Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201100478/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college aan dierenpension De Wetering een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een dierenpension gelegen aan de Nieuwe Wetering 14 te Mastenbroek. Dit besluit is op 2 december 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/869

Uitspraak

201100478/1/A4.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Mastenbroek, gemeente Zwartewaterland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college aan dierenpension De Wetering een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een dierenpension gelegen aan de Nieuwe Wetering 14 te Mastenbroek. Dit besluit is op 2 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en anderen en het dierenpension hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2012, waar [appellant] en anderen, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A.J. Boers en R. van Eerten, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het dierenpension, vertegenwoordigd door ing. R.C. van Rossum, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 29 februari 2012 in zaak nr. 201100478/1/T1/A4 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 23 november 2010 te herstellen.

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college het besluit van 23 november 2010 gewijzigd.

Bij brieven van 10 april 2012 zijn [appellant] en anderen en het dierenpension in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 3 april 2012 naar voren te brengen. Bij brief van 9 mei 2012 hebben [appellant] en anderen een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2.    Overwegingen

De tussenuitspraak van 29 februari 2012

2.1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat, nu niet vaststaat dat de honden uit gang 2, rij 1 in de dagperiode maximaal 3 uur buiten verblijven, niet vaststaat dat aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat op basis van het deskundigenbericht ervan uitgegaan moet worden dat de door het college berekende correcties van de geluidbelasting wat betreft het blaffen van de honden die zich inpandig bevinden niet juist zijn en dat wanneer alle honden 5% van de tijd blaffen ter plaatse van de woning Nieuwe Wetering 23 niet kan worden voldaan aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden. Het college heeft weliswaar gesteld dat er maatregelen te treffen zijn om het percentage blaffende honden die zich inpandig bevinden te verlagen dan wel om de geluidbelasting vanwege de honden die zich inpandig bevinden zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat onderzoek is verricht naar de haalbaarheid van deze maatregelen en de gevolgen van die maatregelen voor de geluidbelasting. Evenmin is verzekerd dat deze maatregelen worden getroffen door ze op te nemen in de vergunningvoorschriften. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat ook niet vaststaat dat de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. De Afdeling heeft het besluit van 23 november 2010 in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geacht.

De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak te onderzoeken of voorschrift 2.1 naleefbaar is als de honden uit gang 2, rij 1 in de dagperiode 6 uur in het uitlaatgebied S1 verblijven. Voorts dient het college te onderzoeken in hoeverre maatregelen worden of kunnen worden getroffen om de geluidbelasting vanwege blaffende honden die inpandig verblijven te verlagen, zodat wordt voldaan aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden.

Het wijzigingsbesluit van 3 april 2012

2.2.    Het besluit van 3 april 2012 waarbij het college het besluit van 23 november 2010 heeft gewijzigd, is ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

2.3.    Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college de aan de vergunning van 23 november 2010 verbonden voorschriften 2.1 en 2.7 vervangen. Voorschrift 2.1 is hierbij gewijzigd door voor beoordelingspunt '101 N - 50m. van inrichting' in de dagperiode een hogere grenswaarde vast te stellen. Voorschrift 2.7 is gewijzigd door hierin te bepalen dat de S1-buitenverblijven door het plaatsen van absorberende schermen dienen te worden opgedeeld in plaats van, zoals bij besluit van 23 november 2010 was bepaald, door middel van kunststofschermen. Voorts heeft het college bij besluit van 3 april 2012 de voorschriften 2.8, 2.9 en 2.10 aan de vergunning verbonden. In voorschrift 2.8 zijn maatregelen voorgeschreven ter vermindering van de geluidbelasting vanwege de inrichting.

Volgens het college kan aan de in voorschrift 2.1 gestelde grenswaarden, zoals gewijzigd bij besluit van 3 april 2012, worden voldaan, wanneer de bij dit besluit voorgeschreven maatregelen worden getroffen. Dit geldt volgens het college ook in het geval er in de buitenverblijven S1 maximaal 6 uren honden aanwezig zijn. Het college heeft zich bij het stellen van de hogere grenswaarde en de voorgeschreven maatregelen gebaseerd op het door Adviesbureau VOBRU opgestelde akoestisch rapport van 25 maart 2012.

Zienswijzen [appellant] en anderen

2.4.    [appellant] en anderen voeren aan dat in het akoestisch rapport van 25 maart 2012 op onjuiste wijze rekening is gehouden met het impulsachtige geluid van het hondengeblaf. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat ten onrechte in voorschrift 2.1 de beoordelingshoogten niet zijn vastgesteld.

[appellant] en anderen hebben deze bezwaren in de beroepsprocedure niet eerder naar voren gebracht. Wat betreft de toegepaste toeslag vanwege het impulsachtige geluid van het hondengeblaf is in het akoestisch rapport van 25 maart 2012 niets gewijzigd ten opzichte van het bij de aanvraag overgelegde akoestisch rapport van 10 februari 2010. Voorts waren in voorschrift 2.1 zoals dit luidde voordat het bij besluit van 3 april 2012 werd gewijzigd, geen beoordelingshoogten genoemd. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling het eerst in dit stadium aanvoeren van deze bezwaren, nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De zienswijzen van [appellant] en anderen blijven daarom in zoverre buiten beschouwing.

