Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201012316/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruyven-Zuidpolder van Delfgauw" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/818
JBO 2012/136 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

201012316/1/R4.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hajé Vastgoed B.V. (hierna: Hajé Vastgoed B.V.), gevestigd te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT), gevestigd te Arnhem,

3. [appellant sub 3], wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruyven-Zuidpolder van Delfgauw" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2010, Hajé Vastgoed B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2010, TenneT bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, beroep ingesteld. TenneT heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 15 februari 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2012, waar [appellant sub 6], bijgestaan door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, Hajé Vastgoed BV, vertegenwoordigd door B. Bouman en W. van Hemert, TenneT, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam en R.M. van der Zweerde, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. J. Wildschut, G. Schotte en G. Knol, deskundige, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven en mr. S.W. Boot, beiden advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het gebied Ruyven-Zuidpolder. Het plan is gericht op het beheer van bestaande kwaliteiten en functies en het faciliteren van nieuwe functies en kwaliteiten, zoals de aanleg van ongeveer 102 hectare natuur en het realiseren van een waterberging.

Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van Pijnacker en ten oosten van Delft. Het gebied wordt globaal begrensd door de A13, het tracé van de N470, de noordzijde van de bebouwing langs de Oude Leedeweg en de Wilgenweg en de Berkelse Zweth.

Het beroep van TenneT

2.2. Het beroep van TenneT is erop gericht te waarborgen dat het plan niet in de weg staat aan de positieve bestemming van de hoogspanningsverbinding Randstad 380 kV Zuidring Wateringen-Zoetermeer in het "Inpassingsplan Wateringen Zoetermeer (380 kV leiding)" (hierna: het rijksinpassingsplan).

TenneT betoogt dat ingevolge artikel 3.28, derde en vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), het rijksinpassingsplan voorrang heeft boven hetgeen in het plan is bepaald. De positieve bestemming van de hoogspanningsverbinding geldt dan ook onverkort, aldus TenneT.

2.2.1. De raad stelt dat het plan niet in de weg staat aan de aanleg van de hoogspanningsverbinding.

2.2.2. Ingevolge artikel 3.28, eerste lid, van de Wro, voor zover hier van belang, kan Onze Minister, indien sprake is van nationale belangen, voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan vaststellen met uitsluiting van de bevoegdheid van de gemeenteraad om voor die gronden een bestemmingsplan vast te stellen.

Ingevolge het vijfde artikellid, voor zover hier van belang, wordt in het vaststellingsbesluit bepaald tot welk tijdstip de uitsluiting van de bevoegdheid van de gemeenteraad tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de betrokken gronden voortduurt.

2.2.3. Bij besluit van 28 augustus 2009 hebben de minister van Economische Zaken en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het rijksinpassingsplan vastgesteld.

In artikel 1, van voornoemd besluit staat dat het Inpassingsplan Zuidring Wateringen Zoetermeer (380 kV leiding), met bijbehorende regels en verbeeldingen, wordt vastgesteld.

In artikel 2, eerste lid, van voornoemd besluit staat, voor zover hier van belang, dat de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp gedurende een periode van drie jaren na de vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden waarop dit inpassingsplan betrekking heeft.

In het tweede artikellid, voor zover hier van belang, staat dat het eerste lid niet van toepassing is indien een gemeenteraad een bestemmingsplan vaststelt dat voorziet in de hoogspanningsverbinding en de bijbehorende bouwwerken zoals neergelegd in het inpassingsplan, genoemd in artikel 1.

2.2.4. Niet in geschil is dat het plan niet voorziet in de hoogspanningsverbinding en bijbehorende bouwwerken zoals neergelegd in het rijksinpassingsplan.

In de uitspraak van 11 februari 2010, zaak nr. 200908100/2/R1, heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het Rijksinpassingsplan "Inpassingsplan Wateringen Zoetermeer (380 kV leiding)" van de minister van Economische Zaken en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vervat in artikel 1 van het besluit van 28 augustus 2009, geschorst met uitzondering van enkele delen van dat plan. Ten aanzien van de overige artikelen van het besluit, waaronder artikel 2, is geen voorlopige voorziening getroffen, zodat voornoemd besluit in zoverre in werking was ten tijde van het vaststellen van het plan. Gelet hierop was de raad ingevolge voornoemd artikel 2 voor een periode van drie jaar na de vaststelling van het rijksinpassingsplan niet bevoegd een plan vast te stellen voor de gronden waarop dit rijksinpassingsplan betrekking heeft. Nu de raad het plan binnen deze periode heeft vastgesteld, is het bestreden besluit in zoverre onbevoegd genomen. Het besluit is derhalve in strijd met artikel 3.28, eerste en vijfde lid, van de Wro, in samenhang bezien met artikel 2 van het besluit van 28 augustus 2009. Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voor zover het gronden betreft waarop het rijksinpassingsplan betrekking heeft.

