselijker is. Eventuele planologische bezwaren tegen de verplaatsing van het bedrijf zijn [appellant sub 17] onbekend. Voorts stelt hij dat hij erop mocht vertrouwen dat gevolg zou worden gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt tussen de gemeente, [appellante sub 15] en de omwonenden.

2.27.1. De raad stelt dat geen zicht bestaat op verplaatsing van het bedrijf, zodat is uitgegaan van de bestaande situatie. Indien het bedrijf toch zal worden verplaatst, zal een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld waarover overleg zal plaatsvinden met omwonenden. De raad stelt geen eigen belang te hebben bij het bestemmen van de bestaande situatie.

2.27.2. De Afdeling stelt op grond van de door de raad overgelegde gegevens, die [appellant sub 16] en [appellant sub 17] niet hebben weersproken, vast dat 8.773 m2 van het perceel in het vorige bestemmingsplan was bestemd voor "Agrarische hulpbedrijven (Bh)", en 9.727 m2 van het perceel voor "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde". In het onderhavige plan heeft het gehele perceel ter grootte van 18.500 m2 de bestemming "Bedrijf". Voorts staat vast dat de oppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing als bedoeld in artikel 1, lid 22 van de planregels mag worden uitgebreid met 40%. Dit betekent een uitbreiding van 1302,55 m2 ten opzichte van het bij recht toegestane maximale bebouwingsoppervlak onder het vorige bestemmingsplan. [appellant sub 16] en [appellant sub 17] stellen terecht dat voor deze niet geringe uitbreiding van de gebruik- en bouwmogelijkheden van en op het perceel onder meer had moeten worden bezien of dit zich verhoudt tot de ligging in de directe nabijheid van de EHS. De raad heeft hieromtrent gesteld dat het een bestaande situatie betreft en dat daarom niet is te verwachten dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS worden aangetast. De Afdeling acht dit evenwel, in het licht bezien van de door de raad gestelde kwetsbare landschappelijke situatie ter plaatse, onvoldoende om de conclusie te dragen dat de planologische ontwikkeling van het perceel niet kan leiden tot een significante aantasting van de EHS. De enkele stelling dat de milieueffecten voldoende zijn onderzocht in het kader van de vergunningverlening ingevolge de Wet milieubeheer is hiertoe eveneens onvoldoende aangezien in dit kader niet wordt bezien wat de effecten zijn op de EHS. Daar komt bij dat de raad zich evenmin rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van de planologische uitbreiding voor de verkeerssituatie ter plaatse en voor de geluidbelasting op omliggende woningen. Dit klemt te meer nu de raad ter zitting heeft erkend dat de Lindeboomseweg niet is berekend op een dergelijke zware verkeersbelasting. De door de raad gestelde omstandigheid dat ook andere bestaande bedrijven in het buitengebied verkeer produceren, kan niet tot de conclusie leiden dat de verkeerssituatie daarom aanvaardbaar is. Tot slot is van belang dat omwonenden op korte afstand van het perceel wonen, zodat de raad ook om die reden de gevolgen had moeten bezien van het plan voor de EHS, de verkeersituatie en de geluidbelasting op de woningen. Gezien al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het plan voor het perceel [locatie 12] niet met de bij het nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

2.28. In hetgeen [appellant sub 16] en [appellant sub 17] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 12], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellante sub 21]

2.29. [appellant sub 18] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie - recreatiewoning" voor zijn perceel [locatie 13] te Gorssel. Hiertoe voert hij aan dat de woning sinds 1987 permanent wordt bewoond en bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zijn woning zou worden bestemd voor permanente bewoning. Hij verwijst in dit verband onder meer naar een zogenoemde gemeentegarantiestelling van 6 oktober 1987.

2.29.1. [appellant sub 19] heeft bezwaar tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor zijn perceel [locatie 16] te Epse. Hij betoogt dat het plandeel ten onrechte niet de bestemming "Wonen" heeft gekregen. Hij voert hiertoe aan dat de woning op het perceel is opgericht als reguliere woning en niet als recreatiewoning en sinds 1935 permanent wordt bewoond. Bovendien is de woning volgens [appellant sub 19] in overeenstemming met het Bouwbesluit. Voorts stelt hij dat hij door de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" onevenredig in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt.

2.29.2. [appellant sub 20] heeft bezwaar tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor haar perceel [locatie 14] te Epse. Zij betoogt dat de raad het plandeel ten onrechte niet de bestemming "Wonen" heeft gegeven. Hiertoe voert zij aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een reguliere woning op het perceel en niet voor een recreatiewoning. De woning heeft tevens de kenmerken van een reguliere woning en wordt al sinds 1984 permanent bewoond. Bovendien is in het deskundigenbericht ten behoeve van het bestemmingsplan "Buitengebied, Correctieve Herziening" reeds aanbevolen om het plandeel voor het perceel [locatie 14], evenals de percelen Oude Larenseweg 71 en Dortherdijk17, de bestemming "Woondoeleinden" te geven.

2.29.3. [appellante sub 21] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" voor haar perceel [locatie 15] te Gorssel. Hiertoe stelt zij allereerst dat de permanente bewoning is aangevangen in 1983. De woning, alsmede de locatie van de woning, is volgens haar geschikt voor permanente bewoning. Zij stelt daarnaast dat het gebruik niet slechts door haar kan worden voortgezet op grond van de gedoogbeschikking, maar tevens door anderen op grond van het overgangsrecht in het plan. Een dubbelbestemming voor haar woning, inhoudende dat de bebouwingsbepalingen niet toenemen maar dat zij haar woning wel voor permanente bewoning mag gebruiken, is volgens haar een mogelijkheid. Tot slot stelt zij dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu op het perceel [locatie 10] wel bebouwing wordt toegestaan.

2.30. De raad stelt dat de woningen niet zijn bestemd voor permanente bewoning omdat hij verdere verstening van het buitengebied onwenselijk acht. Daarnaast wordt het beleid gevoerd dat een woonbestemming uitsluitend wordt toegekend indien de Afdeling een reguliere woonbestemming gerechtvaardigd acht. Daarbij stelt de raad dat de woningen naar aard en karakter recreatiewoningen zijn.

2.31. De plandelen voor de desbetreffende percelen hadden in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied, Correctieve Herziening" de bestemming "Zomerhuis".

Ingevolge artikel 46 van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan mocht een gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of voorschriften, worden voorgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

2.31.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels van het voorliggende plan, zijn de voor "Recreatie - Recreatiewoning" aangewezen gronden bestemd voor een solitaire recreatiewoning.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge dat lid, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Ingevolge het derde lid, kunnen burgemeester en wethouders indien de toepassing van het overgangsrecht gebruik in artikel 43, tweede lid, zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan de grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, aan de desbetreffende persoon of personen een niet overdraagbare afwijking verlenen van dat overgangsrecht, met het oog op de beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie. De persoonsgebonden gedoogbeschikkingen die in het verleden aan permanente bewoners van recreatiewoningen zijn verleend, kunnen als een zodanige niet overdraagbare afwijking worden aangemerkt.

2.31.2. Niet in geschil is dat de desbetreffende woningen reeds voor de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan permanent werden bewoond. Dit gebruik viel gelet op artikel 46 van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan onder het overgangsrecht, omdat gebruik dat niet in overeenstemming was met het daarvoor geldende plan niet van het overgangsrecht was uitgezonderd. Nu het gebruik derhalve niet in strijd was met het vorige bestemmingsplan valt dit gebruik onder de reikwijdte van het overgangsrecht van artikel 43, tweede lid, onder a, van de planregels en is de uitzondering als bedoeld in het tweede lid, onder d, niet van toepassing. Dit betekent dat, in tegenstelling tot hetgeen de raad stelt, aan de toepassing van artikel 43, derde lid, waarin het persoonsgebonden overgangsrecht is geregeld, niet wordt toegekomen. Het persoonsgebonden overgangsrecht kan immers, gelet op de formulering van artikel 43, derde lid, alleen van toepassing zijn indien het tweede lid dit niet is. De conclusie is dat met het onderhavige plan het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in gevallen als de onderhavige in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel duidelijk geworden dat [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellante sub 21] niet voornemens zijn de permanente bewoning van hun recreatiewoning te beëindigen. Voorts heeft de raad gesteld niet voornemens te zijn de percelen te verwerven of te onteigenen. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen.

De Afdeling overweegt tot slot dat zij het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is de permanente bewoning van de recreatiewoningen als zodanig te bestemmen door middel van een woonbestemming, niet onredelijk acht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad verstening van het buitengebied wenst tegen te gaan en een woonbestemming gepaard gaat met ruimere bouwmogelijkheden, hetgeen zou kunnen leiden tot grotere bouwvolumes en meer bijgebouwen. Het had evenwel op de weg van de raad gelegen om te overwegen of voor de gevallen waarin de recreatiewoning reeds permanent werd bewoond voor de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan, in het voorliggende plan een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen. Een dergelijke uitsterfregeling houdt in dat de desbetreffende recreatiewoningen als recreatiewoning worden bestemd met de daarbij behorende bouwregels, maar dat in afwijking van het verbod van permanente bewoning, permanente bewoning van deze recreatiewoningen wordt toegestaan, met dien verstande dat op het moment dat de permanente bewoning van de desbetreffende recreatiewoningen eindigt, dit gebruik hierna niet langer is toegestaan.

Nu de raad niet in redelijkheid de permanente bewoning opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of voor de desbetreffende gevallen in het plan een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. De betogen slagen. De andere aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

2.32. In hetgeen [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellante sub 21] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor de percelen [locatie 13] te Gorssel, [locatie 16] te Epse, [locatie 14] te Epse en [locatie 15] te Gorssel zijn genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 22]

2.33. [appellant sub 22] heeft bezwaar tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor zijn perceel [locatie 17] te Epse. Hij betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel niet de bestemming "Wonen" heeft gegeven. Hierdoor kan hij in de toekomst de woning niet permanent bewonen, noch uitbreiden. Volgens [appellant sub 22] heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van dit concrete geval en heeft hij zich ten onrechte gebaseerd op zijn beleid. Hiertoe voert hij aan dat een woonbestemming passend is, omdat aan alle woningen in de omgeving een woonbestemming is toegekend. Bovendien past het toekennen van een woonbestemming binnen het beleid dat de raad van de gemeente Gorssel aan het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening/Herziening 2003-1 [locatie 18]" ten grondslag heeft gelegd. In dit plan heeft de raad in een vergelijkbaar geval een recreatiewoning als reguliere woning bestemd. Verder stelt [appellant sub 22] dat het provinciale beleid inzake de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) zich niet tegen een wijziging van de bestemming verzet, nu het perceel ligt in EHS-verwevingsgebied, waarbinnen ruimtelijke ingrepen zijn toegestaan.

