Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201113021/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gerbergaweg Schepersweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113021/1/R1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Herten, gemeente Roermond,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Herten, gemeente Roermond,

en

de raad van de gemeente Roermond,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gerbergaweg Schepersweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2012, waar [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Amorij en G.H.J. Louwers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door E.M.J. Godding, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een vierde voetbalveld op sportpark De Wolfsberg, een groensingel, enkele nieuwe bedrijfskavels en ter plaatse van te slopen agrarische bebouwing enkele nieuwe woonkavels. Voorts is ruimte voorzien voor maatschappelijke functies in de vorm van kinderopvangvoorzieningen.

2.2. Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen de beroepsgrond ertoe strekkende dat de beoogde kinderopvang ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ontoereikend in het plan is geregeld, ingetrokken.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] richt zich tegen de woonbestemming voor gronden ten zuiden van zijn perceel [locatie 1]. Voor deze gronden is geen bouwvlak ingetekend, [appellant sub 1] vreest echter dat hier op termijn toch bebouwing mogelijk zal worden gemaakt. Het had in de rede gelegen in plaats van een woonbestemming een groen- of tuinbestemming aan de gronden toe te kennen, aldus [appellant sub 1].

2.3.1. De raad wijst erop dat, nu geen bouwvlak op de gronden is neergelegd, het bouwen van een nieuwe woning hier niet is toegestaan. Voor zover [appellant sub 1] van mening is planschade te lijden, kan hij een planschadeverzoek indienen, aldus de raad.

2.3.2. Aan de gronden ten zuiden van het perceel van [appellant sub 1] is de bestemming "Wonen" toegekend zonder een bouwvlak. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, van de planregels, voor zover hier van belang, is nieuwbouw uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak". Uit de planregels volgt voorts dat bijgebouwen alleen bij een hoofdgebouw mogen worden gebouwd. Het bestemmingsplan maakt daarmee op de gronden ten zuiden van het perceel van [appellant sub 1] geen woonbebouwing mogelijk. De keuze van de raad om aan de gronden een woonbestemming toe te kennen, acht de Afdeling niet onredelijk. De gronden grenzen weliswaar aan één zijde aan de groensingel rond het sportpark, maar worden aan de andere drie zijden begrensd door gronden met een woonbestemming, waaronder het perceel van [appellant sub 1]. In dat verband heeft de raad ter zitting toegelicht dat een woonbestemming is gekozen om kleine plandelen met afwijkende bestemmingen te voorkomen. Verder heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat indien zou worden overwogen woningbouw mogelijk te maken bij een woonbestemming zonder bouwvlak eenzelfde afweging over de wenselijkheid daarvan moet plaatsvinden als bij een tuin- of groenbestemming. Mocht het gemeentebestuur in de toekomst met een vergunning of een nieuw bestemmingsplan alsnog bouwmogelijkheden willen bieden op de desbetreffende gronden, dan vergt dat een nieuwe afweging, in welk verband belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

2.4. [appellant sub 1] richt zich voorts tegen de mogelijkheid op het naastgelegen perceel bijgebouwen te bouwen tegen zijn opstallen aan. Doordat bijgebouwen tot op de zijdelingse perceelsgrens niet zijn uitgesloten, zal zijn woning niet langer vrijstaand zijn, maar geschakeld, hetgeen de waarde van de woning negatief beïnvloedt. De raad had een afstand van minimaal 3 m tot de erfgrens dienen aan te houden, aldus [appellant sub 1].

2.4.1. De raad heeft wat betreft de regeling voor bijgebouwen aangesloten bij het vorige bestemmingsplan. De raad is van mening dat het niet gebruikelijk is te bepalen dat bijgebouwen pas op een afstand van 3 m vanaf de zijdelingse perceelsgrens zijn toegestaan. Een bijgebouw is bouwkundig ondergeschikt aan een hoofdgebouw en bovendien kunnen nabij de erfgrens ook vergunningvrij bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd, aldus de raad.

2.4.2. Aan de gronden ten westen van de woning van [appellant sub 1] is de bestemming "Wonen" toegekend met een bouwvlak. In artikel 7, lid 7.2.2, onder e, van de planregels is bepaald dat de afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 3 m dient te bedragen. Ingevolge lid 7.2.3, onder a, mogen bij ieder hoofdgebouw op het bijbehorende erf, zijnde de gronden gelegen achter de voorgevelrooilijn, bijgebouwen worden gebouwd met dien verstande dat de bijgebouwen ten minste 3 m achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw worden geplaatst, waarbij een aan de wegzijde gelegen open stallingsruimte voor personenauto's wel voor de voorgevelrooilijn mag worden geplaatst. Ingevolge het bepaalde onder c mogen bijgebouwen met een kap worden gerealiseerd met een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 5 m of met een plat dak waarbij de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen. Indien de bijgebouwen aansluitend aan de woning worden gerealiseerd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag.

