Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201200570/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten betogen dat de Raad van State handelt in strijd met art. 6 EVRM door van hen griffierecht van € 227,00 te heffen. Zij voeren daartoe aan dat, nu personen met een hoger inkomen dan zij ook dit bedrag dienen te betalen, niet iedere burger dezelfde toegang heeft tot de rechter.

Naar aanleiding van het tegen de aangevallen uitspraak gerichte hogerberoepschrift is krachtens art. 51 lid 1 Wet op de Raad van State griffierecht geheven. Daarmee is niet gehandeld in strijd met art. 6 EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ABRS 25-05-2011, 201010012/1/H1, LJN: BQ5948), is in die verdragsbepaling geen absoluut recht op toegang tot de rechter neergelegd. Aan de verdragsstaten komt ruimte toe bij het stellen van regels die beperkingen kunnen inhouden, mits het recht op toegang tot de rechter daardoor niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Aan deze voorwaarden is hier voldaan. Voorts volgt uit de uitspraak ABRS, 14-12-2005, 200506877/3, onder verwijzing naar ABRS, 24-08-2000, 200002428/P01 en ABRS, 28-09-2000, 200002133/P01 (niet gepubliceerd), dat de heffing van griffierecht voor een bedrag in de orde van grootte als het onderhavige, niet in de weg staat aan het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Appellanten hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn het door hen verschuldigde griffierecht te voldoen. Het betoog faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200570/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2011 in zaak nr. 10/2583 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid.

1. Procesverloop

Bij brief van 31 januari 2003 hebben [appellanten] het dagelijks bestuur verzocht woningbouwvereniging De Dageraad aan te schrijven voor het verhelpen van de op 16 februari 2000 vastgestelde gebreken aan de woning op het perceel Sassenheimstraat 52-2 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen van 12 maart 2010 hebben [appellanten] het dagelijks bestuur laten weten dat de wettelijk termijn voor het beslissen op hun aanvraag op 30 maart 2000 was verstreken, zodat het dagelijks bestuur een dwangsom is verschuldigd wanneer het niet binnen twee weken na ontvangst van dit formulier reageert.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur [appellanten] meegedeeld dat aan hen geen dwangsom is verschuldigd. Het verzoek van 31 januari 2003 dient te worden aangemerkt als een aanvraag die is ingediend vóór 1 oktober 2009, zodat ingevolge het overgangsrecht van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen daarop het recht van toepassing is zoals dat gold voor 1 oktober 2009.

Op 28 mei 2010 hebben [appellanten] bij de rechtbank beroep ingediend.

Bij uitspraak van 6 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep van [appellanten] tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 31 januari 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 februari 2012.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. R. Nomden, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat de Raad van State handelt in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) door van hen griffierecht ten bedrage van € 227,00 te heffen. Zij voeren daartoe aan dat, nu personen met een hoger inkomen dan zij, ook dit bedrag dienen te betalen, niet iedere burger dezelfde toegang heeft tot het recht. Daarom dient de Raad van State het door hen te veel betaalde griffierecht aan hen terug te betalen, aldus [appellanten].

2.1.1. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wet op de raad van State wordt van de indiener van het beroepschrift door de secretaris een griffierecht geheven.

2.1.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

2.1.3. Naar aanleiding van het tegen de aangevallen uitspraak gerichte hogerberoepschrift is krachtens artikel 51, eerste lid, van de Wet op de raad van State griffierecht geheven. Daarmee is niet gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2011 in zaak nr. 201010012/1/H1), is in die verdragsbepaling geen absoluut recht op toegang tot de rechter neergelegd. Aan de verdragsstaten komt ruimte toe bij het stellen van regels die beperkingen kunnen inhouden, mits het recht op toegang tot de rechter daardoor niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Aan deze voorwaarden is hier voldaan. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005 in zaak nr. 200506877/3 onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2000 in zaak nr. 200002428/P01 en 28 september 2000 in zaak nr. 200002133/P01 (bijgevoegd), dat de heffing van griffierecht voor een bedrag in de orde van grootte als het onderhavige, niet in de weg staat aan het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. [appellanten] hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn het door hen verschuldigde griffierecht te voldoen.

Het betoog faalt.