2.33.1. De raad stelt zich op het standpunt dat teneinde verdere verstening in het buitengebied tegen te gaan overeenkomstig het beleid aan recreatiewoningen in het buitengebied geen woonbestemming wordt toegekend, omdat dat gepaard zou gaan met ruimere bouwmogelijkheden. Bovendien ligt de woning in de EHS.

2.33.2. Het beleid van de gemeente inzake recreatiewoningen is gericht op het beëindigen van de permanente bewoning van recreatiewoningen.

Niet in geschil is dat voor het perceel aan [locatie 17] een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een recreatiewoning en niet voor de bouw van een reguliere woning. Evenmin is in geschil dat de recreatiewoning ten tijde van de vaststelling van het plan niet permanent werd bewoond. De raad heeft derhalve terecht gesteld dat het toekennen van een woonbestemming niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid inzake recreatiewoningen.

In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet in redelijkheid aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Voor zover [appellant sub 22] stelt dat in zijn woonomgeving alle woningen als zodanig zijn bestemd, kan de Afdeling dit niet volgen, nu ten zuidwesten van de woning van [appellant sub 22] verschillende woningen als recreatiewoning zijn bestemd. Verder is ter zitting gebleken dat, in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 22] stelt, op de beleidskaart ruimtelijke structuur behorende bij het streekplan Gelderland 2005 het perceel van [appellant sub 22] is aangeduid als "EHS-Natuur" en niet als "EHS-verweving". Daarbij komt dat indien het provinciale beleid zich niet zou verzetten tegen de ontwikkeling, dit niet zonder meer zou betekenen dat de raad gehouden zou zijn de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 22] aan de omstandigheid dat de woning op het perceel [locatie 18] een woonbestemming heeft niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat ook zijn recreatiewoning als woning zou worden bestemd. Hierbij is van belang dat de raad bij de vaststelling van het voorliggende plan in redelijkheid op grond van gewijzigde planologische inzichten andere criteria doorslaggevend heeft kunnen achten bij de beantwoording van de vraag of een recreatiewoning een woonbestemming krijgt, dan de criteria die hij heeft gehanteerd bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening/Herziening 2003-1 [locatie 18]".

Het betoog faalt.

2.34. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor het perceel [locatie 17] te Epse strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 23]

2.35. [appellant sub 23] betoogt dat de te bebouwen oppervlakte voor zijn recreatiewoning op het perceel [locatie 19] te Eefde ten onrechte in het plan is gemaximeerd tot 75 m². Hij stelt dat de oppervlakte van zijn recreatiewoning minder dan 75 m² is. Nu de raad echter ten onrechte heeft gepersisteerd bij zijn stelling dat de oppervlakte van zijn recreatiewoning 88 m² bedraagt, is de maximaal te bebouwen oppervlakte voor zijn recreatiewoning 88 m², aldus [appellant sub 23].

2.35.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op basis van een luchtfoto is geconcludeerd dat de feitelijke oppervlakte van de woning van [appellant sub 23] 88 m² bedraagt. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de planregels is de bestaande maatvoering van 88 m² van de recreatiewoning van [appellant sub 23] als zodanig bestemd, maar mag deze woning niet verder worden uitgebreid, aldus de raad.

2.35.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover van belang, geldt voor het bouwen de regel dat de oppervlakte van een recreatiewoning niet meer dan 75 m² mag bedragen (inclusief berging en veranda).

Ingevolge het bepaalde in dat lid, aanhef en onder c, geldt voor het bouwen de regel dat, indien de bestaande en vergunde recreatiewoning al groter is, de bestaande omvang als de maximale maatvoering geldt en deze niet verder mag worden uitgebreid.

2.35.3. In het deskundigenbericht staat dat de oppervlakte van de recreatiewoning ongeveer 66 m² bedraagt. De raad heeft dit ter zitting bevestigd. Derhalve stelt [appellant sub 23] terecht dat de raad ten onrechte uitgaat van een oppervlakte van 88 m². Gelet op artikel 18, tweede lid, van de planregels, voor zover van belang, heeft de raad echter alleen indien de bestaande maatvoering van de recreatiewoning van [appellant sub 23] groter zou zijn dan de maximale maatvoering van 75 m², de bestaande maatvoering als zodanig bestemd. Derhalve kan uit het standpunt van de raad niet worden afgeleid dat [appellant sub 23], nu zijn recreatiewoning kleiner is dan 75 m², mogelijkheden heeft tot een uitbreiding van zijn recreatiewoning tot 88 m². Evenmin bestaat anderszins aanleiding voor het oordeel dat het onredelijk is dat de maximale oppervlakte van de recreatiewoning op het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor het perceel [locatie 19], 75 m² bedraagt. Het betoog faalt.

2.36. In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planregel, voor zover deze voorziet in een maximum oppervlakte van 75 m² voor recreatiewoningen, voor zover deze betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor het perceel [locatie 19] te Eefde, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 24]

2.37. [appellant sub 24] betoogt dat de te bebouwen oppervlakte voor zijn recreatiewoning op het perceel [locatie 20] te Epse ten onrechte in het plan is gemaximeerd tot 75 m². Hij wenst zijn recreatiewoning uit te breiden tot een oppervlakte van 95 m². Volgens [appellant sub 24] wordt hij onevenredig beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden, nu zijn recreatiewoning niet geschikt is voor een uitbreiding met een tweede woonlaag, terwijl hij wel kan voldoen aan de maximale inhoudsmaat van 300 m³. [appellant sub 24] wijst erop dat in de omgeving van zijn recreatiewoning woningen zijn gesitueerd met een grotere oppervlaktemaat dan 75 m². Hij heeft in dit kader ter zitting gewezen op de woning op het perceel Oude Larenseweg 58.

2.37.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij wenst vast te houden aan het algemene beleid ten aanzien van de bouwmogelijkheden voor recreatiewoningen. Hij ziet geen reden om in dit geval hierop een uitzondering te maken.

2.37.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover van belang, geldt voor het bouwen de regel dat de oppervlakte van een recreatiewoning niet meer dan 75 m² mag bedragen (inclusief berging en veranda).

Ingevolge het bepaalde in dat lid, aanhef en onder c, geldt voor het bouwen de regel dat, indien de bestaande en vergunde recreatiewoning al groter is, de bestaande omvang als de maximale maatvoering geldt en deze niet verder mag worden uitgebreid.

2.37.3. In de plantoelichting heeft de raad uiteengezet dat conform het provinciale beleid de recreatiewoningen in het plan in omvang zijn beperkt tot een oppervlakte van maximaal 75 m². Bestaande en vergunde grotere woningen zijn positief bestemd en kunnen in dezelfde omvang worden voortgezet, zo staat in de plantoelichting. In het deskundigenbericht staat dat de recreatiewoning op het perceel [locatie 20] een omvang heeft van 64 m². [appellant sub 24] heeft dit niet betwist. Het verzoek van [appellant sub 24] tot vergroting van zijn recreatiewoning tot 95 m² is derhalve niet in overeenstemming met het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt dat een dergelijke recreatiewoning mag uitbreiden tot maximaal 75 m². In de door [appellant sub 24] genoemde omstandigheid dat de gewenste uitbreiding niet zal leiden tot een overschrijding van de maximaal toegelaten inhoudsmaat van 300 m³ ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een uitzondering had moeten maken op dit uitgangspunt. Voor zover [appellant sub 24] ter zitting een vergelijking heeft gemaakt met de woning op het perceel Oude Larenseweg 58 wordt overwogen dat ter zitting is gebleken dat dit een woning betreft waarvan de bestaande maatvoering al groter is dan het maximum van 75 m². Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

2.38. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planregel, voor zover deze voorziet in een maximum oppervlakte van 75 m² voor recreatiewoningen, voor zover deze betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor het perceel [locatie 20] te Epse, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 25]

2.39. [appellant sub 25] heeft bezwaar tegen het plan voor zover de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Natuur" voor zijn perceel [locatie 21] te Laren niet tevens de bestemming "Landgoed" hebben gekregen. Hiertoe bestrijdt hij de stelling van de raad dat geen sprake is van een landgoed met cultuurhistorische waarden. [appellant sub 25] wijst erop dat zijn terrein op grond van de Natuurschoonwet is aangewezen als een zogenoemd NSW-landgoed. Volgens [appellant sub 25] bevindt zich op het perceel een pingoruïne en zijn op het perceel alle elementen aanwezig die het landgoed volwaardig maken. Bovendien zou een dergelijke bestemming passen binnen de mogelijkheden die het streekplan Gelderland 2005 en het structuurschema "Groene Ruimte I" bieden. Tevens wijst [appellant sub 25] op enkele nabijgelegen landgoederen die wel als zodanig zijn bestemd, terwijl deze vergelijkbaar zijn met zijn landgoed.

2.39.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan NSW-landgoederen niet de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" is toegekend. Volgens de raad bevindt zich op het perceel geen productie-eenheid met meer boerderijen, waardoor geen noodzaak bestaat tot een uitbreiding van de op het perceel mogelijk gemaakte functies.

2.39.2. De Afdeling begrijpt het betoog aldus dat [appellant sub 25] wenst dat het plandeel voor zijn NSW-landgoed de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" krijgt.

De dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" heeft, gelet op artikel 34, eerste lid, van de planregels, tot doel het behoud en de versterking van de cultuurhistorische waarden van landgoederen die bestaan uit de samenhang van een economische productie-eenheid in de vorm van een landhuis en boerderijen, omringend parkbos, lanen, paden, watergangen en waterpartijen, agrarische productiegronden en (productie)bos. Blijkens de plantoelichting wordt de dubbelbestemming toegekend in combinatie met de bestemming "Gemengd" met de daarbij behorende ruime functiemogelijkheden. Daarnaast worden door middel van de dubbelbestemming ontwikkelingsmogelijkheden geboden voor kleinschalige nevenfuncties, zoals een bed & breakfast, cultuur en natuureducatie en een kleinschalige horecagelegenheid. In de plantoelichting staat voorts dat in het buitengebied een groot aantal NSW-landgoederen voorkomt. Dit zijn terreinen waar nog geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn, maar waar het de bedoeling is een nieuw landgoed te ontwikkelen. Volgens de plantoelichting is de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" niet toegekend aan de NSW-landgoederen, omdat deze nog geen cultuurhistorische waarden hebben.

De plandelen voor het perceel van [appellant sub 25] hebben de bestemmingen "Wonen" en "Natuur" en niet de bestemming "Gemengd". Het perceel van [appellant sub 25] is voorts aangewezen als een zogenoemd NSW-landgoed. Het verzoek van [appellant sub 25] om aan het plandeel voor zijn perceel de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" te geven is op deze punten derhalve niet in overeenstemming met de uitgangspunten inzake de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie", die de raad bij de vaststelling van het plan heeft gehanteerd en zoals die zijn neergelegd in de plantoelichting.