2.4.3. Uit de hiervoor weergegeven planregeling volgt dat het realiseren van bijgebouwen op kortere afstand dan 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens niet is uitgesloten. Naar de raad ter zitting heeft gesteld, is dit in overeenstemming met de gekozen plansystematiek. De Afdeling acht bij voorbaat niet geheel uitgesloten dat dergelijke bebouwing de waarde van het perceel van [appellant sub 1] in enige mate beïnvloedt. De keuze van de raad om, gelet op de betrokken belangen, de desbetreffende bebouwingsmogelijkheid niet te willen uitsluiten acht de Afdeling evenwel niet onredelijk. Eenzelfde bouwmogelijkheid was reeds opgenomen in het tot dusver geldende bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" uit 2008 waar voor de als "Agrarische doeleinden A" bestemde gronden was voorzien in een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Woondoeleinden W". Voorts gaat het om gebruikelijke en relatief beperkte bouwmogelijkheden en is het ook zonder de planregeling mogelijk op de gronden, voor zover deze zijn aan te merken als achtererfgebied als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht, vergunningvrij vergelijkbare bouwwerken te realiseren.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.6. [appellant sub 2] en anderen, woonachtig [locatie 2] en [locatie 3], richten zich tegen de bedrijfsbestemming die op gronden in de nabijheid van hun woningen is gelegd. Voorheen gold voor het grootste gedeelte van deze gronden een agrarische bestemming. De bedrijfsbestemming leidt tot een intensiever gebruik. De noodzaak voor het bedrijventerrein ontbreekt reeds omdat op het nabijgelegen bedrijventerrein leegstand bestaat. Voorts is volgens hen ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de geluidsgevolgen van het bedrijventerrein. De raad heeft ten onrechte volstaan met een verwijzing naar het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim). Ook is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de parkeer- en verkeerssituatie. De parkeerplekken hadden volgens [appellant sub 2] en anderen in het bestemmingsplan moeten worden aangeduid en het bedrijventerrein, tezamen met de andere ontwikkelingen in het plangebied, leidt tot een hogere verkeersintensiteit op de bestaande wegen. In dat verband is [appellant sub 2] en anderen ook onduidelijk hoe de ontsluiting van het bedrijventerrein wordt geregeld. Verder zal door het bedrijventerrein het landschappelijk aanzicht van de Schepersweg, een zogenoemde 'holleweg', verloren gaan. Ook heeft onderzoek naar de gevolgen voor de dag- en zonlichttoetreding in hun woningen en voor hun uitzicht ten onrechte niet plaatsgevonden. Verder is onderzoek naar de waterafvoer van het bedrijventerrein, dat hoger is gelegen dan hun percelen, ten onrechte achterwege gebleven, aldus [appellant sub 2] en anderen.

2.6.1. De raad merkt op dat het grootste gedeelte van de gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" al een bedrijfsbestemming had met een onbeperkte mogelijkheid voor categorie 3-bedrijven. Ten opzichte van dat plan zijn de bouwvlakken beperkt evenals de maximaal toegestane bouwhoogte. Ook is de milieuzonering gespecificeerd. Bedrijven dienen daaraan te voldoen. Met het terrein worden kansen geboden aan startende ondernemers waarvoor thans onvoldoende aanbod is in de gemeente. Parkeerruimte wordt onder meer gerealiseerd in de openbare ruimte. Knelpunten in de verkeerssituatie zullen zich volgens de raad niet voordoen. De raad is van mening dat een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Een onevenredige benadeling door schaduwwerking of een beperking van de daglichttoetreding doet zich niet voor. Uit een bezonningsstudie volgt dat zich alleen in de periode oktober tot maart in de ochtend enige extra schaduwwerking zal voordoen. Ten slotte is een goede waterafvoer voldoende verzekerd, aldus de raad.

2.6.2. Op de verbeelding is ter hoogte van de woningen van [appellant sub 2] en anderen voorzien in een plandeel met de bestemming "Bedrijf". Binnen dit plandeel is voorzien in verschillende functieaanduidingen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 1" uitsluitend de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de bedrijfscategorie 1, zoals opgenomen in de als bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" uitsluitend de uitoefening van bedrijfsactiviteiten tot en met bedrijfscategorie 2 […];

c. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" uitsluitend de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de bedrijfscategorieën 2 en 3.1 […];

d. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" uitsluitend de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de bedrijfscategorieën 2, 3.1 en 3.2 […].

