Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201202493/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2010 heeft het college besloten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant] om de bestemming van het perceel [locatie] te Keijenborg (hierna: het perceel) te wijzigen van "Bedrijfsterrein" naar "Wonen".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:3
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/225

Uitspraak

201202493/1/R2.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2010 heeft het college besloten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant] om de bestemming van het perceel [locatie] te Keijenborg (hierna: het perceel) te wijzigen van "Bedrijfsterrein" naar "Wonen".

Bij besluit van 30 augustus 2011, verzonden op 1 september 2011, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het bestreden primair besluit herroepen en besloten dat geen aanspraak bestaat op vergoeding van de door [appellant] in bezwaar gemaakte kosten.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Zuthpen ingekomen op 19 september 2011, beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep aan de Afdeling doorgezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.H.M. Deppenbroek, advocaat te Doetinchem, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Steenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [appellant] heeft, anders dan het college kennelijk meent, procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit nu het college daarbij heeft besloten dat geen aanspraak bestaat op vergoeding van de door [appellant] in bezwaar gemaakte kosten.

2.2.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van zijn bezwaar heeft moeten maken, heeft afgewezen.

2.3.    Het college stelt zich op het standpunt dat geen aanspraak bestaat op vergoeding van de kosten die [appellant] in bezwaar heeft gemaakt, nu het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Het college voert aan dat het verzoek door een deskundige is ingediend bij het college, terwijl van een deskundige mag worden verwacht dat deze het verzoek indient bij het bevoegde bestuursorgaan, in het onderhavige geval de raad.

2.4.    Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zendt het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het in bezwaar aangevochten besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.

Ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast.

Ingevolge artikel 3.9, tweede lid, van de Wro, voor zover hier van belang, besluit de gemeenteraad tot een afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen.

2.5.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] op 18 oktober 2010 bij het college een aanvraag heeft ingediend om het bestemmingsplan te wijzigen. Het college heeft deze aanvraag opgevat als een aanvraag om het bestemmingsplan "Keijenborg dorp 1996" te herzien.

De Afdeling stelt voorts vast dat [appellant] zijn verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, heeft ingediend voordat het college op het bezwaar heeft beslist.

2.6.    Gelet op artikel 3.1 van de Wro gelezen in samenhang met artikel 3.9, tweede lid, van de Wro is de raad kennelijk bevoegd tot behandeling van een aanvraag om een bestemmingsplan te herzien. Het college heeft de aanvraag derhalve ten onrechte niet ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb onverwijld ter behandeling naar de raad doorgezonden, maar een inhoudelijk besluit genomen op de aanvraag. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het besluit van 23 december 2010 is herroepen wegens de onbevoegdheid van het college om het besluit op de aanvraag te nemen, is het in bezwaar bestreden primair besluit herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De omstandigheid dat de aanvraag namens [appellant] is ingediend door F.C. Hofman, werkzaam bij Qube, maakt niet dat de genoemde onrechtmatigheid niet aan het college geweten kan worden. Het college heeft derhalve ten onrechte geweigerd de kosten te vergoeden die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te worden vernietigd.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in verband met het beroep te worden veroordeeld.

Nu het college bij besluit van 30 augustus 2011 het primaire besluit heeft herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid, komen de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken mede voor vergoeding in aanmerking. Het college dient op na te melden wijze tevens tot vergoeding van deze proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet in dat verband geen aanleiding om in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht één punt toe te kennen voor de brieven die [appellant] heeft verzonden om het college te manen een beslissing op het bezwaar te nemen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 30 augustus 2011, kenmerk Z25120/UIT11-57479, voor zover het verzoek van [appellant] om vergoeding van de kosten, die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van  Bronckhorst tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van  Bronckhorst tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 918,52 (zegge: negenhonderdachttien euro en tweeënvijftig cent), waarvan  € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten                       w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

12-743.