Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201200056/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2010 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellanten] om toestemming tot opneming van een buitenlands kind ter adoptie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200056/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2011 in zaak nr. 11/2932 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2010 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellanten] om toestemming tot opneming van een buitenlands kind ter adoptie afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2012.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2012, waar [appellanten] zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van Justitie (thans: minister van Veiligheid en Justitie, hierna: de minister)

    Ingevolge artikel 2 is de opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie uitsluitend toegestaan indien van de minister een voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel voor zodanige opneming toestemming verleent (hierna: de beginseltoestemming).

    Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, beslist de minister op het verzoek tot verlening van een beginseltoestemming eerst nadat de raad voor de kinderbescherming (hierna: RvdK) een onderzoek heeft ingesteld naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind.

    Ingevolge het tweede lid ontvangen de aspirant-adoptiefouders, indien het de opneming van een eerste buitenlands kind betreft, ter voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde onderzoek algemene voorlichting omtrent de opneming en de adoptie van buitenlandse kinderen, welke voorlichting onder toezicht van de minister zal worden verstrekt.

    Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, wordt het rapport van het onderzoek met de aspirant-adoptiefouders besproken voordat het door de RvdK wordt uitgebracht. De RvdK verschaft de aspirant-adoptiefouders inzage in het uit te brengen rapport. In geval van afwijzing van een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming wordt aan de aspirant-adoptiefouders op hun schriftelijk verzoek een afschrift van het rapport verstrekt.

    Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, beslist de minister afwijzend op een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming indien hij een aspirant-adoptiefouder niet geschikt acht voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind.

    Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, wint ten behoeve van de beslissing op bezwaar tegen een besluit, inhoudende de afwijzing van een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming, de minister, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende bescheiden, schriftelijk advies in van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (hierna: RSJ). Artikel 7:13, tweede tot en met zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

    In het Protocol Afstand, Screening, Adoptie en Afstammingsvragen (hierna: Protocol ASAA) zijn beleidsregels neergelegd met betrekking tot de werkwijze van de RvdK.

    Volgens paragraaf 5.1.1 onderzoekt de RvdK in opdracht van de Centrale autoriteit van het Ministerie van Justitie (hierna: het ministerie) of de meerderjarige(n) die een buitenlands adoptiekind in hun gezin wil(len) opnemen (de zogenaamde aspirant-adoptiefouder(s) en eventueel zijn/haar partner) daar ook geschikt voor zijn. De RvdK brengt op basis van dit gezinsonderzoek een rapport met advies uit aan de minister. Het gezinsonderzoek van de RvdK is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (huwelijkse) partner voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands adoptiekind. In het onderzoek wordt vastgesteld welke beschermende factoren en welke risicofactoren voor een adoptiekind in het gezin aanwezig zijn, hoe deze zich tot elkaar verhouden en welke uiteindelijk de doorslag geven om de minister positief of negatief te adviseren over het verzoek om een beginseltoestemming te verlenen. Bij de afweging van genoemde beschermende factoren en risicofactoren staat het belang van het op te nemen, weliswaar nog onbekende, kind centraal.

    Volgens paragraaf 5.1.5, voor zover thans van belang, moet in het onderzoek en het rapport in het licht van het Haags Adoptieverdrag ten minste aandacht worden besteed aan:

- de identiteit van aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (huwelijks) partner;

- hun persoonlijke achtergrond, waaronder geloofs- of levensovertuiging;

- gezinssituatie en medisch verleden en huidige gezondheidstoestand;

- hun sociale milieu en netwerk;

- hun beweegredenen voor adoptie;

- hun geschiktheid om te adopteren;

- voor welke adoptiefkinderen zij geschikt zouden kunnen zijn.

Daarnaast komen in ieder geval ook de volgende zaken in het onderzoek aan de orde:

- de onderlinge relatie van aspirant-adoptiefouders;

- hoe de aspirant-adoptiefouders omgaan met problemen en spanningen, waaronder het verwerken van kinderloosheid;

- de ideeën, verwachtingen en wensen ten aanzien van het te adopteren kind;

- verwachtingen over de eigen opvoedingsmogelijkheden;

- verwachtingen over mogelijke discriminatie van het buitenlandse kind en andere bijzonderheden betreffende het kind.

Tevens dienen in het rapport duidelijk het gezinssysteem en de gezinsverhoudingen beschreven te worden ten behoeve van de matching van kind en gezin.

    Volgens paragraaf 5.1.6, voor zover thans van belang, wordt de gezinsrapportage inzake adoptie in conceptvorm met aspirant-adoptiefouder(s) besproken. Voor zover mogelijk worden de opmerkingen daarbij in het rapport verwerkt. Alvorens het definitieve gezinsrapport aan het ministerie wordt verstuurd, stelt de RvdK de aspirant-adoptiefouder(s) in de gelegenheid binnen twee weken het rapport in te zien teneinde te kunnen verifiëren of en op welke wijze het commentaar op het conceptrapport in het definitieve rapport is verwerkt. Indien de RvdK in het definitieve gezinsrapport negatief adviseert en het ministerie op grond daarvan geen beginseltoestemming verleent, kan afgifte van de rapportage uitsluitend plaatsvinden door het ministerie.

2.2.    [appellant a], geboren in 1967, en [appellant b], geboren in 1945, zijn in 1997 gehuwd. [appellant a] heeft op 24 april 2007 een aanvraag ingediend om beginseltoestemming. Naar aanleiding daarvan heeft de RvdK, vestiging Rotterdam, een onderzoek ingesteld naar de geschiktheid van [appellanten] om een buitenlands kind op te voeden en te verzorgen. In het rapport van 9 september 2010 (hierna: het rapport) adviseert de RvdK om geen beginseltoestemming te verlenen aan [appellanten].