2.6.3. Tussen de woning Hoofdstraat 45 en het plandeel met de bedrijfsbestemming bevindt zich de woning Hoofdstraat 47. Tussen de woning Schepersweg 7 en het plandeel met de bedrijfsbestemming bevindt zich de Schepersweg en een plandeel met de bestemming "Groen" met een breedte van ongeveer 5 m. Hier bevindt zich op een talud een strook met hoog opgaand groen.

2.6.4. Ter zitting heeft de raad gesteld dat op het bestaande bedrijventerrein Merum geen structurele leegstand voorkomt. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Zij hebben voorts niet onderbouwd waarom de raad niet heeft kunnen uitgaan van de verwachting dat binnen de planperiode van tien jaar voldoende behoefte zal bestaan aan de nieuwe bedrijfskavels. De Afdeling ziet bevestiging voor deze behoefte in de omstandigheid dat de ontwikkelende partij voor haar risico een grondexploitatieovereenkomst met de gemeente heeft gesloten.

2.6.5. Niet in geschil is dat met het thans voorliggende bestemmingsplan op gronden dichterbij de woningen van [appellant sub 2] en anderen een bedrijfsbestemming is gelegd. Het betreft hier grotendeels mogelijkheden voor bedrijven uit de categorieën 1 en 2. Op de overige als "Bedrijf" bestemde gronden rustte in het tot dusver geldende bestemmingsplan al een bedrijfsbestemming met de mogelijkheid van bedrijven tot en met categorie 3. Uit de plantoelichting volgt dat de raad wat betreft de toegelaten bedrijfscategorieën het systeem van inwaartse zonering heeft toegepast, waarbij beschermende bufferzones rondom - milieugevoelige - woningen zijn geprojecteerd. Bedrijven met meer invloed op de woonomgeving zijn in een hogere categorie ingedeeld en daarmee op grotere afstand van woonbebouwing mogelijk gemaakt. De raad is daarbij uitgegaan van de richtafstanden van 10, 30, 50 en 100 m, zoals opgenomen in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

Niet in geschil is dat de afstanden van de verschillende bedrijfscategorieën tot de woningen van [appellant sub 2] en anderen zijn afgestemd op de richtafstanden uit de VNG-brochure. Daarbij is niet aannemelijk gemaakt dat vergunningvrij of bij recht mogelijkheden bestaan om deze woningen in de richting van het bedrijventerrein uit te breiden. Evenmin is daarmee aannemelijk gemaakt dat de raad de desbetreffende afstanden niet op de juiste wijze heeft bepaald. Voorts volgt uit artikel 3, lid 3.2, van de planregels dat de maximale bouwhoogte van gebouwen 8 m bedraagt. De raad heeft deze hoogte afgestemd op de hoogte van de omliggende woningen. [appellant sub 2] en anderen hebben niet nader onderbouwd waarom in deze situatie niet kon worden volstaan met het aanhouden van de richtafstanden uit de VNG-brochure. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de bouwvlakken voor de bedrijven op grotere afstanden liggen dan de grens van de bedrijfsbestemming. Aan de VNG-brochure valt voorts niet te ontlenen dat in het geval van een inwaarts gezoneerd bedrijventerrein vanwege geluidcumulatie grotere afstanden dienen te worden aangehouden dan de richtafstanden. Dat zich een ernstige vorm van geluidcumulatie zal voordoen, hebben [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk gemaakt. De raad heeft gelet hierop geen noodzaak behoeven te zien voor een aanvullend akoestisch onderzoek naar geluidcumulatie. Verder hebben [appellant sub 2] en anderen niet onderbouwd waarom de raad er niet van heeft kunnen uitgaan dat de te vestigen bedrijven aan het Barim zullen kunnen voldoen. Dat zich door de te vestigen bedrijven een onevenredige vermindering van zon- en daglichttoetreding in hun woningen zal voordoen, is, gelet op het bezonningsonderzoek en inachtgenomen de afstand van ten minste 20 m van de bouwvlakken met een bedrijfsbestemming tot hun woningen, de bouwhoogte van 8 m, de tussengelegen woning Hoofdstraat 47 en de groenstrook langs de Schepersweg, niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor [appellant sub 2] en anderen zal zijn gewaarborgd.

