Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201110169/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college aan Starglass B.V. vergunning verleend voor het innemen van standplaats op het parkeerterrein aan het Burgemeester Haitsmaplein te Mijdrecht om daar autoruitschade te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110169/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 augustus 2011 in zaak nr. 10/1570 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college aan Starglass B.V. vergunning verleend voor het innemen van standplaats op het parkeerterrein aan het Burgemeester Haitsmaplein te Mijdrecht om daar autoruitschade te herstellen.

Bij besluiten van 29 en 31 maart 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan [appellant] kosten van aanwezigheid op de hoorzitting vergoed.

Bij uitspraak van 3 augustus 2011, verzonden op 5 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 oktober 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2012, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door M.L. van Aerde en drs. M.A. Broeze, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), voor zover thans van belang, wordt het bedrag van de reiskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In deze bepaling wordt het tarief gesteld op een bedrag, waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 per uur bedraagt.

2.2. [appellant] heeft het college bij e-mailbericht van 11 maart 2010 verzocht om vergoeding van bij hem in verband met bijwonen van de hoorzitting opgekomen reis- en verletkosten. Hij heeft onder meer verzocht om vergoeding van de kosten van door hem gereden 395 kilometer en € 53,09 per uur in verband met zijn aanwezigheid op de hoorzitting. Het college heeft reiskosten voor vergoeding in aanmerking gebracht tot een bedrag van € 48,10. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat [appellant] met het openbaar vervoer kon reizen en het te vergoeden bedrag daarop gebaseerd. Verletkosten komen volgens het college niet voor vergoeding in aanmerking.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten aanzien van de reiskosten niet heeft mogen volstaan met het vergoeden van de kosten van openbaar vervoer. Volgens hem was de mogelijkheid om per openbaar vervoer van Groningen naar Mijdrecht, de plaats van de hoorzitting, te reizen, gezien de lange duur van de reis en de korte overstaptijden, onvoldoende en moest hem daarom een kilometervergoeding worden toegekend.

2.3.1. Dat betoog faalt. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de mogelijkheden om per openbaar vervoer te reizen voldoende waren. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat uit de door [appellant] overgelegde stukken weliswaar volgt dat aan het reizen per openbaar vervoer een lange duur is verbonden, maar niet dat het voor [appellant] nagenoeg onmogelijk was. Zij heeft de kosten van het reizen per eigen auto dan ook terecht niet als noodzakelijk aangemerkt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het college niet gehouden heeft geacht verletkosten te vergoeden. Hij is zelfstandig ondernemer en werkt ’s avonds aan de administratie van zijn onderneming. Daarom is niet van belang dat de hoorzitting ’s avonds is gehouden, aldus [appellant]. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011 in zaak nr. 201102095/1/H3, waarin in een vergelijkbaar geval is overwogen dat hem een vergoeding voor verletkosten moest worden toegekend.

2.4.1. Dat betoog slaagt. [appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat hij als ondernemer ook ’s avonds werkzaamheden pleegt te verrichten en bijwonen van de hoorzitting voor hem tot tijdverzuim heeft geleid.

Hij heeft stukken overgelegd ten betoge dat zijn verletkosten minstens € 53,09 per uur bedragen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb wordt echter maximaal € 53,09 per uur aan verletkosten toegekend. Daarbij geldt voorts forfaitair het aantal van zes uur.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant], voor zover dat is gericht tegen de weigering hem een vergoeding toe te kennen voor verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar, ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van 29 en 31 maart 2010 van het college in zoverre gegrond verklaren. Die besluiten komen voor vernietiging in aanmerking, voor zover het college daarbij heeft geweigerd aan [appellant] een vergoeding toe te kennen voor verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.6. Het college zal op na te melden wijze tot vergoeding van de in bezwaar bij [appellant] opgekomen proceskosten worden veroordeeld. Voorts zal het college op na te melden wijze in de kosten worden veroordeeld die bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep zijn opgekomen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 augustus 2011 in zaak nr. 10/1570, voor zover het beroep, gericht tegen de weigering hem een vergoeding toe te kennen voor verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van het gemaakte bezwaar daarbij ongegrond is verklaard;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen van 29 en 31 maart 2010, kenmerk nrs. IVB_MA_62372 en IVB_MA_62706, voor zover daarbij is geweigerd [appellant] een vergoeding toe te kennen voor verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van het door hem gemaakte bezwaar;

V. bevestigt de uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding aan [appellant] van bij hem in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 318,54 (zegge: driehonderdachttien euro en vierenvijftig eurocent);

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding aan [appellant] van bij hem in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 738,51 (zegge: zevenhonderdachtendertig euro en eenenvijftig eurocent);

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

176-597.