De raad heeft erkend dat zich op het perceel van [appellant sub 25] een belangrijk cultuurhistorisch element bevindt, te weten een pingoruïne. Gelet op het doel van de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" heeft de raad het echter doorslaggevend geacht dat op het perceel geen economische productie-eenheid in de vorm van een landhuis en boerderijen aanwezig is. De raad heeft daarbij nader toegelicht dat hij terughoudend wil omgaan met het toekennen van de dubbelbestemming, omdat hij uitbreiding van functiemogelijkheden in het buitengebied wil voorkomen. Bovendien wordt de door [appellant sub 25] gewenste bescherming van de waarden op zijn perceel reeds geboden door middel van de bestemming "Natuur".

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen vasthouden aan de bij de vaststelling van het plan gehanteerde uitgangspunten dat NSW-landgoederen niet de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" krijgen en dat de dubbelbestemming alleen wordt toegekend indien het plandeel voor het desbetreffende perceel de bestemming "Gemengd" heeft. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de enkele omstandigheid dat een gewenste ontwikkeling niet in strijd is met provinciaal beleid niet zonder meer met zich brengt dat de raad aan een dergelijke ontwikkeling medewerking moet verlenen. Het betoog faalt.

2.40. Tevens heeft [appellant sub 25] bezwaar tegen de functieaanduiding "evenemententerrein" voor een perceel aan de Verwoldseweg te Laren. Hij betoogt dat de mogelijkheid die het plan biedt om ter plaatse grote evenementen te houden niet passend is in de omgeving. In dit kader wijst hij in het bijzonder op evenementen als de "Trekkertrek" en de "Feestfabriek". [appellant sub 25] stelt door deze evenementen onevenredige geluid- en parkeeroverlast te ondervinden. Bovendien brengen dergelijke evenementen nadelige gevolgen met zich voor het milieu en het naastgelegen natuurgebied. Volgens [appellant sub 25] biedt de evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening onvoldoende waarborgen om negatieve effecten voor de omgeving uit te sluiten.

2.40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in zoverre geen negatieve effecten met zich brengt voor de natuur. Gelet op de afstand tot de woning van [appellant sub 25] en het karakter van de jaarlijks terugkerende evenementen die op het terrein mogelijk zijn gemaakt zal [appellant sub 25] geen onevenredige gevolgen ondervinden van het plan, aldus de raad. De raad wijst er in dit kader op dat alvorens een evenement kan plaatsvinden tevens een evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening moet worden verleend, in het kader waarvan onder meer de belangen van omwonenden zullen worden afgewogen.

2.40.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder j, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden alsmede ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" bestemd voor een evenemententerrein zoals geregeld in artikel 3, lid 4, onder 2.

Ingevolge het bepaalde in dat artikel, vierde lid, onder 2, is ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" maximaal 6 keer per jaar een evenement toegestaan, mits de duur van een evenement niet meer dan 15 dagen per evenement bedraagt, inclusief het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement. Gedurende een evenement kan het terrein of een gedeelte daarvan ook dienst doen als parkeerterrein.

2.40.3. De Afdeling stelt voorop dat de aanwijzing van het terrein aan de Verwoldseweg te Laren voor evenementen, gelet op de beperkte grootte van het terrein en de afstand tot het perceel van [appellant sub 25], op zichzelf aanvaardbaar kan zijn. Hoewel in artikel 3, vierde lid, onder 2, van de planregels een beperking is gesteld aan het aantal en de duur van de evenementen waarin het plan voorziet, stelt het plan evenwel geen beperkingen aan het maximale aantal bezoekers per evenement en het soort evenementen dat met de aanduiding "evenemententerrein" mogelijk wordt gemaakt. Nu het soort evenementen en het maximum aantal bezoekers per evenement relevant is voor de ruimtelijke uitstraling en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenement, in het bijzonder voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat van omwonenden, had het op de weg van de raad gelegen om omtrent deze aspecten in het plan voorschriften op te nemen. De raad heeft in dit verband niet kunnen volstaan met de stelling dat op het perceel met name jaarlijks terugkerende evenementen zijn voorzien die beperkte overlast veroorzaken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat aan de plantoelichting geen juridisch bindende betekenis toekomt en derhalve aan belanghebbenden onvoldoende rechtszekerheid biedt over het maximum aantal bezoekers per evenement en het soort evenementen dat met het plan mogelijk wordt gemaakt. Daarbij komt dat aan de omstandigheid dat een evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening nodig is, niet de zekerheid kan worden ontleend dat op het perceel alleen evenementen kunnen worden gehouden die vanuit planologisch oogpunt aanvaardbaar zijn. De Algemene Plaatselijke Verordening is namelijk met name ingegeven vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde.

Gelet op het voorgaande heeft de raad door in de planregels geen beperkingen op te nemen omtrent het maximum aantal bezoekers en het soort evenementen dat op het terrein mogelijk wordt gemaakt, het plan, voor zover dat betrekking heeft op de functieaanduiding "evenemententerrein" voor het perceel aan de Verwoldseweg te Laren, vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.41. In hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de functieaanduiding "evenemententerrein" voor het perceel aan de Verwoldseweg te Laren strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 25] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Natuur" voor zijn perceel [locatie 21] strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 26] en anderen en [appellant sub 27]

2.42. [appellant sub 26] en anderen en [appellant sub 27] kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 22] te Harfsen. Hiertoe voeren zij aan dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het gemeentelijk en provinciaal beleid. [appellant sub 27] stelt in dit verband dat het plangebied onderdeel is van de Dommerbeek en daarmee deel uitmaakt van het Beekdallandschap. Hiervoor geldt volgens [appellant sub 27] dat bebouwing alleen is toegestaan op zogenoemde hoge ruggen. [appellant sub 27] stelt dat het plangebied in strijd met dit beleid niet op een hoge rug ligt. [appellant sub 27] stelt daarnaast dat het plan in strijd is met het door het Landschap Ontwikkelingsplan (hierna: LOP) beoogde herstel van het beekdalsysteem en de beoogde kleinschaligheid. [appellant sub 26] en anderen voeren, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 maart 2012, aan dat de ruimtelijke afweging die aan de bestemming ten grondslag ligt niet inzichtelijk is gemaakt. Louter financiële belangen zouden volgens hen niet tot vaststelling van het plan mogen leiden. Zij stellen dat de in het plan voorziene ontwikkeling dient te worden geweerd uit het buitengebied rond Harfsen. Het niettemin toestaan van de ontwikkeling is in strijd met de rechtszekerheid, aldus [appellant sub 26] en anderen.

2.42.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan is vastgesteld in lijn met het gemeentelijk beleid. Volgens de raad doet het plan geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten van het beekdal. Het agrarisch bedrijf wordt door middel van een landschapsplan ingepast in de omgeving. De raad stelt dat de hydrologische situatie in relatie tot de Gorsselse Heide niet zal wijzigen. Volgens de raad heeft het Waterschap een positief advies gegeven. In de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, van april 2008, waarbij de raad zich heeft aangesloten, wordt het standpunt ingenomen dat niet gebouwd wordt op de lage natte delen en dat het bedrijf is voorzien aan de rand van het beekdallandschap. Incidentele bebouwing langs de rand van het beekdallandschap is een kenmerk van het beekdallandschap. Ook past grasland beter in het beekdallandschap dan het bestaande gebruik als maïsland. In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van juni 2011 wordt het standpunt ingenomen dat het bedrijf is voorzien aan de weg en op de hogere rug. Het beekdal rond de bovenloop van de Dommerbeek zal volgens de ruimtelijke onderbouwing herkenbaar in het landschap aanwezig blijven. De ten gevolge van het bedrijf optredende versmalling van het beekbal betekent volgens de raad geen aantasting van de herkenbaarheid van het beekdal in het landschap. Door het toepassen van een grondlichaam aan de westzijde van het bouwvlak worden volgens de raad daarnaast veel van de bedrijfsactiviteiten nauwelijks visueel waarneembaar vanuit de omgeving. Het grondlichaam wordt geïntegreerd in het naastgelegen weiland, waarmee het agrarisch landschap zijn open karakter zo veel mogelijk behoudt, aldus de raad.

2.42.2. Het perceel ligt volgens het deskundigenbericht beleidsmatig aan de rand van het beekdallandschap. Het bouwvlak behoort voor het grootste deel tot de lagere beekdalgronden en ligt derhalve niet op een hoge rug. Uit het deskundigenbericht volgt dat ter plaatse van het perceel het beekdal een grote mate van openheid heeft, zowel in de breedte- als in de lengterichting. Volgens het deskundigenbericht is het beekdal ter plaatse in de lengterichting over een afstand van 700 meter zichtbaar zonder onderbreking van bebouwing. De oprichting van het bedrijf zal dit zicht beperken tot 350 meter. Ten aanzien van de versmalling van het beekdal van 600 meter naar 500 meter, is in het deskundigenbericht vermeld dat de resterende breedte ten noordoosten van het perceel niet meer zichtbaar zal zijn vanaf de Koekoekweg omdat het bedrijf het zicht zal blokkeren. Het zicht op de breedte van het beeklandschap zal worden beperkt van 1000 meter tot 500 meter.

2.42.3. In de inleiding van de Visie Buitengebied Lochem van januari 2007 is vermeld dat de Visie een kader betreft waarin nog vele invullingen en ontwikkelingen mogelijk worden geacht. Volgens de Visie is de verwachting dat de belangrijkste ontwikkelingen zullen voortkomen uit de veranderende agrarische sector, de belangrijkste peiler en gebruiker in het buitengebied. Tevens is vermeld dat de verschillende initiatieven op hun merites zullen worden beoordeeld. Op de bij de Visie behorende kaart zijn de landschapstypen en kernkwaliteiten weergegeven. De kaart geeft verschillende landschapstypen en kernkwaliteiten weer, maar is volgens de Visie een versimpeling van de werkelijke situatie. In het bijzonder wanneer sprake is van ontwikkelingen en maatregelen op de grens van verschillende gebieden, is het zinvol de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen en de kaart veeleer als leidraad te beschouwen. Voor het beekdallanschap is in de Visie vermeld dat uitbreiding van bestaande melkveehouderijen mogelijk is zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van het landschap. Hierbij is het volgens de Visie wel van belang dat de bedrijfsuitbreiding op hoge gronden, in ieder geval niet op natte beekdalgronden in de buurt van de beken, plaatsvindt. Een goede inpassing van de erven door middel van erfbeplanting draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe bedrijfslocaties zijn volgens de Visie uitgesloten. In het slot van de Visie is vermeld dat de Visie een bouwsteen vormt voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan voor het buitengebied.