2.6.6. Het bedrijventerrein grenst aan de zuidoostzijde aan het bestaande bedrijventerrein Merum en ligt voor het overige ingesloten tussen het als "Groen" bestemde talud met de groenstrook aan de Schepersweg, particuliere percelen en een sportveld. De als "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, verhardingen en daaraan ondergeschikte openbare nutsvoorzieningen. Deze doeleindenomschrijving maakt een ontsluitingsweg ten behoeve van het bedrijventerrein op de Schepersweg niet mogelijk. In de Nota van zienswijzen is aangegeven dat de ontsluiting van de nieuwe bedrijfskavels via het bestaande, aansluitende bedrijventerrein over de Natronchemieweg-Solvayweg zal plaatsvinden. In dit geval is voldoende duidelijk hoe de ontsluiting zal plaatsvinden, zodat de raad deze niet uitdrukkelijk in het bestemmingsplan behoefde vast te leggen.

Voorts bestaat in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor de verwachting dat de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse in het gedrang zal komen. Artikel 3 van de planregels maakt wegen en straten alsmede parkeervoorzieningen mogelijk. Voorts dient ingevolge artikel 15, lid 15.2, van de planregels in voldoende parkeeraccommodatie op eigen terrein te worden voorzien, met dien verstande dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken indien anderszins in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Niet aannemelijk is gemaakt dat op eigen terrein dan wel in de aan te leggen openbare ruimte in ontoereikende mate parkeermogelijkheden kunnen worden geboden.

Wat betreft de gevolgen voor de verkeersintensiteiten op de Schepersweg, de Hoofdstraat en de Gerbergaweg door de in 2.1 bedoelde ontwikkelingen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat hierdoor een zodanige verkeerstoename moet worden verwacht dat dit tot knelsituaties op deze wegen zal leiden. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de nieuwe ontwikkelingen relatief beperkt van omvang zijn en het bedrijfsverkeer met name in zuidoostelijke richting, naar de A73, zal zijn georiënteerd.

2.6.7. In het kader van het bestemmingsplan is door Aeres Milieu een infiltratieonderzoek gedaan. Daarbij is rekening gehouden met de bestaande hoogteverschillen. Uit de indicatieve infiltratiemetingen volgt dat de verticale doorlatendheid in de onverzadigde zone van de bodem binnen het plangebied ruim voldoende is. Uit de plantoelichting volgt voorts dat in het civieltechnisch plan rekening wordt gehouden met het voorkomen van wateroverlast naar derden door ervoor te zorgen dat overvloedig regenwater niet naar de omliggende percelen van omwonenden wordt afgevoerd. Ter zitting heeft de raad gesteld dat voor de afvoer van regenwater in het civieltechnisch plan is voorzien in een infiltratieriool en een greppel langs de groenstrook. Met de enkele verwijzing naar de lagere ligging van hun percelen hebben [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet op het vorenstaande heeft kunnen baseren. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat het waterschap een positief wateradvies heeft gegeven, dat binnen de bestemming "Bedrijf" water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn toegelaten en dat in de realiseringsovereenkomst in zoverre verplichtingen zijn opgelegd aan de initiatiefnemer.

2.6.8. Dat de aanleg van het bedrijventerrein tot een aantasting van de landschappelijke kwaliteit van de Schepersweg zal leiden, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Zij betrekt daarbij dat de Schepersweg, zoals door de raad is meegedeeld, ongewijzigd zal blijven en dat deze weg van het bedrijventerrein is afgescheiden door een talud met een 5 m brede groenstrook.

2.7. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de benodigde parkeermogelijkheid voor de ter plaatse van het plandeel "Maatschappelijk" beoogde kinderopvang niet of ontoereikend in het plan is geregeld.

2.7.1. Het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" heeft op de verbeelding een diepte van ongeveer 55 m en een breedte van ongeveer 26 m. Aan de kant van de Gerbergaweg is over een diepte van ongeveer 15 m tevens de aanduiding "parkeerterrein" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke doeleinden in de vorm van kinderopvang (kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang) met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven, met daaraan ondergeschikt, voor zover van belang, parkeervoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" uitsluitend parkeervoorzieningen zijn toegestaan en hier derhalve geen andere activiteiten mogen worden uitgeoefend.

2.7.2. Ter plaatse van het plandeel "Maatschappelijk" zijn parkeervoorzieningen mogelijk. Voor zover daaraan de aanduiding "parkeerterrein" is toegekend, zijn daar geen andere activiteiten toegelaten. Gelet hierop en mede in acht genomen de verbeelding valt niet in te zien dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten behoeve van de kinderopvang in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.

2.8. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

Proceskosten

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Bošnjaković

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

371.