Het beroep van Hajé Vastgoed B.V.

Intrekking

2.3. Ter zitting heeft Hajé Vastgoed B.V. haar beroep voor zover gericht tegen het ontbreken van overleg, de gang van zaken omtrent de mondelinge toelichting op de zienswijzen, het nalaten om de inspraakreactie te verwerken, de verkeerde verbeelding op de gemeentelijke website en het ontbreken van een Staat van Horecabedrijven, ingetrokken.

Functie logies

2.4. Hajé Vastgoed B.V. kan zich niet verenigen met de bestemming "Horeca" zoals toegekend aan het wegrestaurant dat zij exploiteert aan de Rijksstraatweg 75 te Delfgauw, voor zover de functie logies niet is opgenomen in de omschrijving van voornoemde bestemming in artikel 9.1 van de planregels. Zij voert aan dat er geen dringende redenen bestaan om het gebruik tot restaurant te beperken. De functie logies zal volgens Hajé Vastgoed B.V. geen extra overlast en aantasting opleveren voor omliggende functies en het omliggende landschap, nu de functie logies weggebonden zou zijn en past binnen de reeds toegestane bebouwing en het reeds bestaande bouwvlak. Uit jurisprudentie vloeit volgens Hajé Vastgoed B.V. voort dat logies een passende functie is voor een verzorgingsplaats zoals hier aan de orde.

2.4.1. De raad stelt dat Hajé Vastgoed B.V. meerdere malen is verzocht om concrete gegevens aan te leveren met betrekking tot haar voornemen ter plaatse een hotel te realiseren. Nu deze gegevens niet zijn aangeleverd, kon niet worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening indien de functie zou worden toegestaan in het plan, aldus de raad.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat de vaststelling van het bestemmingsplan in dit geval een ambtshalve genomen besluit betreft, zodat de verplichting tot het verrichten van het benodigde onderzoek naar de bestaande toestand en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkelingen in het plangebied ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) primair op het gemeentebestuur rust. In dit geval mocht van Hajé Vastgoed B.V. evenwel worden verlangd dat zij concrete gegevens voor de door haar gewenste invulling zou aandragen naar aanleiding waarvan de benodigde onderzoeken konden worden verricht. Vast staat dat Hajé Vastgoed B.V. voor de vaststelling van het plan geen concrete gegevens heeft ingediend.

Ten aanzien van het beroep van Hajé Vastgoed B.V. op de desbetreffende uitspraak van de rechtbank Utrecht, overweegt de Afdeling dat deze uitspraak zag op de invulling van het begrip verzorgingsplaats en dit begrip in het onderhavige plan niet voorkomt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de benodigde ruimtelijke afweging niet kon worden gemaakt en de functie logies dan ook niet zonder meer kon worden toegevoegd aan de bestemming "Horeca".

Het betoog faalt.

Artikel 9.3.1 van de planregels

2.5. Hajé Vastgoed B.V. stelt dat in artikel 9.3.1 van de planregels voor haar wegrestaurant niet het juiste aantal vierkante meters bebouwing is opgenomen, nu het aantal vierkante meters van het niet overkapte gedeelte van de entree niet is meegenomen. De desbetreffende entree valt volgens Hajé Vastgoed B.V. onder de definitie van "bebouwde oppervlakte" zoals opgenomen in de planregels.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de niet overkapte entree een terras is dat kan worden aangemerkt als een bouwwerk geen gebouw zijnde, zoals omschreven in artikel 1 van de planregels. Het terras behoort volgens de raad niet tot de bebouwde oppervlakte van het perceel. Volgens de raad verwijst artikel 9.3.1 van de planregels uitsluitend naar gebouwen ten behoeve van cafés en restaurants.

2.5.2. Ingevolge artikel 9.3.1 van de planregels mag de bebouwde oppervlakte van cafés en restaurants, inclusief serre, bij gronden met de bestemming "Horeca" niet meer dan 738 m² bedragen.