2.42.3.1. Niet in geschil is dat het plan voorziet in een nieuwe bedrijfslocatie op het perceel [locatie 22] ten behoeve van de verplaatsing van het bestaande agrarische bedrijf van [belanghebbende A], zodat het plan in zoverre niet overeenstemt met het in de Visie neergelegde gemeentelijke beleid. Evenmin is in geschil dat het perceel in de Visie is aangemerkt als deel van het beekdallandschap. Zoals hiervoor weergegeven geldt de Visie als een kader en leidraad aan de hand waarvan de aanvaardbaarheid van ontwikkelingen in het buitengebied, waaronder de bedrijfsverplaatsing van het agrarisch bedrijf van [belanghebbende A], kan worden bepaald. Dat het plan niet in overeenstemming is met bovengenoemd beleidspunt dient derhalve in dit licht te worden bezien.

Gezien de ligging van het perceel op de grens van verschillende gebieden, heeft de raad overeenkomstig deze Visie ter plaatse bezien of de ligging, de aard, en verdere omgeving van het perceel zich lenen voor de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. Hieruit volgt dat het perceel weliswaar deel uitmaakt van het beekdallandschap, maar op niet geringe afstand tot het beekdal zelf ligt. Tevens volgt uit de beoordeling ter plaatse dat het op het perceel geprojecteerde bouwvlak naast een weg ligt en ongeveer 0,75 tot 1 meter hoger ligt dan het beekdal. In de directe omgeving van het perceel is bovendien meer bebouwing gerealiseerd met een dergelijk hoogteverschil tot het beekdal. Daarnaast heeft de raad geconstateerd dat het perceel niet is gesitueerd op de natte gronden van het beekdallandschap en geomorfologisch behoort tot het dekzandlandschap. [appellant sub 26] en anderen en [appellant sub 27] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze beoordeling van de situatie ter plaatse onjuist is, doch hebben deze in het licht van de Visie anders beoordeeld. De Afdeling acht voorts van belang dat de raad heeft overwogen dat de huidige locatie van het agrarisch bedrijf van [belanghebbende A] eveneens in het beekdallandschap is gesitueerd. De kuilvloerplaten en een deel van de opstallen van het bedrijf liggen in het kwetsbare beekdal. Wat betreft de aantasting van de openheid heeft de raad overwogen dat het agrarisch bedrijf door middel van erfbeplanting wordt ingepast. De raad verwijst naar het Landschapsplan. De raad heeft daarbij betrokken dat de planregels, gezien de toegekende aanduidingen "beschermingszone natte landnatuur" en "beekdallandschap", bescherming bieden aan de kernkwaliteiten van het gebied. In de bijlage bij de reactie op het deskundigenbericht heeft de raad de bevindingen van de deskundige ten aanzien van de zichtlijnen gemotiveerd weersproken. Weliswaar zullen door de bebouwing enige zichtlijnen worden verstoord, maar er treedt geen verstoring op van het landschapsbeeld en de structuur. De zichtlijnen haaks op de watergang blijven van de Koekoeksweg grotendeels open, aldus de raad. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze aspecten niet in redelijkheid in zijn afweging heeft mogen betrekken. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen het hiervoor weergegeven beleid, is de conclusie dat de raad in de Visie Buitengebied Lochem geen aanleiding heeft hoeven zien het plan voor het perceel [locatie 22] niet vast te stellen. Onder die omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat het LOP zich verzet tegen vaststelling van het plan voor het perceel. Het betoog faalt.

2.42.3.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de ruimtelijke motieven zijn voor dit plan. Dat louter financiële belangen tot de vaststelling van het plan hebben geleid acht de Afdeling niet aannemelijk gezien het hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de bestaande situatie van het agrarisch bedrijf. Voor zover [appellant sub 26] en anderen stellen dat het plan voor het perceel [locatie 22] is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid is tot slot van belang dat zij dit niet met feiten en omstandigheden aannemelijk hebben gemaakt. Het betoog faalt.

2.43. [appellant sub 26] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 26] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

2.44. In hetgeen [appellant sub 26] en anderen en [appellant sub 27] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 28] en anderen

2.45. [appellante sub 28] en anderen hebben bezwaar tegen de plandelen met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch met waarden" voor het perceel "De Punt" dat is gesitueerd tussen de Bolmansweg en de Weerdsweg te Epse. Zij stellen dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan hun verzoek om het plandeel de bestemming "Wonen" te geven. Het perceel heeft volgens [appellante sub 28] en anderen geen agrarische functie meer. Derhalve bieden noch landelijk, noch provinciaal beleid een grondslag voor de bestemming "Agrarisch met waarden". [appellante sub 28] en anderen wijzen erop dat in de omgeving woningen zijn gesitueerd en zij stellen dat de bestemming "Wonen" binnen de planperiode kan worden verwezenlijkt. Zij bestrijden de stelling van de raad dat een woonbestemming de beschermde waarden van het bos zal aantasten. Wonen in het bos is daarentegen passend binnen het gemeentelijke beleid, aldus [appellante sub 28] en anderen.

2.45.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel ligt in de EHS, waarbinnen in beginsel geen ruimtelijke ingrepen zijn toegestaan. Een woonbestemming is derhalve niet in overeenstemming met het provinciale beleid. Bovendien is het verzoek van [appellante sub 28] en anderen evenmin in overeenstemming met het gemeentelijke beleid, nu in het buitengebied in beginsel geen nieuwe burgerwoningen worden toegestaan, aldus de raad.

2.45.2. Op de bij het streekplan Gelderland 2005 behorende Beleidskaart ruimtelijke structuur is het perceel van [appellante sub 28] en anderen aangeduid als "EHS-verweving". Binnen de EHS geldt de zogenoemde 'nee, tenzij'-benadering. Deze houdt in dat een bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang, zo staat in het streekplan Gelderland 2005. De raad heeft dit beleid tot het zijne gemaakt.

[appellante sub 28] en anderen hebben noch aannemelijk gemaakt dat de wezenlijke kenmerken van de EHS niet significant worden aangetast, noch dat er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beleid inzake de EHS in de weg staat aan het verlenen van medewerking aan het verzoek van [appellante sub 28] en anderen.

Daarbij komt dat de raad als uitgangspunt aan het plan ten grondslag heeft gelegd dat teneinde verdere verstening in het buitengebied te voorkomen in het plan in beginsel geen nieuwe burgerwoningen mogelijk worden gemaakt. De raad heeft gesteld dat slechts nieuwe burgerwoningen worden toegelaten, indien voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake. In tegenstelling tot hetgeen [appellante sub 28] en anderen stellen is hun verzoek derhalve niet in overeenstemming met het gemeentelijke beleid. De raad heeft in redelijkheid in hetgeen [appellante sub 28] en anderen stellen geen reden kunnen zien om van zijn beleid af te wijken.

Dat volgens [appellante sub 28] en anderen een woonbestemming passend is in de omgeving en binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt, doet er niet aan af dat de raad reeds op grond van de hierboven genoemde redenen in redelijkheid heeft kunnen weigeren medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellante sub 28] en anderen om de bestemming van het plandeel voor hun perceel te wijzigen in "Wonen".

Voor zover [appellante sub 28] en anderen hebben betoogd dat de bestemming "Agrarisch met waarden" niet wordt verwezenlijkt, wordt overwogen dat ingevolge artikel 4, eerste lid, onder e, van de planregels de voor "Agrarisch met waarden" bestemde gronden mede zijn bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur-verweving. Nu het perceel deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur en de aanwezigheid van bos niet in strijd is met de bestemming, is de bestemming reeds verwezenlijkt en faalt daarom het betoog.

2.46. In hetgeen [appellante sub 28] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch" voor het perceel "De Punt" dat is gesitueerd tussen de Bolmansweg en de Weerdsweg te Epse strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 29]

2.47. [appellanten sub 29] kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen - FAB" voor de percelen Lochemseweg 109B en 109C te Harfsen. Hiertoe voeren zij aan dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel andere bouwmogelijkheden gelden voor hun woningen dan voor reguliere woningen. Ook achten zij het verschil tussen hun woningen en reguliere woningen onvoldoende gemotiveerd. [appellanten sub 29] missen een individuele beoordeling van een goede ruimtelijke ordening voor hun percelen en betwisten dat de specifieke afweging in het kader van het beleid voor functiewijziging (voormalige) agrarische bebouwing (hierna: het FAB-beleid) uit 2006 hiertoe voldoende is. In dit verband stellen zij tevens dat de raad in zoverre een inconsistent beleid voert. Zij wijzen op het FAB-beleid uit 2008 en de evaluatie hiervan in 2010. Voorts stellen [appellanten sub 29] dat zij erop mochten vertrouwen dat de bouwmogelijkheden voor hun woningen gelijk zouden zijn aan die van reguliere woningen. Tot slot voeren [appellanten sub 29] aan dat zij behoefte hebben aan ruimere bouwmogelijkheden voor hun percelen en dat hiertegen geen ruimtelijke bezwaren bestaan. Zij verwijzen in dit verband naar het stuk "Ruimtelijke situatie in de omgeving Lochemseweg 109B en 109C".

2.47.1. De raad stelt dat de bouwmogelijkheden voor de percelen van [appellanten sub 29] zijn overgenomen uit de partiële herziening "Buitengebied 1987, partiële herziening 2007-4 [locatie 23] Harfsen" van 6 oktober 2008 (hierna: de partiële herziening). Deze partiële herziening is gebaseerd op de "Interim beleidsnotitie functieverandering van (agrarische) gebouwen in het buitengebied van Lochem" van 25 september 2006. De raad licht toe dat in het kader van de partiële herziening en aan de hand van voornoemd beleid is bezien welke bouwmogelijkheden toegekend konden worden aan de percelen van [appellanten sub 29]. De raad stelt dat [appellanten sub 29] destijds hebben ingestemd met de toekenning van bouwmogelijkheden. Volgens de raad is er sindsdien geen nieuw beleid of zijn er anderszins nieuwe inzichten die een wijziging van de bouwbepalingen ten opzichte van de partiële herziening rechtvaardigen.

2.47.2. De Afdeling stelt vast dat de bouwmogelijkheden voor de percelen van [appellanten sub 29] zijn bepaald aan de hand van het zogenoemde FAB-beleid uit 2006. In dat beleid was de ondergrens van vrijkomende agrarische bebouwing die voor functieverandering naar wonen in aanmerking kwam vastgesteld op 500 m2 (1e categorie) en 1001 m2 tot 2000 m2 voor 1 gebouw met 2 wooneenheden (2e categorie). Op de percelen van [appellanten sub 29] is in overeenstemming met dit beleid 1.073 m2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt. De Afdeling stelt verder vast dat het FAB-beleid in 2008 is gewijzigd, in 2010 is geëvalueerd en in 2011 opnieuw is vastgesteld. Ten tijde van het vaststellen van het plan was er geen FAB-beleid van kracht.