2.2. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank in strijd met artikel 6 van het EVRM heeft gehandeld door hun verzoek om wraking van 28 oktober 2010 van de rechter die belast was met de behandeling ter zitting op die dag als lid van de enkelvoudige kamer van de Sector Bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam, bij beschikking van 11 maart 2011 af te wijzen, hun verzoek om wraking van 12 november 2010 van de wrakingskamer bij beschikking van 30 december 2010 af te wijzen, en hun verzoek om wraking van 18 maart 2011 van de behandelend rechter bij beschikking van 17 juni 2011 niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2.1. Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2.2. Bij schriftelijk verzoek van 28 oktober 2010 hebben [appellanten] verzocht de behandelend rechter te wraken. Aan hun verzoek hebben zij onder meer ten grondslag gelegd dat de rechter niet instemde met het maken van film- en geluidsopnamen ter zitting. Bij beschikking van 11 maart 2011 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het verzoek afgewezen.

Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] de leden van de wrakingskamer bij fax van 12 november 2010 gewraakt, nadat de griffier van de wrakingskamer hen, naar zij stellen, had meegedeeld dat de door hen gevraagde toestemming om te filmen was geweigerd. De behandeling van het verzoek tot wraking van de behandelend rechter is daarop geschorst. Bij beschikking van 30 december 2010 heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen. Tevens is onder meer bepaald dat de behandeling van het wrakingsverzoek gericht tegen de behandelend rechter wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het indienen van het onderhavige wrakingsverzoek.

Bij brief van 18 maart 2011 hebben [appellanten] een nieuw verzoek ingediend tot wraking van de behandelend rechter. Aan dit verzoek hebben zij, naar zij stellen, feiten ten grondslag gelegd die in de eerste wrakingsprocedure door hen zijn ingebracht, maar die niet door de wrakingskamer zijn besproken. Deze feiten zijn volgens [appellanten] dat zij op 3 maart 2011 aangifte tegen de behandelend rechter hebben gedaan wegens discriminatie en smaad. Bij beschikking van 17 juni 2011 heeft de wrakingskamer het verzoek van [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.3. De wrakingskamers van de rechtbank hebben de verzoeken van [appellanten] van 28 oktober 2010 onderscheidenlijk 12 november 2010 terecht en op goede gronden afgewezen en het verzoek van 18 maart 2011 terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd, biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de beslissingen van de wrakingskamers in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM. Het betoog van [appellanten] dat de wrakingskamer die het wrakingsverzoek van 18 maart 2011 heeft behandeld, niet heeft onderkend dat een rechter niet onpartijdig kan zijn als een partij in een rechtzaak aangifte tegen deze rechter heeft gedaan, leidt niet tot een andere conclusie. Hiertoe wordt overwogen dat het door [appellanten] aangevoerde geen feiten of omstandigheden opleveren als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Het betoog faalt.

2.3. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte hun beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 31 januari 2003 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij volgens de rechtbank het beroepschrift onredelijk laat hebben ingediend. Hiertoe voeren zij aan dat zij herhaalde malen telefonisch contact met het stadsdeel hebben opgenomen, het stadsdeel hebben bezocht, alsmede schriftelijke verzoeken hebben ingediend bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van het stadsdeel.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met het eerste lid, is een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk, indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

2.3.2. Voor het oordeel dat een ingesteld beroep als bedoeld in voormelde bepaling onredelijk laat is ingediend, is van belang of is gebleken van feiten of omstandigheden, in verband waarmee geoordeeld moet worden dat het betrokkene redelijkerwijs eerder duidelijk had moeten zijn dat, in dit geval, het dagelijks bestuur geen beslissing zou nemen (vergelijk de uitspraak van Afdeling van 8 november 2006 in zaak nr. 200604819/1).

2.3.3. Wat er ook zij van het aantal keren dat [appellanten] contact met het stadsdeel hebben opgenomen, gebleken is van feiten of omstandigheden in verband waarmee geoordeeld moet worden dat het [appellanten] redelijkerwijs eerder duidelijk had moeten zijn dat het dagelijks bestuur geen besluit zou nemen naar aanleiding van het verzoek van 31 januari 2003. Hiertoe wordt overwogen dat, naar [appellanten] in hun hogerberoepschrift hebben beschreven, het stadsdeel steeds bij hen heeft aangegeven dat zij de verhuurder van de woning via het civiele recht ertoe zouden moeten dwingen de gebreken te verhelpen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellanten] het beroep onredelijk laat hebben ingediend en heeft zij dat beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2.4. Voor zover [appellanten] betogen dat, daargelaten de omstandigheid dat de rechtbank hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat het dagelijks bestuur in strijd heeft gehandeld met de artikelen 2 en 6 van het EVRM, wordt overwogen dat de rechtbank deze gronden terecht niet heeft behandeld, nu zij het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

270-619.