2.5.3. Gelet op de redactie van artikel 9.3.1 van de planregels gaat het alleen om het bebouwde oppervlakte van de cafés en restaurants, inclusief serre op het perceel en derhalve niet om het bebouwde oppervlak van het gehele perceel. In zoverre bestaat geen onduidelijkheid over de invulling van het begrip bebouwde oppervlakte en is het aantal vierkante meters van het niet overkapte gedeelte van de entree terecht niet opgenomen in voornoemde planregel.

Het betoog faalt.

Conclusie

2.6. In hetgeen Hajé Vastgoed B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en [appellant sub 5]

Begripsomschrijving paardenfokkerij

2.7. [appellant sub 3] en [appellant sub 5] kunnen zich niet verenigen met de begripsomschrijving voor paardenfokkerij zoals opgenomen in artikel 1, van de planregels, nu ingevolge deze begripsomschrijving alleen paarden jonger dan drie jaar aanwezig mogen zijn in een paardenfokkerij. Volgens [appellant sub 3] en [appellant sub 5] is het realiseren van een paardenfokkerij gelet op de begripsomschrijving niet mogelijk. [appellant sub 5] verwijst in dit verband naar de verklaring van een agrarisch deskundige. Volgens [appellant sub 5] is dan ook, in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan "Buitengebied", onvoldoende rekening gehouden met zijn wens om op het perceel Zuideindseweg naast nummer 94 een paardenfokkerij te beginnen. [appellant sub 3] betoogt dat de begripsomschrijving gelijk zou moeten zijn aan hetgeen hierover is opgenomen in de toelichting van het plan.

2.7.1. De raad stelt dat in het ontwerpplan geen begripsomschrijving was opgenomen van een paardenfokkerij, maar dat het in de praktijk belangrijk is om geen onduidelijkheid hierover te laten bestaan. Volgens de raad is het binnen de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" mogelijk om een paardenfokkerij te vestigen zoals omschreven in de begripsomschrijving. De raad heeft in overweging genomen dat de doelstelling dat het gebied behouden moet worden voor de uitoefening van aan de grond gebonden agrarische bedrijven en dat gestreefd wordt naar het behoud en herstel van landschappelijke, natuurlijke en culturele waarden, het noodzakelijk maakt te sturen in de ruimtelijke mogelijkheden.

De raad stelt dat hij een wijzigingsbevoegdheid in het plan heeft opgenomen die eenzelfde gebruik mogelijk maakt als in het bestemmingsplan "Buitengebied", waardoor ter plaatse een paardenfokkerij kan worden gevestigd. Volgens de raad wil [appellant sub 5] een paardenhouderij vestigen in plaats van een paardenfokkerij, hetgeen in strijd is met het plan.

2.7.2. Het perceel Zuideindseweg naast nummer 94 heeft de bestemming "Agrarisch met waarden (AW)". Het perceel heeft voorts de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 3".

Ingevolge artikel 5.4.3 van de planregels zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 3" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" met dien verstande dat het wijzigen uitsluitend mag geschieden ten aanzien van gronden die voldoen aan de gegeven regels, waaronder de bepaling dat er sprake is van een volwaardig aan de grond gebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 3.1, sub a zijn de voor "Agrarisch-Agrarisch Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid, zoals een melkveehouderij en paardenfokkerij.

Ingevolge artikel 1 wordt verstaan onder paardenfokkerij: een volwaardig aan de grond gebonden agrarisch bedrijf dat zich richt op het bedrijfsmatig, op agrarische productie gericht opfokken, huisvesten en trainen van paarden en pony's tot een leeftijd van maximaal drie jaar.