2.47.3. De Afdeling overweegt dat [appellanten sub 29] weliswaar terecht stellen dat de bouwmogelijkheden voor woningen in het FAB-beleid sinds de vaststelling van de partiële herziening voor hun percelen zijn gewijzigd, maar dat de voorwaarden die hiervoor gelden eveneens zijn gewijzigd. Uit de evaluatie van het FAB-beleid in de notitie "Beleidsaanpassing FAB" van september 2010 leidt de Afdeling overeenkomstig het vermelde in het deskundigenbericht af dat de ondergrens voor te slopen agrarische bebouwing die in aanmerking komt voor functieverandering naar wonen in het FAB-beleid 2008 ten opzichte van het FAB-beleid 2006 is verhoogd van 500 m2 naar 1000 m2 voor omvorming naar 1 woning, en van 1000 m2 in 1500 m2 voor omvorming naar twee wooneenheden. Dit betekent dat indien ten tijde van het FAB-beleid 2008 een verzoek had worden gedaan om agrarische bebouwing op de percelen van [appellanten sub 29] ter grootte van 1.073 m2 van functie te doen veranderen in wonen, slechts 1 woning met 1 wooneenheid had kunnen worden gebouwd. Het FAB-beleid uit 2008 kan derhalve niet van toepassing worden geacht op de percelen van [appellanten sub 29], zodat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit beleid geen aanleiding geeft de bouwbepalingen voor de percelen aan te passen ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Voor zover [appellanten sub 29] zich voorts beroepen op het vertrouwensbeginsel is van belang dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de raad hen een toezegging heeft gedaan dat de bouwmogelijkheden voor hun percelen zouden worden verruimd. De omstandigheid dat voor reguliere woningen ruimere bouwmogelijkheden gelden is hiertoe onvoldoende, nu deze woningen niet gelijk kunnen worden gesteld met FAB-woningen gelet op de procedurele ontstaansgeschiedenis hiervan. Om die reden bestaat ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Dat [appellanten sub 29] behoefte hebben aan ruimere bouwmogelijkheden vormt voorts op zich zelf geen dusdanig bijzondere omstandigheid dat de raad op grond hiervan gehouden was de bouwmogelijkheden te verruimen. Het betoog faalt.

2.48. In hetgeen [appellanten sub 29] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 30]

2.49. [appellanten sub 30] kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "specifieke vorm van maatschappelijk-[belanghebbende B]" en "specifieke vorm van recreatie-minicamping" voor het perceel van zorginitiatief [belanghebbende B] aan de [locatie 1]. Hiertoe voeren zij in de eerste plaats aan dat het plan voor dit perceel is vastgesteld in strijd met het uitgangspunt van het plan dat kleinschalig kamperen alleen is toegestaan bij de boer en dat nieuwe minicampings niet mogelijk worden gemaakt. Hierbij stellen zij dat de in het plan voorziene minicamping niet als kleinschalig kan worden beschouwd. Volgens hen is de in het plan mogelijk gemaakte omvang ook niet nodig en zou een maatbestemming voor het perceel wenselijker zijn.

2.49.1. De raad stelt dat nu maximaal 30 kampeerplaatsen zijn toegestaan, de minicamping kan worden aangemerkt als een kleinschalige kampeergelegenheid. Hierbij wijst de raad erop dat het realiseren van de minicamping niet gepaard gaat met enige bebouwing. Tevens zijn het aantal bezoekers en de maanden gedurende welke gebruik kan worden gemaakt van de camping, in de planregels beperkt. Volgens de raad is het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet nodig de omvang van de minicamping van [belanghebbende B] verder in te perken dan de gebruikelijke omvang van een kleinschalige minicamping. Hierbij stelt de raad dat het voorheen toegestane gebruik van het perceel voor een intensieve veehouderij schadelijker is voor de ecologische situatie en daarom minder gewenst is dan [belanghebbende B].

2.49.2. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder p, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-minicamping' mede bestemd voor een minicamping bij de woning zoals geregeld in 24.4.3.

Ingevolge het vierde lid, onder 3, is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-minicamping' uitsluitend een minicamping toegestaan en gelden de volgende voorwaarden: voor de minicamping dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande bijgebouwen waarvan maximaal 50 m² voor een minicamping mag worden aangewend, op een minicamping zijn maximaal 30 kampeermiddelen en 90 personen toegestaan, met uitzondering van stacaravans, en uitsluitend in het kampeerseizoen van 15 maart tot en met 31 oktober, en buiten het kampeerseizoen mogen geen kampeermiddelen worden geplaatst of aanwezig zijn.

2.49.3. Gezien de in de planregels vervatte beperkingen wat betreft de maximale omvang en de seizoensduur van de minicamping alsmede de bepaling dat gebruik dient te worden gemaakt van de bestaande bijgebouwen met een maximum van 50 m2, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de minicamping als een kleinschalige kampeergelegenheid kan worden aangemerkt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de plantoelichting is vermeld dat de kampeerterreinen in het buitengebied van Lochem een omvang van in totaal 200 kampeerplaatsen hebben. De Afdeling acht voorts niet onredelijk dat de raad in zijn afweging heeft betrokken dat het perceel voordat het in gebruik werd genomen door [belanghebbende B], werd gebruikt voor een intensieve veehouderij. [appellanten sub 30] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan toegestane omvang van de camping, die overeenkomt met de omvang van kampeergelegenheden bij agrariërs, niet nodig is voor een redelijke bedrijfsuitoefening van [belanghebbende B]. De enkele omstandigheid dat afspraken zouden zijn gemaakt tussen [belanghebbende B] en de rentmeester van het Landgoed Ampsen, wat daar ook van zij, is hiertoe onvoldoende. De conclusie is dat de raad zich onder voornoemde omstandigheden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door [appellanten sub 30] gestelde uitgangspunt van het plan niet in de weg staat aan het realiseren van een minicamping. Het betoog faalt.

2.50. [appellanten sub 30] voeren aan dat het plan, voor zover betwist, is vastgesteld in strijd met de provinciale regels voor de EHS in de Ruimtelijke Verordening Gelderland. Volgens hen ligt het perceel van [belanghebbende B] in de EHS en is het onderdeel van het Nationaal Landschap Graafschap. Nu het plan voorziet in een nieuwe functie op het perceel had derhalve moeten worden onderzocht wat de effecten hiervan zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van het EHS-gebied, aldus [appellanten sub 30]. Zij merken in dit verband tot slot op dat de minicamping buiten het oorspronkelijke agrarische bouwvlak is gesitueerd, zodat ook in zoverre geen aanleiding bestond af te zien van ecologisch onderzoek.

2.50.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de beperkte schaal van de activiteiten, het gebruik van de bestaande bebouwing en het bestaande erf, en de zorgvuldige inpassing daarvan, er geen significante effecten op de EHS zijn te verwachten. Hierbij stelt de raad dat het plan niet voorziet in een nieuwe functie voor het perceel.

2.50.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ruimtelijke Verordening Gelderland, voor zover thans van belang en ten tijde van belang, worden in een bestemmingsplan in een gebied gelegen binnen de EHS geen bestemmingen toegestaan waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied, zoals aangegeven in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur" en het Waterplan Gelderland 2010 - 2015, significant worden aangetast.

2.50.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel van [belanghebbende B] in de EHS ligt en deel uitmaakt van het Nationaal Landschap Graafschap. Nu het plan geen uitbreidingsmogelijkheden bevat voor het logeerhuis en het logeerhuis en een minicamping ook in het vorige bestemmingsplan al mogelijk waren, wordt in het deskundigenbericht de conclusie getrokken dat het plan niet leidt tot een significante aantasting van de waarden van de EHS en voornoemd nationaal landschap.

2.50.4. Vaststaat dat het perceel van [belanghebbende B] onderdeel is van de EHS, zodat hiervoor geldt dat geen bestemmingen mogen worden toegestaan die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. Niet in geschil is dat het gebruik van een op het perceel staand gebouw als logeerhuis bestaand gebruik betreft. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het toegestane gebruik als logeerhuis leidt tot een significante aantasting van de EHS. Wat betreft de minicamping heeft de raad kunnen overwegen dat het perceel voorheen gebruikt werd voor een intensieve veehouderij. Tevens heeft de raad in zijn afweging mogen betrekken dat het een kleinschalige kampeergelegenheid betreft ten behoeve waarvan geen bebouwing mag worden gerealiseerd. Daarbij komt dat het kampeerseizoen is beperkt in de planregels. Onder die omstandigheden heeft de raad, zonder hiertoe nader onderzoek te doen, zich op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene minicamping niet leidt tot een significante aantasting van de EHS. Het betoog faalt.

2.51. [appellanten sub 30] voeren aan dat ten onrechte geen geuronderzoek is gedaan. Het standpunt van de raad dat geuronderzoek niet nodig is omdat sprake is van kamperen bij de boer, is volgens hen onjuist. Zij stellen dat in de nabijheid van het perceel van [belanghebbende B] een omvangrijk agrarisch bedrijf is gevestigd, namelijk op het perceel [locatie 24].

2.51.1. De raad stelt zich op het standpunt dat van geurhinder op het perceel van [belanghebbende B] geen sprake zal zijn. Volgens de raad ligt het dichtst bijgelegen agrarische bedrijf aan de [locatie 24], op een afstand van 250 meter. Dit agrarische bedrijf betreft volgens de raad een grondgebonden melkveehouderij met 50 koeien en 70 stuks jongvee.

2.51.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het bouwvlak van het dichtst bijgelegen agrarisch bedrijf - een melkrundveebedrijf - aan de [locatie 24] op een afstand van ongeveer 250 meter ligt van de grens van het bestemmingsvlak "Wonen" van het logeerhuis.

2.51.3. Vaststaat dat aan het perceel [locatie 24] de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend. Ingevolge de bij deze bestemming behorende planregels zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" is volgens de planregels een intensieve veehouderij toegestaan. Nu vaststaat dat deze aanduiding niet aan dit perceel is toegekend, gelet op de afstand van 250 meter van het perceel tot het perceel van [belanghebbende B] en de aard en omvang van de bedrijfsvoering, volgt de Afdeling [appellanten sub 30] niet in hun betoog dat ten onrechte geen geuronderzoek is gedaan. Hierbij is van belang dat [appellanten sub 30] geen feiten of omstandigheden hebben gesteld waaruit zou volgen dat ondanks de aard en ligging van het agrarisch bedrijf toch geuronderzoek had moeten plaatsvinden. Het betoog faalt.

