Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201109604/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nrs. 1-2 (blz. 4), nr. 3 (blz. 39-40) en nr. 18) volgt dat aanvankelijk in het voorgestelde artikel 12 van deze wet was voorzien in de mogelijkheid voor alle bestuursorganen nadere regels omtrent vergoedingen voor het vervaardigen van afschriften, uittreksels en samenvattingen van documenten vast te stellen, maar dat op aandringen van de Tweede Kamer hierin verandering is gebracht en het aldus aan de decentrale overheden zelf is overgelaten hiervoor tarieven te bepalen. Dit heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevestigd in het antwoord op vragen van het lid van de Tweede Kamer Peters over een advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake de kosten voor een Wob-verzoek (Kamerstukken II 2009/10, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2588). Dat in art. 229, lid 1, aanhef en onder b, van de Gemeentewet de bevoegdheid van gemeenten om rechten te heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten is geregeld, toont het tegendeel niet aan, reeds omdat die bevoegdheid tot het heffen van leges veel ruimer is dan de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen voor het ingevolge een verzoek om informatie op grond van de Wob vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan.

In de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer van 31 mei 2011 heeft deze meegedeeld dat op aandringen van de Tweede Kamer destijds is bepaald dat de regeling van art. 12 van de Wob alleen voor de centrale overheid geldt, vanuit het oogpunt van autonomie voor decentrale overheden, en dat door het ontbreken van een algemene kostenregeling voor decentrale overheden het regelmatig voorkomt dat gemeenten, naast het in rekening brengen van kopieerkosten, leges heffen voor bijvoorbeeld het opzoeken en verzamelen van de gevraagde informatie. Het berekenen van kosten anders dan kopieerkosten staat op gespannen voet met openbaarheid, aldus de minister. Mede om die reden wil hij een voorstel gaan doen voor een eenduidige regeling in de Wob, waarin voor alle bestuursorganen - centraal en decentraal - wordt vastgelegd dat alleen kosten voor reproductie en levering in rekening kunnen worden gebracht. Uit deze brief volgt niet dat decentrale overheden op grond van de Wob geen kosten als hier in geding in rekening mogen brengen. Dit volgt evenmin uit de door appellant overgelegde uitspraken van verschillende rechtbanken, het gerechtshof 's-Hertogenbosch en de Hoge Raad, nu daarin aan de orde was of uit hoofde van art. 229, lid 1, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges mochten worden geheven.

In de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland is bij de vaststelling van de tarieven voor het verstrekken van informatie op grond van de Wob aangesloten bij de bedragen vermeld in het op basis van art. 12 van deze wet vastgestelde Besluit tarieven openbaarheid van bestuur. Het betoog van appellant dat de tariefstelling in deze regeling niet deugt, omdat ingevolge art. 12 van de Wob slechts de werkelijke kosten voor het maken van de kopieën in rekening kunnen worden gebracht, faalt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 39-40) blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk de tariefopbouw, zoals gehanteerd in het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur, in gedachten heeft gehad. De Rb. heeft terecht geen grond gezien om het standpunt van de korpsbeheerder dat de gelijkluidende tariefopbouw in de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland redelijk is en dat overeenkomstig deze tarieven de kopieerkosten aan appellant in rekening mochten worden gebracht, onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2012/110
AB 2012/398

Uitspraak

201109604/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 augustus 2011 in zaak nr. 11/665 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Flevoland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2010 heeft de korpsbeheerder naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) de gevraagde documenten in kopie verstrekt en de kosten voor het vervaardigen van die kopieën, zijnde € 4,50, aan [appellant] in rekening gebracht.

Bij besluit van 21 maart 2011, voor zover thans van belang, heeft de korpsbeheerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 19 oktober 2011 en 19 april 2012.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 10 juli 2012.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wob is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a. de ministers;

b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;

c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door een kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken.

Ingevolge artikel 12 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de centrale overheid regels worden gesteld met betrekking tot in rekening te brengen vergoedingen voor het ingevolge een verzoek om informatie vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan.

Ingevolge artikel 14, aanhef en onder b, kunnen nadere regels omtrent de uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden gesteld voor de provincies, gemeenten, waterschappen en de andere in artikel 1a, eerste lid, onder c en d, bedoelde bestuursorganen door hun besturen.

Op 24 september 2008 heeft het regionaal college van het regionale politiekorps Flevoland, gelet op onder meer artikel 14 van de Wob en het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur (Stb. 1993, 112), de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland vastgesteld. In artikel II onder a van deze regeling is bepaald dat voor het verstrekken van kopieën van documenten op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob de navolgende vergoedingen in rekening worden gebracht:

- tot zes kopieën van schriftelijke stukken: nihil

- voor zes tot dertien kopieën: € 4,50

- voor veertien of meer kopieën: € 0,35 per enkelzijdige kopie.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het bepaalde in artikel 12 van de Wob niet meebrengt dat het de lagere overheden niet is toegestaan kosten van het ingevolge een verzoek om informatie vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan in rekening te brengen. De lagere overheden hebben hierin een eigen bevoegdheid en dus de vrije keus, die door de wetgever niet is ingeperkt. Het in rekening brengen van de kopieerkosten is daarom toegestaan. De door [appellant] overgelegde uitspraken van verschillende rechtbanken maken dit niet anders, nu die geschillen betrekking hebben op geheven leges en de in rekening gebrachte kopieerkosten daarbuiten zijn gelaten, aldus de rechtbank. Voorts heeft zij overwogen dat de bedragen, genoemd in de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland niet zo hoog zijn dat zij geacht kunnen worden de werkelijke kosten te boven te gaan. De stelling van [appellant] dat deze regeling niet deugt, slaagt dan ook niet, temeer nu daarin is aangesloten bij de bedragen, genoemd in artikel 2 van het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur, aldus de rechtbank.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de Wob geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van voormelde kosten door bestuursorganen anders dan de centrale overheid. Gemeenten hebben op grond van de Gemeentewet de bevoegdheid om ter vergoeding van deze kosten leges te heffen. Het verlenen van deze bevoegdheid aan gemeenten in de Gemeentewet was niet nodig geweest, indien deze reeds op grond van artikel 12 van de Wob aan hen zou toekomen, aldus [appellant].

2.3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nrs. 1-2 (blz. 4), nr. 3 (blz. 39-40) en nr. 18) volgt dat aanvankelijk in het voorgestelde artikel 12 van deze wet was voorzien in de mogelijkheid voor alle bestuursorganen nadere regels omtrent vergoedingen voor het vervaardigen van afschriften, uittreksels en samenvattingen van documenten vast te stellen, maar dat op aandringen van de Tweede Kamer hierin verandering is gebracht en het aldus aan de decentrale overheden zelf is overgelaten hiervoor tarieven te bepalen. Dit heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevestigd in het antwoord op vragen van het lid van de Tweede Kamer Peters over een advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake de kosten voor een Wob-verzoek (Kamerstukken II 2009/10, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2588). Dat in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet de bevoegdheid van gemeenten om rechten te heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten is geregeld, toont het tegendeel niet aan, reeds omdat die bevoegdheid tot het heffen van leges veel ruimer is dan de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen voor het ingevolge een verzoek om informatie op grond van de Wob vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan.

2.3.2. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de in beroep aangevoerde gronden dat uit het op 18 juni 2009 te Tromsø gesloten Verdrag inzake toegang tot officiële documenten (CETS no. 205; hierna: het Verdrag van Tromsø) en uit een brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer van 31 mei 2011 blijkt dat het voor decentrale overheden niet mogelijk is kosten in rekening te brengen. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel, reeds omdat Nederland geen partij is bij dat verdrag.

In de brief van de minister heeft deze medegedeeld dat op aandringen van de Tweede Kamer destijds is bepaald dat de regeling van artikel 12 van de Wob alleen voor de centrale overheid geldt, vanuit het oogpunt van autonomie voor decentrale overheden, en dat door het ontbreken van een algemene kostenregeling voor decentrale overheden het regelmatig voorkomt dat gemeenten, naast het in rekening brengen van kopieerkosten, leges heffen voor bijvoorbeeld het opzoeken en verzamelen van de gevraagde informatie. Het berekenen van kosten anders dan kopieerkosten staat op gespannen voet met openbaarheid, aldus de minister. Mede om die reden wil hij een voorstel gaan doen voor een eenduidige regeling in de Wob, waarin voor alle bestuursorganen - centraal en decentraal - wordt vastgelegd dat alleen kosten voor reproductie en levering in rekening kunnen worden gebracht. Uit deze brief volgt niet dat decentrale overheden op grond van de Wob geen kosten als hier in geding in rekening mogen brengen. Dit volgt evenmin uit de door [appellant] overgelegde uitspraken van verschillende rechtbanken, het gerechtshof 's-Hertogenbosch en de Hoge Raad, nu daarin aan de orde was of uit hoofde van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges mochten worden geheven.

2.3.3. In de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland is bij de vaststelling van de tarieven voor het verstrekken van informatie op grond van de Wob aangesloten bij de bedragen vermeld in het op basis van artikel 12 van deze wet vastgestelde Besluit tarieven openbaarheid van bestuur. Het betoog van [appellant] dat de tariefstelling in deze regeling niet deugt, omdat ingevolge artikel 12 van de Wob slechts de werkelijke kosten voor het maken van de kopieën in rekening kunnen worden gebracht, faalt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 39-40) blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk de tariefopbouw, zoals gehanteerd in het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur, in gedachten heeft gehad. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien om het standpunt van de korpsbeheerder dat de gelijkluidende tariefopbouw in de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland redelijk is en dat overeenkomstig deze tarieven de kopieerkosten aan [appellant] in rekening mochten worden gebracht, onjuist te achten.

2.4. Voor zover de gronden van het hoger beroep zijn gericht tegen de door de rechtbank ten overvloede gegeven overwegingen, is de Afdeling van oordeel dat deze overwegingen niet de strekking hebben partijen te binden. Partijen zijn dan ook niet aan deze overwegingen gebonden. De Afdeling zal daarom aan die gronden voorbijgaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

176-598.