2.7.3. De raad komt in beginsel beleidsvrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

In de plantoelichting staat dat paardenfokkerijen worden beschouwd als agrarische bedrijfsactiviteit en dat deze bedrijven productiegericht zijn met het fokken van paarden als hoofdactiviteit. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij het van belang acht dat een onderscheid wordt gemaakt tussen paardenfokkerijen en paardenhouderijen en dit onderscheid naar voren komt in het opnemen van een maximale leeftijd van drie jaar voor paarden en pony's. De raad heeft zich bij het opnemen van deze maximum leeftijd gebaseerd op de door de provincie Zuid-Holland opgestelde Handleiding agrarische bouwaanvragen en aanlegvergunningen van 1995 (hierna: de Handleiding) en aansluiting gezocht bij de door de VNG opgestelde Handreiking Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening van februari 2009 (hierna: de Handreiking). In de Handreiking wordt aanbevolen om voor een paardenfokkerij de agrarische bestemming te continueren en voor een paardenhouderij een specifieke aanduiding dan wel bestemming op te nemen en wordt bij het bepalen van dit onderscheid de leeftijdsgrens van drie jaar gehanteerd.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 mei 2007, zaak nr. 200510017/1 is, mede gelet op door de VNG opgestelde brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk.", het standpunt dat de ruimtelijke uitstraling van paardenfokkerijen verschilt van die van traditionele agrarische bedrijven, zoals paardenhouderijen, niet onredelijk. Dit betekent dat de raad het opnemen van een specifieke regeling voor paardenfokkerijen in beginsel redelijk heeft kunnen achten. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het opnemen van een leeftijdsgrens voor paarden en pony's ruimtelijk relevant kunnen achten om een grens te stellen tussen een paardenfokkerij en een paardenhouderij.

2.7.4. Voor zover [appellant sub 3] en [appellant sub 5] vrezen dat ter plaatse geen paarden ouder dan drie jaar mogen worden gehouden en daardoor geen paardenfokkerij kan worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling, zoals ter zitting ook is toegelicht door de raad, dat voor het antwoord op de vraag of in dit geval een bedrijf kan worden aangemerkt als paardenfokkerij (en derhalve als grondgebonden agrarisch bedrijf), doorslaggevend is dat het bedrijf zich richt op fokkerij (van paarden tot drie jaar) als hoofdactiviteit. Indien dit het geval is, zouden (ondergeschikt) paarden van ouder dan drie kunnen worden gehouden voor training en dergelijke. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de desbetreffende begripsomschrijving strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De betogen falen.

Afstand tot perceelsgrens

2.8. [appellant sub 5] betoogt dat artikel 5.4.3, onder e, van de planregels geen reële bouwmogelijkheden biedt, nu, gelet op de opgenomen afstand van 25 meter tot de perceelsgrens, slechts een strook van 25 meter breed ten behoeve van bebouwing overblijft.

2.8.1. Ingevolge artikel 5.4.3, onder e, van de planregels, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van de gronden, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch-Agrarisch Bedrijf", met dien verstande dat het wijzigen uitsluitend mag geschieden ten aanzien van gronden waarvan vaststaat dat:

e. de afstand van de gebouwen tot de perceelsgrens minimaal 25 meter bedraagt.

2.8.2. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij niet hecht aan handhaving van voornoemd artikel. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 5.4.3, onder e, van de planregels.

2.9. In hetgeen [appellant sub 5] voor het overige en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] voor het overige en het beroep van [appellant sub 3] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.10. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het de inpassing van de voormalige rijtuigenschuur op haar perceel aan de [locatie] te Delfgauw betreft. Volgens [appellant sub 4] zijn de aan haar verleende vrijstelling en bouwvergunning van 28 oktober 2008, wat betreft het gebruik van de voormalige rijtuigenschuur, niet op correcte wijze opgenomen in het plan. [appellant sub 4] betoogt dat de raad een nadere aanduiding in het plan had moeten opnemen ten behoeve van het gebruik van de voormalige rijtuigenschuur als werkplaats dan wel bedrijfsruimte conform voornoemde vrijstelling en bouwvergunning en dat het gebruik van deze rijtuigenschuur nu ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht.

2.10.1. De raad stelt dat in het plan geen ruimte is voor het vestigen van een werkplaats dan wel bedrijfsruimte ter plaatse van de voormalige rijtuigenschuur, omdat deze functie niet past binnen een gebied waar openheid centraal staat, natuur wordt ontwikkeld en ruimte wordt gegeven aan grondgebonden agrarische bedrijvigheid.

Volgens de raad is met de verleende vrijstelling en bouwvergunning slechts medewerking verleend aan het veranderen van een woning en een stal, niet aan het vestigen van een werkplaats dan wel bedrijfsruimte. Het gebruik van de voormalige rijtuigenschuur als werkplaats dan wel bedrijfsruimte valt volgens de raad niet onder het overgangsrecht, nu dit gebruik reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan.

