Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201112637/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het CBR aan [appellant] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112637/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 2011 in zaak nr. 11/5734 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het CBR aan [appellant] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.      Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994  doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

    Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

    Ingevolge artikel 132, eerste lid, voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

    Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

    Ingevolge artikel 6a, derde lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, in samenhang gelezen met artikel 10, derde lid, verleent betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet, indien hij de kosten, bedoeld in het eerste lid, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze voldoet.

2.2.    [appellant] heeft de kosten voor het bij besluit van 4 februari 2011 opgelegde onderzoek naar de geschiktheid niet voldaan. Het CBR heeft daarom bij besluit van 27 april 2011 zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Tegen dat besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddel aangewend, zodat het besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Anders dan hij heeft betoogd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan het besluit van 27 april 2011 de grondslag niet komt te ontvallen, indien het besluit van 9 juni 2011 wordt vernietigd en het besluit van 4 februari 2011 wordt herroepen. Nu [appellant], gelet op het vorenoverwogene, met zijn beroep niet in een gunstiger positie kon geraken, had hij geen belang bij de beoordeling hiervan. De rechtbank heeft zijn beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk                        w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

176-721.