2.5.    [appellant] en anderen voeren aan dat het college zich ten onrechte op basis van het akoestisch rapport van 25 maart 2012 op het standpunt heeft gesteld dat aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Volgens hen bevatten de bijlagen bij het akoestisch rapport van 25 maart 2012 onvoldoende informatie om dit rapport op juistheid te kunnen controleren. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat door de wijziging van de posities van de geluidbronnen op singel S1 in het akoestisch rapport van 25 maart 2012 ten opzichte van het akoestisch rapport van 10 februari 2010 in zoverre niet langer een representatief beeld van de te verwachten geluidbelasting wordt gegeven. Voorts is volgens hen geen rekening gehouden met de meervoudige reflecties van het blaffen van honden die worden veroorzaakt doordat uitlaatgebied S1 aan vier zijden wordt afgeschermd en is een onjuiste bedrijfsduurcorrectie toegepast, ten gevolge waarvan de geluidemissie van uitlaatgebied S1 met 0,2 dB is onderschat.

2.5.1.    Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de in het akoestisch rapport van 25 maart 2012 opgenomen informatie onvoldoende was voor het college om op basis hiervan vast te stellen of kan worden voldaan aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden. Daarnaast blijkt uit een vergelijking van de positionering van de geluidbronnen op singel S1 in het akoestisch rapport van 10 februari 2010 met de positionering van de bronnen in het akoestisch rapport van 25 maart 2012 niet dat door de wijziging van de positionering van de geluidbronnen de geluidbelasting lager is ingeschat. Hierbij acht de Afdeling van belang dat in het akoestisch rapport van 25 maart 2012 anders dan in het akoestisch rapport van 10 februari 2010 ook rekening is gehouden met oostelijk gelegen geluidbronnen. [appellant] en anderen hebben ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op basis van het rapport van 25 maart 2012 op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in voorschrift 2.7 is bepaald dat de S1-buitenverblijven door het plaatsen van absorberende schermen dienen te worden opgedeeld en dat de door [appellant] en anderen genoemde onderschatting wat betreft de bedrijfsduurcorrectie slechts 0,2 dB is.

2.6.    [appellant] en anderen voeren aan dat in de aan de vergunning verbonden voorschriften bepaald had dienen te worden dat de schermhoogte van de  tussen de buitenruimten in buitenkennel S1 te plaatsen schermen 2,0 m dient te zijn, welk absorberend materiaal voor de schermen in uitlaatgebied S1 toegepast dient te worden om een reflectiefactor van 0,2 dB te bewerkstelligen en welke maatregelen getroffen dienen te worden wanneer het absorberende materiaal van deze schermen door honden wordt beschadigd. Voorts had volgens hen de positie van de ventilatoren op het dak van gebouw S1 vastgelegd dienen te worden.

2.6.1.    Bij besluit van 3 april 2012 is in voorschrift 2.8 bepaald, voor zover hier van belang, dat de kunststofschermen tussen de buitenruimten dienen te worden vervangen door schermen met een hoogte van 2 m. Nu in de voorschriften is bepaald hoe hoog de geluidschermen tussen de buitenruimten dienen te zijn, mist de zienswijze van [appellant] en anderen in zoverre feitelijke grondslag.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen voorschriften aan de vergunning te verbinden waarin is voorgeschreven welk absorberend materiaal toegepast dient te worden, welke maatregelen getroffen dienen te worden wanneer het absorberende materiaal van de schermen beschadigd is dan wel waarin de positionering van de ventilatoren is vastgesteld. Wanneer in verband met de onvoldoende absorberende werking van de schermen of een onjuiste positionering van de ventilatoren niet aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan, betreft dit een handhavingskwestie.

Conclusie

2.7.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de in de tussenuitspraak genoemde gebreken hersteld.

2.8.    Het beroep tegen het besluit van 23 november 2010 is gezien de tussenuitspraak gegrond. Het besluit van 23 november 2010 dient te worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 november 2010 in stand blijven, behalve voor zover het de voorschriften 2.1 en 2.7 betreft. Het beroep tegen het besluit van 3 april 2012 is ongegrond.

2.9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. [appellant] en anderen hebben verzocht het college te veroordelen in de reiskosten van een ter zitting meegebrachte getuige. Deze kosten komen nu van het meebrengen van een getuige geen mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb niet voor vergoeding in aanmerking.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 november 2010 van het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland van 23 november 2010;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven, behalve voor zover het de voorschriften 2.1 en 2.7 betreft;

IV.    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 april 2012 van het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 43,72 (zegge: drieënveertig euro en tweeënzeventig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Schoppers

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

578.