2.10.2. Bij besluit van 28 oktober 2008 is door het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp aan [appellant sub 4] een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het geheel veranderen van een woonhuis en een stal. Uit de verleende vergunning en bijbehorende stukken blijkt niet dat [appellant sub 4] een vrijstelling voor het gebruik van zijn rijtuigenschuur heeft aangevraagd noch dat dit is vergund. Er is derhalve alleen een vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het veranderen van de woning en de stal. Eventueel gemaakte afspraken voorafgaand aan de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning maken dit niet anders. Dit betekent dat de raad niet gehouden was om op grond van de verleende vrijstelling en bouwvergunning het gebruik van de rijtuigenschuur als werkplaats dan wel bedrijfsruimte in het plan op te nemen.

In de plantoelichting staat dat als uitgangspunten voor het plan onder meer gelden: het beperken van een toename van niet-agrarische functies en niet functioneel aan het buitengebied gebonden functies in het agrarisch gebied buiten de aanwezige bebouwingsconcentraties, het behouden en waar mogelijk versterken van het landelijke karakter van het buitengebied buiten de bebouwingsconcentraties en het behouden van aanwezige landschappelijke en natuurwaarden binnen het plangebied. In dit verband heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de in 2.10.1 genoemde doeleinden van het plan dan aan het belang dat [appellant sub 4] heeft bij het gebruik van de desbetreffende rijtuigenschuur als werkplaats dan wel bedrijfsruimte.

Het betoog faalt.

2.11. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

Locatie A

2.12. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met het plan wat betreft de toegekende bestemmingen aan de percelen kadastraal bekend als gemeente Pijnacker, sectie H, perceelnummers 1159, 292, 580, 584 en 1014 (hierna: de gronden op locatie A). Volgens [appellant sub 6] heeft het mede bestemmen van de percelen die aan de oostzijde grenzen van de gronden op locatie A voor de tijdelijke opvang van water, mede door de stijging van het waterpeil als gevolg van de Bergboezem, grote nadelige gevolgen voor de bruikbaarheid van zijn gronden. [appellant sub 6] betoogt dat de raad ten onrechte zijn belang dat is gelegen in de bruikbaarheid van de gronden op locatie A niet heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan en geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de tijdelijke opvang van water voor het waterpeil op de omliggende percelen.

2.12.1. De raad stelt dat de bergboezem een flexibel peil zal krijgen. Volgens de raad vallen de gronden op locatie A buiten de Bergboezem en krijgen deze geen ander peil.

2.12.2. De percelen die aan de oostzijde grenzen aan de gronden op locatie A zijn mede bestemd voor "Waterstaat-Waterberging".

Ingevolge artikel 22.1 van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterberging" aangewezen gronden behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor tijdelijke opvang van water.

2.12.3. In de plantoelichting staat dat naar aanleiding van wateroverlast het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het Hoogheemraadschap) in het project ABC-Delfland onderzoek heeft gedaan naar calamiteitenberging voor het boezemwatersysteem. In de Zuidpolder van Delfgauw treedt (te) vaak wateroverlast op door de geringe drooglegging en een bergingstekort. Daarom zijn in het watersysteem van het voorliggende plangebied diverse maatregelen gepland. De Bergboezem levert een belangrijke bijdrage aan het verminderen van de wateroverlast tijdens hevige neerslag. De Bergboezem in de Zuidpolder van Delfgauw kan als calamiteitenberging worden ingezet om de Zuidpolder van Delfgauw te ontlasten. De waterberging betreft alleen water dat bij een regenbui in het natuurgebied valt en snel moet worden afgevoerd, zodat het bij een volgende regenbui weer mogelijk is om extra water vast te houden. Het water wordt regulier afgevoerd in een periode van ongeveer twee tot drie dagen. Een langere berging van dit extra water verdraagt zich niet met de natuurdoelstellingen in het gebied. In het natuurgebied wordt een flexibel peilbeheer toegepast, zo vermeldt de plantoelichting.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij heeft vertrouwd op de kennis en kunde van het Hoogheemraadschap op dit gebied en de Bergboezem adequaat zal worden gerealiseerd om de wateroverlast in het desbetreffende gebied zoveel mogelijk te beperken. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat het veiligheidsrisico van de calamiteitenberging één keer in de tien jaar bedraagt en dat het waterpeil van de gronden op locatie A juist zal stijgen indien de waterberging niet wordt gerealiseerd.