2.52. [appellanten sub 30] voeren voorts aan dat het perceel binnen de zone van het industrieterrein Klinkweert-Goorseweg ligt. Nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals de bestemming voor [belanghebbende B], zijn hierbinnen volgens hen niet toegestaan. Zij wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2008, nr. 200703386/1.

2.52.1. De raad stelt dat het perceel van [belanghebbende B] gedeeltelijk in de geluidszone van het industrieterrein ligt. Binnen de geluidszone wordt volgens de raad evenwel geen geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt, zodat in zoverre niet wordt gehandeld in strijd met de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). De raad stelt daarnaast dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is bezien of een goed verblijfklimaat kan worden gegarandeerd op de minicamping. Volgens de raad kan een aanvaardbaar verblijfklimaat worden gegarandeerd gelet op de duur van het kampeerseizoen van 15 maart tot 31 oktober.

2.52.2. Ingevolge artikel 1 van de Wgh, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt onder 'andere geluidsgevoelige gebouwen' verstaan: onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere gezondheidszorggebouwen dan hiervoor bedoeld.

Ingevolge dit artikel wordt onder 'geluidsgevoelige terreinen' verstaan: terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, en woonwagenstandplaatsen.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wro dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die krachtens die vaststelling gaan of blijven behoren tot een zone, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 44, onderscheidenlijk 47, eerste lid, als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

2.52.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat ten behoeve van het plan onderzoek is verricht naar de geluidbelasting ter plaatse van het perceel van [belanghebbende B]. Uit de notitie van Alcedo van 8 juni 2010 volgt volgens het deskundigenbericht dat de geluidbelasting vanwege het industrieterrein ter plaatse van de minicamping maximaal 45 dB(A)-etmaalwaarde is. Aangezien het toetspunt 002, waar de hoogste geluidbelasting optreedt, op een kortere afstand van het industrieterrein ligt dan het logeerhuis, mag aangenomen worden dat de geluidbelasting op de gevel van het logeerhuis lager is dan 45 dB(A), aldus het deskundigenbericht.

2.52.4. De Afdeling stelt vast dat, nu de minicamping niet als een ander geluidgevoelig gebouw dan wel een geluidgevoelig terrein kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1 van de Wgh, artikel 48 van de Wgh de raad niet verplicht om ter plaatse van de minicamping de binnen de industriezone geldende geluidsnormen in acht te nemen. De door [appellanten sub 30] aangehaalde uitspraak van 2 april 2008 leidt niet tot een ander oordeel nu deze uitspraak betrekking heeft op een revisievergunning voor een inrichting ten gevolge waarvan geluidsoverlast wordt gevreesd, en niet op geluidbelasting in de geluidzone van een industrieterrein. [appellanten sub 30] stellen evenwel terecht dat op grond van artikel 48 ter plaatse van het logeerhuis de geluidnormen uit de Wgh in acht moeten worden genomen. Hieromtrent is van belang dat uit het deskundigenbericht volgt dat de geluidbelasting op de gevel van het logeerhuis lager is dan 45 dB(A). Zodoende wordt ter plaatse van het logeerhuis voldaan aan het bepaalde in artikel 48 van de Wgh. Voor zover [appellanten sub 30] stellen dat de geluidsbelasting op de minicamping en het logeerhuis desondanks niet aanvaardbaar kan worden geacht vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling dat zij dit niet met feiten en omstandigheden aannemelijk hebben gemaakt. Hierbij betrekt de Afdeling dat het logeerhuis bestaand gebruik betreft en dat de minicamping ook onder het vorige bestemmingsplan na het verlenen van een vrijstelling op grond van de toen geldende planregels, was toegestaan. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wgh noch een goede ruimtelijke ordening zich verzetten tegen de toegekende bestemming en aanduidingen. Het betoog faalt.

2.53. [appellanten sub 30] voeren aan dat ten onrechte niet is onderzocht of de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.53.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de plantoelichting is hieromtrent uitgebreid uiteengezet welke flora en fauna voorkomen in het plangebied. Meer in het bijzonder heeft de raad voor het perceel van [belanghebbende B] overwogen dat de planontwikkeling, gelet op de aard en omvang, niet in strijd moet worden geacht met de Ffw. [appellanten sub 30] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is, zodat de raad er op voorhand in redelijkheid vanuit mocht gaan dat het plan in zoverre uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

2.54. In hetgeen [appellanten sub 30] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 31]

2.55. Zoals hierboven onder 2.1.3 is overwogen is het beroep van [appellante sub 31] gericht tegen zowel het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hooislagen 6" als tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". Ten aanzien van dit laatste besluit stelt [appellante sub 31] dat zij schade heeft geleden.

2.56. [appellante sub 31] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Hooislagen 6 te Lochem. Zij betoogt dat in beide bestemmingsplannen het plandeel ten onrechte niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gebiedsgebonden bedrijf" heeft met de daarbij behorende uitbreidingsmogelijkheden. Hiertoe bestrijdt zij de stelling van de raad dat het bedrijf als handelsonderneming is aan te merken. Volgens haar voldoet het bedrijf op grond van de aard van de feitelijke activiteiten, alsmede de inschrijving van de Kamer van Koophandel en de vergunde activiteiten op grond van de Wet milieubeheer aan de kenmerken van een gebiedsgebonden bedrijf.

2.56.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 31] niet gebiedsgebonden zijn en ziet dan ook geen aanleiding de gewenste uitbreidingsmogelijkheden voor het perceel Hooislagen 6 toe te kennen.

2.56.2. Ingevolge artikel 1, lid 49, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", is een gebiedsgebonden bedrijf een bedrijf dat vanwege de aard van zijn bedrijfsvoering is aangewezen op de vestiging in het buitengebied, en dat is gericht op dienstverlening aan landbouw (agrarisch loonbedrijf), bosbouw, natuurbeheer, weg- en waterbouw of milieudienstverlening in dat buitengebied.

2.56.3. De raad heeft ter zitting toegelicht dat een bedrijf wordt aangemerkt als gebiedsgebonden, indien het verschillende bedrijfsactiviteiten verricht die zijn genoemd in artikel 1, lid 49, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" en indien het werkzaamheden verricht en opdrachtgevers heeft in of nabij het buitengebied van Lochem. Omdat vanuit ruimtelijk oogpunt de vestiging van deze bedrijven in het buitengebied het meest wenselijk is, wordt deze bedrijven in de meeste gevallen de mogelijkheid geboden hun bestaande bedrijfsbebouwing met 40 procent uit te breiden, zo heeft de raad uiteengezet.

In het deskundigenbericht staat dat het bedrijf van [appellante sub 31] wordt ingeschakeld voor het grondverzet bij de realisatie van natuur-, infrastructuur- en andere projecten. Ter zitting is gebleken dat het werkgebied van [appellante sub 31] een ruimer bereik heeft dan alleen het buitengebied en de omgeving van Lochem.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijf van [appellante sub 31] geen gebiedsgebonden bedrijf is. In hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat in de beide bestemmingsplannen onvoldoende mogelijkheden worden geboden voor uitbreiding van de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 31] Het betoog faalt.

2.57. Tevens heeft [appellante sub 31] er bezwaar tegen dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" niet de mogelijkheid biedt om op het perceel een tweede bedrijfswoning te realiseren. Zij voert hiertoe aan dat op grond van het vorige bestemmingsplan reeds een verzoek was ingediend voor het verlenen van een vrijstelling voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. De raad heeft onzorgvuldig gehandeld door dit verzoek niet mee te nemen bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010".

2.57.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" niet de mogelijkheid biedt om een tweede bedrijfswoning op het perceel te bouwen, omdat een tweede bedrijfswoning niet noodzakelijk is voor een effectieve bedrijfsvoering.

2.57.2. De raad heeft bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gehanteerd dat het plan in beginsel niet in nieuwe woningen voorziet. De raad heeft verzoeken om een tweede bedrijfswoning mogelijk te maken alleen ingewilligd, indien dit voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

In het deskundigenbericht is vermeld dat het perceel niet van een zodanige omvang is dat ten behoeve van het toezicht twee bedrijfswoningen nodig zijn. Hoewel [appellante sub 31] stelt dat een tweede bedrijfswoning praktische voordelen met zich brengt voor de huidige bedrijfsvoering, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat een tweede bedrijfswoning voor de huidige bedrijfsvoering onmisbaar is.

Gelet op het voorgaande heeft de raad, mede met het oog op het voorkomen van verdere verstening in het buitengebied, in redelijkheid kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellante sub 31] om in het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" een tweede bedrijfswoning op haar perceel mogelijk te maken. Het betoog faalt.

2.58. In hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemmingsplannen "Buitengebied 2010" en "Hooislagen 6", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Hooislagen 6 te Lochem, strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat de bestreden besluiten van 7 december 2010 en 18 juni 2012 anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van MC Hamac (de Harfsense Motor- en Automobiel Club)

2.59. MC Hamac kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden die tegenover haar perceel liggen aan de Deventerdijk 7 te Harfsen. Zij betoogt dat aan de gronden een bestemming had moeten worden toegekend die voorziet in het gebruik van de gronden voor motorcrosswedstrijden, waaronder een crossterrein en een rennerskwartier, en het medegebruik van een deel van het weiland voor parkeren. Het niet opnemen van een dergelijke bestemming leidt er volgens MC Hamac toe dat het bestaand legaal gebruik van de gronden voor motorcrosswedstrijden en parkeren opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. In dit verband voert zij aan dat niet aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. MC Hamac stelt daarnaast dat het gebruik niet leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied nu het langdurig bestaand gebruik betreft. Daarbij wijst zij erop dat de gronden weliswaar onderdeel zijn van de EHS, maar zijn aangemerkt als EHS-verweving waarbinnen regulier extensief recreatief gebruik kan worden voortgezet en ruimte is voor extensieve recreatievormen. MC Hamac acht tot slot de verwijzing van de raad naar de Algemene Plaatselijke Verordening onjuist, nu hiermee niet de strijdigheid met het plan kan worden opgeheven.

2.59.1. De raad stelt dat het incidentele gebruik van de gronden voor motorcrosswedstrijden met de Algemene Plaatselijke Verordening kan worden geregeld. Er bestaat volgens de raad geen aanleiding een andere bestemming op te nemen voor de gronden aangezien deze onderdeel zijn van de EHS. De raad licht toe dat inmiddels gesprekken plaatsvinden om te komen tot een algemene visie op het gebied de Gorsselse Heide. In deze gesprekken worden de belangen van MC Hamac meegenomen, aldus de raad.

