Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201200117/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BU6561, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college geweigerd aan [belanghebbende]. bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een kalkoenenstal op het perceel [locatie] te Helmond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5709
H.J. de Vries annotatie in TBR 2013/145

Uitspraak

201200117/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 december 2011 in zaak nr. 11/2272 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college geweigerd aan [belanghebbende]. bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een kalkoenenstal op het perceel [locatie] te Helmond.

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 mei 2011 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2012, hoger beroep ingesteld. Het heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 16 januari 2012.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. G.H. Blom en mr. J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Voorts is daar de provincie Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. P.J.A.G. van Veldhoven, werkzaam bij de provincie, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in uitbreiding van een in een extensiveringsgebied gelegen kalkoenhouderij, om te kunnen voldoen aan de eisen ten behoeve van dierenwelzijn. In hoger beroep is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan "Geledingszone Brouwhuis", omdat het de op de plankaart aangegeven bouwgrenzen overschrijdt. Voorts is in hoger beroep niet in geschil dat het verbod, neergelegd in artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening), van toepassing is en dat het bouwplan daarmee in strijd is. Het college heeft om die reden geweigerd gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) om ontheffing te verlenen voor het overschrijden van de bouwgrenzen en bouwvergunning geweigerd wegens strijd met artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 44, eerste lid, onder c.

2.2.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

    Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de Wro kunnen bij of krachtens een verordening, als bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening, als bedoeld in het tweede lid, in werking is getreden.

    Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied, dat bouwblokken voor intensieve veehouderij ten hoogste de omvang hebben zoals opgenomen in bestemmings-, uitwerkings- of wijzigingsplannen waarover gedeputeerde staten een onherroepelijk besluit tot goedkeuring van dat plan hebben genomen ná 17 juli 1992 en vóór 22 april 2005, alsmede de bouwrechten waaraan vanaf 22 april 2005 planologische medewerking is verleend.

    Ingevolge het derde lid geldt, in afwijking van het eerste lid, onder c en d, dat in een bestemmingsplan is vastgelegd dat het percentage dat de grootte van het deel van het bouwblok aangeeft dat ten hoogste bebouwd mag worden ten behoeve van een intensieve veehouderij, overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010.

    Ingevolge het vierde lid geldt, tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het derde lid in werking is getreden, de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke op de peildatum 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan, niet is toegestaan.

2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening verbindende kracht mist wegens strijd met de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc).

2.3.1.    Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de Verordening, kan verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

2.3.2.    Vaststaat dat het perceel, waarop het bouwplan is voorzien, in het plangebied van het reconstructieplan "De Peel, correctieve herziening" in een extensiveringsgebied, als bedoeld in artikel 1 van de Rwc, ligt. Niet in geschil is dat het reconstructieplan zowel rechtstreeks doorwerkende, als niet rechtstreeks doorwerkende elementen bevat. Ten aanzien van extensiveringsgebieden bevat het reconstructieplan, voor zover thans van belang, de beleidsuitspraak dat uitbreiding van bouwblokken is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen.

    Bij de Verordening heeft de provincie de beleidsuitgangspunten van het reconstructieplan aangescherpt. Niet in geschil is dat de aangevraagde uitbreiding in strijd is met het rechtstreeks werkende verbod in artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 mei 2007 in zaak nr. 200506286/1, met betrekking tot het reconstructieplan "De Peel"; www.raadvanstate.nl), is de in artikel 27 van de Rwc vervatte doorwerkingsregeling niet van toepassing op de beleidsuitspraken in het reconstructieplan over het grondgebruik binnen de zonering intensieve veehouderij, aangezien deze door de bestemmingsplanwetgever nog nader onderzoek, vaststelling van de feiten, beoordeling en (belangen)afweging tot op perceelsniveau vergen. Dat deze beleidsuitspraken niettemin bij de vaststelling en toetsing van bestemmingsplannen worden betrokken, doet er niet aan af dat ervan kan worden afgeweken, zonder dat daarvoor de in de Rwc neergelegde procedure dient te worden gevolgd. Reeds hierom leidt de omstandigheid dat artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening afwijkt van de hierboven genoemde beleidsuitspraak niet tot het oordeel dat het college de Verordening wegens strijd met de Rwc buiten toepassing had dienen te laten. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de provincie niet in redelijkheid tot vaststelling van de Verordening heeft kunnen komen.

    Gelet op het vorenstaande heeft het college, door strijd met de Verordening ten grondslag te leggen aan de weigering gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 3.6 van de Wro ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan, zijn besluit van een voldoende motivering voorzien. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

2.3.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 december 2011 in zaak nr. 11/2272;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

De voorzitter                              w.g. Hanrath

is verhinderd de uitspraak            ambtenaar van staat

te ondertekenen.  

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

392.