2.12.4. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat de waterberging slechts een paar keer per jaar zal worden gebruikt, het water snel weg is en er nauwelijks veiligheidsrisico's aan verbonden zijn, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het beperken van de wateroverlast in het desbetreffende gebied dan aan de - gelet op het voorgaande nauwelijks reële - vrees van [appellant sub 6]. De Afdeling neemt hierbij voorts in aanmerking dat [appellant sub 6] voordeel heeft van deze wijze van bestemmen doordat hierdoor de wateroverlast voor de gronden op locatie A zal worden beperkt.

Het betoog faalt.

2.13. [appellant sub 6] betoogt voorts dat een deel van zijn percelen ten onrechte mede is bestemd voor "Waarde-Archeologie 2". Het aanlegvergunningenstelsel dat hieraan verbonden is, leidt tot een vermindering van de bruikbaarheid van de gronden voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, aldus [appellant sub 6]. [appellant sub 6] betoogt dat uit het inventariserend veldonderzoek blijkt dat voornoemde bestemming ten onrechte is toegekend.

2.13.1. De raad stelt dat de bestemming "Waarde-Archeologie 2" is opgenomen voor gronden waar een (middel)hoge verwachtingswaarde bestaat voor archeologische vondsten. Volgens de raad geeft artikel 30 van de planregels de mogelijkheid de dubbelbestemming te verwijderen als blijkt uit nader onderzoek dat geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het agrarisch gebruik wordt niet onmogelijk gemaakt, maar voor het uitvoeren van een aantal werkzaamheden dient wel een aanlegvergunning te worden aangevraagd, aldus de raad.

2.13.2. Een deel van de gronden op locatie A heeft de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2".

Ingevolge artikel 21.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Waarde-Archeologie 2", behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

Ingevolge artikel 21.3 geldt een aanlegvergunningenstelsel.

2.13.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 november 2010, zaak nr. 200905029/1, dient het toekennen van een dergelijke dubbelbestemming gegrond te zijn op voldoende en deugdelijk onderzoek waaruit blijkt dat dit noodzakelijk is ter bescherming van de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en rust op de raad de plicht om zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied, alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij als uitgangspunt bij het toekennen van de desbetreffende bestemming de Cultuurhistorische Waarden-kaart van Zuid-Holland (hierna: de CHW-kaart) heeft genomen. Uit de CHW-kaart blijkt volgens de raad dat voor de gronden waarvoor de bestemming "Waarde-Archeologie 2" is opgenomen een (middel)hoge verwachtingswaarde bestaat voor archeologische vondsten.

In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de CHW-kaart zodanige gebreken bevat dat de raad zich hierop bij de vaststelling van het plan niet mocht baseren. Voor zover [appellant sub 6] verwijst naar het door Archeologie Delft, in opdracht van TenneT, opgestelde rapport "Randstad 380 kV. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek middels grondboringen in het plangebied Randstad 380 kV Zuidring" van juli 2010, overweegt de Afdeling dat dit onderzoek slechts een zeer gering gedeelte van de gronden op locatie A omvat. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad onvoldoende informatie heeft vergaard omtrent de archeologische waarden in de gronden op locatie A.

Het betoog faalt.

2.14. [appellant sub 6] betoogt tot slot dat de bestemming "Agrarisch met waarden - landschaps- en natuurwaarden" ten onrechte is toegekend, nu deze zich niet verdraagt met het agrarische gebruik van de gronden op locatie A. Volgens [appellant sub 6] wordt het agrarische gebruik juist gehinderd door onder meer een overschot aan mineralen als gevolg van de aanwezigheid van weidevogels en ganzen.

2.14.1. De raad stelt dat de open veenweidepolder voor vogels van bijzondere waarde is.

2.14.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de bestemming "Agrarisch met waarden - landschaps- en natuurwaarden" is toegekend om bestaande landschaps- en natuurwaarden van de open veenweidepolder te behouden en dat derhalve de functie van de gronden met deze bestemming niet verandert.

De Afdeling overweegt dat het toekennen van de desbetreffende bestemming niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat weidevogels en ganzen zich zullen ophouden op de gronden op locatie A. De Afdeling is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het beschermen van de landschaps- en natuurwaarden ter plaatse dan aan het belang dat [appellant sub 6] heeft bij het niet toekennen van de desbetreffende bestemming. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er mogelijkheden zijn voor het verjagen van de ganzen.

Het betoog faalt.