2.59.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat gedurende drie weekeinden per jaar, tijdens internationale wedstrijden, de gronden worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding van de crossbaan en voor een rennerskwartier. De gronden worden gehuurd van de gemeente. Op de gronden zijn springheuvels aangelegd en op de gronden die gebruikt worden als rennerskwartier zijn enkele lantaarnpalen geplaatst, aldus het deskundigenbericht. Uit het deskundigenbericht volgt daarnaast dat tijdens drukke trainingsdagen een deel van de omliggende percelen wordt gebruikt voor parkeren. Dit gebruik is volgens het deskundigenbericht niet in de huurovereenkomst tussen MC Hamac en de gemeente geregeld.

2.59.3. Ingevolge artikel 1, lid 47, van de planregels, dient onder extensief recreatief medegebruik te worden verstaan: vormen van dagrecreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, de instandhouding en ontwikkeling van de landschapstypen en hun kernkwaliteiten, de instandhouding en ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur-verweving en extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, sub a, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge dat lid, sub d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

2.59.4. De Afdeling stelt vast dat het gebruik van de gronden voor jaarlijkse motorcrosswedstrijden in strijd is met de planregels verbonden aan de bestemming "Agrarisch met waarden", nu dit niet kan worden aangemerkt als extensief recreatief medegebruik als bedoeld in artikel 1, lid 47, van de planregels. In dit verband is tevens van belang dat het jaarlijkse gebruik van de gronden voor motorcrosswedstrijden gedurende drie weekeinden per jaar niet zodanig kortdurend en incidenteel is dat de bestemming zich hiertegen niet verzet. Voor zover de raad stelt dat het gebruik kan worden gereguleerd op grond van de Algemene Plaatselijke Verordeningoverweegt de Afdeling dat een evenementenvergunning ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening met name is ingegeven vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde en geen toetsingskader vormt voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenement of een evenemententerrein. De toetsing aan de Algemene Plaatselijke Verordening kan derhalve niet in de plaats worden gesteld van een toetsing aan het plan. De Afdeling volgt de raad derhalve niet in zijn standpunt dat de bestemming de voortzetting van het gebruik in zoverre niet uitsluit. De Afdeling overweegt voorts dat nu het gebruik voor motorcrosswedstrijden alsmede het gebruik voor parkeren in het vorige bestemmingsplan onder het overgangsrecht viel, dit gebruik blijkens bovenstaande planregels thans opnieuw onder het overgangsrecht valt. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand gebruik is onder omstandigheden toegestaan. Hiertoe is in ieder geval vereist dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad evenwel aldus dat hij niet voornemens is te bevorderen dat het gebruik zal worden beëindigd. Voor de motorcrosswedstrijden kan dit worden afgeleid uit eerder genoemd standpunt van de raad dat het gebruik met de Algemene Plaatselijke Verordening kan worden gereguleerd alsmede de huurovereenkomst tussen MC Hamac en de gemeente, waarvan niet is gebleken dat deze zal worden opgezegd. Ook volgt dit voor de motorcrosswedstrijden, alsmede voor het gebruik voor parkeren, uit het feit dat thans overleg plaatsvindt over de voortzetting van de activiteiten van MC Hamac. Desgevraagd heeft de raad hieromtrent ter zitting toegelicht dat alle belangen in deze overleggen zijn vertegenwoordigd en dat de gesprekken nog niet tot een genoegzaam resultaat hebben geleid. Ook heeft de raad gesteld niet onwelwillend te staan tegenover de wensen van MC Hamac. Voor zover de raad stelt dat desondanks een positieve bestemming thans niet is aangewezen vanwege de ligging van het plandeel in de EHS, heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat het gebruik kan leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Daarbij komt dat de gronden zijn aangemerkt als EHS-verweving waarvoor mindere strenge voorwaarden gelden dan voor de gronden met de aanduiding EHS-natuur. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende de belangen van MC Hamac bij een bestemming die het gebruik toestaat, onderkend. Het betoog slaagt.

2.60. MC Hamac kan zich voorts niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "motorcrossterrein" voor haar perceel Deventerdijk 7. Hiertoe voert zij aan dat ten onrechte niet in de doeleindenomschrijving van artikel 19, eerste lid, van de planregels is vermeld dat het perceel tevens is bestemd voor bij een motorcrossterrein behorende terreinen, bebouwing en voorzieningen.

2.60.1. De raad stelt dat ten behoeve van alle sportvoorzieningen terreinen, bebouwing en voorzieningen zijn toegestaan.

2.60.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor: a. sportvelden, c. met de bijbehorende terreinen, bebouwing en voorzieningen waaronder begrepen lichtmasten, ballenvangers, tribunes, parkeervoorzieningen, kantinevoorzieningen, kleedkamers.

Ingevolge dat lid, sub f, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'motorcrossterrein', mede bestemd voor een motorcrossterrein.

2.60.3. Een redelijke uitleg van bovenstaand artikel brengt mee dat een motorcrossterrein weliswaar alleen is toegestaan indien aan de gronden de aanduiding "motorcrossterrein" is toegekend, maar dat een motorcrossterrein tevens kan worden geduid als een sportveld in de zin van het eerste lid van de planregel, zodat ook ten behoeve van een motorcrossterrein de in dat lid, sub c, vermelde bebouwing kan worden gerealiseerd. Gelet hierop behoefde in de doeleindenomschrijving niet te worden vermeld dat het perceel tevens is bestemd voor bij een motorcrossterrein behorende terreinen, bebouwing en voorzieningen. Het betoog faalt.

2.61. MC Hamac stelt voorts dat het plan onvoldoende voorziet in uitbreidingsmogelijkheden van de bebouwing. Hierbij wijst zij erop dat zij 700 leden telt. De besluitvorming voor de extra bouwmogelijkheden heeft volgens MC Hamac ten onrechte niet plaatsgevonden bij de vaststelling van het plan, maar is door de raad vooruitgeschoven.

2.61.1. De raad stelt dat de bestaande situatie in het plan is vastgelegd en dat later zal worden bezien in hoeverre aanvaardbaar is dat MC Hamac haar bebouwing uitbreidt. De raad benadrukt dat de gronden deel uitmaken van de EHS en dat daarom voor uitbreiding ecologisch onderzoek nodig is.

2.61.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het belang van MC Hamac bij uitbreiding voldoende duidelijk is. De in het plan opgenomen mogelijkheid om 10% uit te breiden, hetgeen neerkomt op 16 m2, is volgens het deskundigenbericht te gering. Of een uitbreiding tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden zal leiden is op voorhand niet duidelijk, aldus het deskundigenbericht.

2.61.3. Het uitgangspunt van de raad dat alleen ontwikkelingen zijn meegenomen voor zover deze voldoende concreet en onderbouwd zijn, zodat een sluitende afweging over de aanvaardbaarheid ter plaatse kan worden gemaakt, acht de Afdeling in beginsel niet onredelijk. MC Hamac heeft niet met feiten en omstandigheden onderbouwd dat haar uitbreidingsplannen ten tijde van de vaststelling van het plan voldoende concreet waren om te kunnen worden meegenomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het perceel van MC Hamac onderdeel is van de EHS en dat volgens het deskundigenbericht onduidelijk is of de ontwikkeling past binnen het beleid voor de EHS. Tot slot is van belang dat, naar ter zitting is toegelicht, thans gesprekken plaatsvinden tussen onder andere de gemeente en MC Hamac teneinde de ontwikkelingsmogelijkheden van de motorclub te bespreken. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen volstaan met het toekennen van een uitbreidingsmogelijkheid van 10%. Het betoog faalt.

2.62. MC Hamac stelt dat artikel 19, tweede lid, onder 5, van de planregels niet voldoende is afgestemd op de bestaande bebouwing op het perceel. Volgens haar is ook na de gewijzigde vaststelling van het plan op dit punt nog steeds niet voorzien in de mogelijkheid van hokjes ten behoeve van baanposten, hekwerken langs de baan, reclameborden langs de crossbaan en rioolbuizen en zeecontainers onder de springbulten.

2.62.1. De raad stelt dat het gewijzigde artikel 19, tweede lid, onder 5, ook voorziet in de plaatsing van hekken en hekwerken.

2.62.2. Ingevolge artikel 1, lid 91, van de planregels wordt onder peil verstaan: voor bouwwerken de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub e, wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge het tweede lid, sub a, mag het peil voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst niet meer dan 20 centimeter boven de hoogte van de kruin van de openbare weg ter plaatse van die hoofdtoegang worden gesitueerd.

Ingevolge dat lid, sub b, mag het peil in andere gevallen niet meer dan 20 centimeter boven de gemiddelde hoogte van het rondom afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw worden gesitueerd.

2.62.3. Vaststaat dat het plan voorziet in de realisering van onder meer overkappingen, verlichting, speeltoestellen, ballenvangers, tribunes enz., maximaal drie vlaggenmasten, springschansen ter plaatse van de aanduiding 'motorcrossterrein', hekwerken en andere terreinafscheidingen rondom het sportterrein en tot slot hekwerken en andere terreinafscheidingen op het sportterrein. Voor hekwerken rondom het sportterrein geldt op grond van artikel 19, tweede lid, sub 5, van de planregels een maximale hoogte van 2 meter. Voor hekwerken op het sportterrein geldt op grond van voornoemd artikel een maximale hoogte van 1 meter. De Afdeling begrijpt het betoog van MC Hamac aldus dat deze hoogten niet toereikend zijn gelet op de situering van de hekwerken op bijvoorbeeld de springbulten en andere hoger liggende delen van het sportterrein. Omdat de planregels voor de wijze van meten van bouwwerken bepalen dat de bouwhoogte wordt berekend vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, alsmede dat het peil niet hoger mag liggen dan 20 centimeter boven de hoogte van de kruin van de openbare weg dan wel boven de gemiddelde hoogte van het rondom afgewerkte terrein, voorziet het plan niet in het realiseren van hekwerken op hoger gelegen delen van het sportterrein. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het plan hierin niet voorziet, zodat het er voor gehouden moet worden dat de raad dit ten onrechte niet in zijn afweging heeft betrokken. De raad heeft hieromtrent ter zitting toegelicht dat geen bezwaren bestaan tegen het realiseren van hekwerken op de hoger liggende delen van het sportterrein.

Ten aanzien van de door MC Hamac genoemde hokjes ten behoeve van baanposten stelt de Afdeling vast dat deze zijn toegestaan op grond van artikel 19, tweede lid, sub 5, van de planregels waarin is bepaald dat 'Ballenvangers, tribunes enz.' een maximale hoogte van 5 meter mogen hebben. Niet is gebleken dat deze maximale hoogte niet toereikend is.

Dat MC Hamac tevens de mogelijkheid wenst te zien opgenomen in de planregels dat reclameborden worden toegestaan, heeft de raad niet onderkend zodat dit niet is meegewogen bij de vaststelling van het plan. Reeds hierom is het beroep op dit punt gegrond.