2.3.    Aan het besluit van 8 november 2010 om geen beginseltoestemming te verlenen aan [appellanten] heeft de staatssecretaris het rapport ten grondslag gelegd. In het rapport wordt een antwoord geformuleerd op de vraag welke beschermende factoren en risicofactoren in het gezinssysteem van [appellanten] voorkomen die maken dat een adoptiefkind zich op evenwichtige wijze kan ontwikkelen of daarin mogelijk wordt belemmerd. De in het rapport genoemde leeftijd van [appellant b] heeft de staatssecretaris als zodanig niet aangemerkt als risicofactor. De staatssecretaris heeft wel als risicofactor aangemerkt dat in het rapport staat dat [appellanten] de eventuele gevolgen van de leeftijd van [appellant b] voor het kind bagatelliseren. [appellanten] laten wensvervullend gedrag zien in plaats van een realistische kijk op hun omstandigheden en de gevolgen hiervan voor een adoptiefkind, aldus het rapport. Daarnaast heeft de staatssecretaris als risicofactor aangemerkt dat in het rapport staat dat [appellanten] lang hebben gewacht met het realiseren van hun kinderwens. Het risico bestaat dat de belangen en behoeften van een adoptiefkind gaan conflicteren met het leven dat zij tot dan toe hebben ingevuld, aldus het rapport. Ook is er geen gezamenlijke opvoedervaring en dateert de individuele opvoedervaring van lang geleden. Deze individuele opvoedervaring is voorts opgedaan in een andere leeftijdsfase van zowel [appellant a] als [appellant b]. Ten slotte heeft de staatssecretaris als risicofactor aangemerkt dat uit het rapport volgt dat [appellanten] moeite hebben met het reflecteren op hun eigen gevoelens en hun eigen handelen in bepaalde situaties. Juist bij de opvoeding en verzorging van adoptiefkinderen is dit van groot belang, aldus de staatssecretaris.

    Deze risicofactoren wegen zwaarder dan de in het rapport genoemde beschermende factoren. Gelet hierop wordt in het rapport geconcludeerd dat een adoptiefkind in het gezinssysteem van [appellanten] niet op evenwichtige wijze zal kunnen opgroeien.

    In het besluit van 3 mei 2011 heeft de staatssecretaris benadrukt dat bij interlandelijke adoptie het belang van het kind voorop staat. Hij heeft zich, onder verwijzing naar een advies van de RSJ van 8 maart 2011 (hierna: het advies), op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat het onderzoek uitgevoerd door de RvdK waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport, niet aan de formele of materiële kwaliteitseisen voldoet. Daarnaast is niet gebleken van een communicatieprobleem tussen degene die het onderzoek heeft uitgevoerd (hierna: de raadsonderzoeker) en [appellanten]. Voorts staat in het advies dat de leden van de adviescommissie van de RSJ ter hoorzitting geen wezenlijk ander beeld hebben gekregen van [appellanten] dan geschetst in het rapport. Op grond hiervan heeft de staatssecretaris zijn standpunt gehandhaafd dat de in het rapport genoemde risicofactoren onzekerheid opleveren inzake de opvoeding van een buitenlands adoptiefkind.

2.4.    De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en voldoende inzicht geeft in de door de RvdK geconstateerde risicofactoren. Onder verwijzing naar dit rapport en het advies heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellanten] niet geschikt kunnen worden geacht om een buitenlands kind in hun gezin op te nemen.

2.4.1.    [appellanten] voeren hiertegen aan dat de rechtbank heeft miskend dat de RvdK slecht onderzoek heeft gedaan. Het negatieve eindoordeel in het rapport is hoofdzakelijk gebaseerd op de mening van E. Groenhuijsen. Zij is ten onrechte als adoptiedeskundige aangemerkt, nu zij is gespecialiseerd in echtscheidingsproblematiek, aldus [apellanten].

2.4.2.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het rapport in zodanige mate naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, dat de staatssecretaris niet heeft mogen afgaan op de daarin getrokken conclusies. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het onderzoek de in het Protocol ASAA genoemde aandachtspunten zijn betrokken. Voorts is het onderzoek verricht door een raadsonderzoeker, onder eindverantwoordelijkheid van een teamleider en zijn een gedragsdeskundige, Groenhuijsen, en een juridisch deskundige bij het onderzoek betrokken geweest. [appellanten] hebben met de raadsonderzoeker drie gesprekken gehad. Daarnaast heeft één gesprek met Groenhuijsen plaatsgevonden. De uitgebreide schriftelijke reacties van [appellanten] op een conceptvorm van het rapport zijn voorts verwerkt of bijgevoegd als bijlage bij het rapport.

    Gelet op het voorgaande kunnen [appellanten] niet worden gevolgd in hun betoog dat het rapport slechts op de mening van Groenhuijsen is gebaseerd. Voorts is het de rechtbank, gelet op het relevante toetsingskader, met juistheid niet onlogisch voorgekomen dat de RvdK Groenhuijsen bij het onderzoek heeft betrokken. Dat zij ook adviseert over scheiding maakt niet dat zij als gedragsdeskundige geen deskundig oordeel over adoptie van een buitenlands kind kan geven.

2.4.3.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het rapport aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Onder verwijzing naar de conclusie en het advies in dit rapport heeft de staatssecretaris, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, in redelijkheid [appellanten] niet geschikt kunnen achten voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind en heeft hij derhalve de aanvraag om beginseltoestemming terecht afgewezen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

176-591.