Locatie B

2.15. [appellant sub 6] kan zich voorts niet verenigen met de aan het perceel kadastraal bekend als gemeente Pijnacker, sectie H, perceelnummer 1180 (hierna: de gronden op locatie B) toegekende bestemming. [appellant sub 6] betoogt dat hij ten onrechte wordt beperkt in zijn bebouwingsmogelijkheden door de bestemming "Waterstaat-Waterkering", nu uitsluitend bouwwerken met een maximale hoogte van 3 meter ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de waterkering zijn toegestaan. Volgens [appellant sub 6] wordt hij ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan zodanig beperkt, dat zijn bedrijfsvoering op onevenredige wijze wordt geschaad.

2.15.1. De raad stelt dat met de dubbelbestemming, die slechts op een klein deel van het perceel ligt, de belangen van de aanwezige en toekomstige waterkeringen worden vastgelegd. Volgens de raad kan op grond van artikel 23, derde lid, van de planregels ontheffing van de bouwregels worden verleend, mits het waterkerende vermogen van de waterkering niet wordt aangetast en schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. Bij de raad zijn geen concrete bouwplannen bekend. Voorts heeft hij het nodig geacht een extra controle in te bouwen teneinde aantasting van de waterkerende functie te voorkomen, aldus de raad.

2.15.2. Een klein gedeelte van de gronden op locatie B heeft de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering".

Ingevolge artikel 23.1 van de planregels voor zover hier van belang, zijn de voor "Waterstaat - Waterkering" aangegeven gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

a. voorzieningen voor de directe en indirecte kering van het water;

b. aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering;

(…)

Ingevolge artikel 23.2 mogen in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de andere bestemmingen van deze gronden, op of in deze bestemming begrepen grond uitsluitend bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 3 m worden gebouwd ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de waterkering.

Ingevolge artikel 23.3 zijn burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 23.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen van deze gronden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. De bebouwing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het waterkerende vermogen van de waterkering.

b. Burgemeester en wethouders dienen schriftelijk advies in te winnen bij de beheerder van de waterkering.

2.15.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorkomen van aantasting van de waterkering extra controle rechtvaardigt, temeer daar ontheffing van de bouwregels kan worden verkregen indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het behoud van de waterkerende functie ter plaatse dan aan het belang van [appellant sub 6] om bij recht de mogelijkheid te hebben om op het betreffende - geringe - gedeelte van de gronden op locatie B bouwwerken te kunnen realiseren. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 6] geen concrete bouwplannen heeft kenbaar gemaakt.

Het betoog faalt.

2.16. [appellant sub 6] betoogt voorts dat het mede bestemmen van de percelen aan de noordoostzijde van zijn gronden op locatie B voor de tijdelijke opvang van water, mede door de stijging ven het waterpeil, grote nadelige gevolgen heeft voor de bruikbaarheid van zijn gronden voor de winning en verwerking van delfstoffen.

2.16.1. De Afdeling is in lijn met hetgeen is overwogen onder 2.12.4 van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het beperken van de wateroverlast in het desbetreffende gebied dan aan het belang dat [appellant sub 6] heeft bij het niet bestemmen van de desbetreffende percelen voor de tijdelijke opvang van water, gelet op het feit dat de waterberging slechts een paar keer per jaar zal worden gebruikt, het water snel weg is en er nauwelijks veiligheidsrisico's aan verbonden zijn. De Afdeling neemt hierbij voorts in overweging dat de gronden waarop de Bergboezem zal worden gerealiseerd op ongeveer 27 meter afstand van de gronden op locatie B liggen en daarvan worden gescheiden door bebouwing.

Het betoog faalt.

Conclusie

2.17. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.18. De raad dient ten aanzien van TenneT op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 5] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van Hajé Vastgoed B.V., [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 6], bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tennet TSO B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van 23 september 2010, voor zover het gronden betreft waarop het besluit van de minister van Economische Zaken en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 augustus 2009 tot vaststelling van het "Inpassingsplan Wateringen Zoetermeer (380kV leiding)" betrekking heeft;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 5] gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp van 23 september 2010, wat betreft artikel 5.4.3, onder e, van de planregels.

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 6], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hajé Vastgoed B.V., [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] geheel en dat van [appellant sub 5] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tennet TSO B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 913,32 (zegge: negenhonderddertien euro en tweeëndertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 5] en € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tennet TSO B.V., vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

539-690.