Tot slot stelt MC Hamac dat het plan zou moeten voorzien in het behoud van de rioolbuizen, zeecontainers en dergelijke ten behoeve van de springschansen. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen deze bouwwerken worden ondergebracht onder de noemer 'springschansen' als bedoeld in artikel 19, tweede lid, sub 5, waarvoor een maximale hoogte geldt van 5 meter. Derhalve bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hier onvoldoende rekening mee heeft gehouden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad de belangen van MC Hamac bij het realiseren dan wel behouden van hun hekwerken en reclameborden onvoldoende onderkend. Het betoog slaagt.

2.63. MC Hamac kan zich verder niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" nabij haar terrein. Hiertoe betoogt zij dat ten behoeve van het realiseren van een nieuwe toegangsweg een wijzigingsbevoegdheid in het plan had moeten worden opgenomen. Hierbij stelt zij dat de raad van de gemeente Gorssel al in 2004 heeft ingestemd met een nieuwe toegangsweg tot het perceel van MC Hamac, en dat ook de huidige raad heeft aangegeven hierin voordelen te zien.

2.63.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hoewel hij de voordelen inziet van een nieuwe toegangsweg, de gronden niet kunnen worden bestemd voor "Verkeer" nu deze gronden deels in eigendom zijn van de vereniging Natuurmonumenten en onderdeel zijn van de EHS. Gelet op de ligging in de EHS is volgens de raad ecologisch onderzoek nodig. Daarnaast is overeenstemming nodig met de grondeigenaren. Gezien deze onzekere omstandigheden heeft de raad geen aanleiding gezien een wijzigingsbevoegdheid op te nemen.

2.63.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat de eigenaren van de gronden geen medewerking willen verlenen aan een alternatieve ontsluiting van het perceel van MC Hamac over hun gronden. Ook zijn de gevolgen van de EHS niet inzichtelijk gemaakt, aldus het deskundigenbericht.

2.63.3. Gelet op de uitkomsten van het deskundigenonderzoek, in het bijzonder de omstandigheid dat de eigenaren van de gronden niet willen meewerken aan een alternatieve ontsluiting van het perceel van MC Hamac, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid niet in de rede lag. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat overwegende ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de huidige ontsluiting van het perceel. Met betrekking tot het betoog van MC Hamac dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat voor zover al een toezegging is gedaan door de raad van de toenmalige gemeente Gorssel, MC Hamac niet heeft weersproken dat de grondeigenaren geen medewerking willen verlenen aan een ontsluiting op hun perceel. Het betoog faalt.

2.64. In hetgeen MC Hamac heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden tegenover het perceel Deventerdijk 7, zoals bij benadering weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, en voor zover niet is voorzien in een planregel die voorziet in het realiseren van reclameborden op het perceel Deventerdijk 7 te Gorssel, en voor zover het betreft de tekst 'hekwerken en andere terreinafscheidingen op het sportterrein 1 meter' in artikel 19, lid 2, sub 5, onder a, van planregels, eveneens voor zover betrekking hebbend op het perceel Deventerdijk 7 te Gorssel, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen MC Hamac verder heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige derhalve ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 33] en anderen

2.65. [appellant sub 33] en anderen hebben er bezwaar tegen dat het plan niet de mogelijkheid biedt om ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "sport" voor het perceel [locatie 25] te Laren een tweede woning te realiseren die kan fungeren als bedrijfswoning. In dit kader stellen zij dat het gemeentelijke en provinciale beleid in dit geval niet in de weg staat aan het toelaten van een tweede woning op het perceel. De raad heeft ten onrechte aan de afwijzing van zijn verzoek ten grondslag gelegd dat geen noodzaak bestaat voor een tweede woning, aldus [appellant sub 33] en anderen.

2.65.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in beginsel geen nieuwe woningen in het buitengebied worden toegelaten. Bovendien bestaat bij de huidige bedrijfsvoering geen noodzaak voor het toelaten van een bedrijfswoning.

2.65.2. Teneinde verdere verstening in het buitengebied te voorkomen, heeft de raad als uitgangspunt aan het plan ten grondslag gelegd dat in beginsel geen nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt. De raad heeft gesteld dat slechts nieuwe burgerwoningen worden toegelaten, indien voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake. Het verzoek van [appellant sub 33] en anderen om in het plan de mogelijkheid te bieden om een tweede woning te bouwen is derhalve niet in overeenstemming met het uitgangspunt dat in het plan in beginsel geen nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt. De raad heeft in redelijkheid in de omstandigheid dat [appellant sub 33] en anderen de tweede woning willen gebruiken als bedrijfswoning geen reden hoeven zien om van dit uitgangspunt af te wijken. Hiertoe wordt overwogen dat in het deskundigenbericht is vermeld dat het ontbreken van de mogelijkheid voor de bouw van een tweede woning op het perceel van [appellant sub 33] en anderen een effectieve bedrijfsvoering van de sportschool niet in de weg staat. [appellant sub 33] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Daarbij komt dat het betoog dat provinciaal beleid niet in de weg staat aan het verlenen van medewerking aan het verzoek om een tweede woning mogelijk te maken, wat daar verder ook van zij, niet tot het oordeel kan leiden dat de raad reeds hierom gehouden is medewerking te verlenen aan het verzoek. Het betoog faalt.

2.66. In hetgeen [appellant sub 33] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "sport" voor het perceel [locatie 25] te Laren strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Opdracht

2.67. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6, 2.13, 2.25, 2.29, 2.33, 2.42 en 2.65 is overwogen, aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.

Griffierecht en proceskosten

2.68. Ten aanzien van [appellant sub 7], [appellant sub 14] en anderen, [appellant sub 10], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 20], [appellante sub 21], [appellant sub 25] en MC Hamac dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het is aan de raad te wijten dat pas in beroep is komen vast te staan dat het standpunt van de raad dat de recreatiewoning van [appellant sub 23] 88 m² bedraagt, onjuist is. Derhalve ziet de Afdeling met toepassing van de artikelen 8:74, tweede lid, en 8:75 van de Awb in de omstandigheden van het geval aanleiding voor het oordeel dat de raad ook ten aanzien van [appellant sub 23] op na te melden wijze het griffierecht dient te vergoeden en in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Het verzoek van [appellant sub 23] om de raad te veroordelen in de reiskosten van een meegebrachte getuige wordt afgewezen, nu geen getuige is gehoord.

2.69. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], de vereniging, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 18] en [appellant sub 19] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

2.70. Ten aanzien van [appellant sub 5], [appellanten sub 8], [appellant sub 9], RenoVastgoed B.V., [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 15], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellant sub 26] en anderen, [appellant sub 27], [appellante sub 28] en anderen, [appellanten sub 29], [appellanten sub 30], [appellante sub 31] en [appellant sub 33] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RenoVastgoed B.V., voor zover het is gericht tegen het besluit van de raad van 7 december 2010, kenmerk nr. 2010-007006, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], de vereniging Vereniging van Eigenaars Bospark Ruighenrode, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], [appellant sub 14] en anderen, [appellant sub 25] en MC Hamac gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 10], [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellante sub 21] geheel, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lochem van 7 december 2010, nr. 2010-007006, voor zover het betreft:

a. de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - gastinrichting" voor het terrein Buitencentrum Ruighenrode;

b. het op de verbeelding aangeduide bouwvlak voor het perceel [locatie 9] te Laren, althans voor zover dat bouwvlak ten opzichte van het vorige plan is vergroot;

c. artikel 3, zevende lid, aanhef en onder 2, van de planregels, voor zover op grond van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid een omschakeling naar een intensieve veehouderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied";

d. de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel Warfveendijk 16 te Laren;

e. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 12] te Lochem;

f. de plandelen met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" voor de percelen [locatie 13] te Gorssel, [locatie 16] te Epse, [locatie 14] te Epse en [locatie 15] te Gorssel;

g. de functieaanduiding "evenemententerrein" voor een perceel aan de Verwoldseweg te Laren;

h. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden tegenover het perceel Deventerdijk 7 te Harfsen, zoals bij benadering weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I;

i. het niet voorzien in een planregel die voorziet in het realiseren van reclameborden op het perceel Deventerdijk 7 te Gorssel;

j. de tekst 'hekwerken en andere terreinafscheidingen op het sportterrein 1 meter' in artikel 19, lid 2, sub 5, onder a, van de planregels, voor zover betrekking hebbend op het perceel Deventerdijk 7 te Gorssel;

IV. draagt de raad van de gemeente Lochem op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen ten aanzien van de onder III. genoemde plandelen voor 15 september 2013 een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

V. verklaart de beroepen tegen het besluit van 7 december 2010 van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 15], [appellant sub 22A] en [appellante sub 22B], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 26] en anderen, [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], [appellante sub 28] en anderen, [appellant sub 29A] en [appellant sub 29B], [appellant sub 30A] en [appellant sub 30B], [appellante sub 31] en [appellant sub 33] en anderen geheel, en de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], de vereniging Vereniging van Eigenaars Bospark Ruighenrode, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], [appellant sub 14] en anderen, [appellant sub 25] en MC Hamac voor het overige, ongegrond;

VI. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RenoVastgoed B.V., voor zover het is gericht tegen het besluit van 12 september 2011, nr. 2010-011330, ongegrond;

VII. verklaart het beroep van [appellante sub 31], voor zover het is gericht tegen het besluit van 18 juni 2012, nr. 2011-007181, ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Lochem tot vergoeding van:

a. bij [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 53,76 (zegge: drieënvijftig euro en zesenzeventig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. bij [appellant sub 14] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1137,62 (zegge: elfhonderdzevenendertig euro en tweeënzestig cent), waarvan een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. [appellant sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 98,21(zegge: achtennegentig euro en eenentwintig cent);

d. bij [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 92,40 (zegge: tweeënnegentig euro en veertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. bij [appellant sub 17] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 92,40 (zegge: tweeënnegentig euro en veertig cent);

f. bij [appellant sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1135,02 (zegge:elfhonderdvijfendertig euro en twee cent), waarvan een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. bij [appellante sub 21] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 916,92 (zegge: negenhonderdzestien euro en tweeënnegentig cent), waarvan een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. bij [appellant sub 23] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,92 (zegge: tweeënveertig euro en tweeënnegentig cent);

i. bij [appellant sub 25] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

j. bij MC Hamac in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1137,62 (zegge: elfhonderdzevenendertig euro en tweeënzestig cent), waarvan een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Lochem aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de vereniging Vereniging van Eigenaars Bospark Ruighenrode;

d. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4];

e. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 6];

f. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

g. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 10];

h. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 14] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

i. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

j. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 17];

k. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 18];

l. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 19];

m. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 20];

n. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellante sub 21];

o. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 23];

p. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 25];

q. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor MC Hamac.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

12-647-683.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<img src="/uitspraakimages/AAA/2011p01467-1.jpg" alt="Kaart I"/>