Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201110558/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college een verzoek van [appellante] om een ontheffing "RVV 1990" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110558/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 augustus 2011 in zaak nr. 10/3972 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college een verzoek van [appellante] om een ontheffing "RVV 1990" afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2011, verzonden op 17 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, en A.J. Bongers en A.C.G.M. Reijntjes, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

    Ingevolge artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) zijn weggebruikers verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

    Ingevolge artikel 87, voor zover thans van belang, kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend van artikel 62.

2.2.    Het college heeft op 4 september 2009 een verkeersbesluit genomen (hierna: het verkeersbesluit), waarbij het gebied "Rond de Admirant", waarin de Nieuwe Emmasingel is gelegen, als voetgangerszone is aangewezen en is bepaald dat motorvoertuigen uitsluitend van 07.00 tot 11.00 uur, de zogenoemde venstertijden, in deze zone zijn toegestaan. In dit verkeersbesluit is bepaald dat desgevraagd in bepaalde gevallen aan belanghebbenden een ontheffing kan worden verleend en dat daaraan zo nodig voorwaarden kunnen worden verboden. Dit verkeersbesluit is in rechte onaantastbaar.

    [appellante] exploiteert aan de [locatie] te Eindhoven een winkel onder de naam [winkel]. Voor het kunnen laden en lossen van wijn aan de achterzijde van de winkel heeft zij een ontheffing aangevraagd van het bij het verkeersbesluit ingestelde verbod om de Nieuwe Emmasingel buiten de venstertijden met een motorvoertuig in te rijden.

2.3.    In het in het besluit van 27 oktober 2010 geïnsereerde advies van de bezwaarcommissie is overwogen dat de aanvraag van [appellante] is getoetst aan de "Richtlijnen voor ontheffing van het bevoorradingsregiem in het voetgangersgebied" van maart 1993 (hierna: de Richtlijnen). Deze Richtlijnen zijn volgens het college aan te merken als een bestendige gedragslijn bij de aanwending van de bevoegdheid om een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990. De winkel van [appellante] valt volgens het college onder de in de Richtlijnen genoemde branche "detailhandel in alcohol en alcoholhoudende dranken". Deze branche is vermeld op de rode lijst van de Richtlijnen, wat inhoudt dat de winkel niet om bedrijfseconomische en/of -organisatorische redenen voor ontheffing in aanmerking komt. Bevoorrading vóór 11.00 uur zal geen grote nadelige gevolgen hebben op de bedrijfsvoering. Er is geen noodzaak de producten die in de winkel worden verkocht buiten de venstertijden aan klanten te leveren, nu deze niet aan bederf onderhevig zijn, aldus het college. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, nu volgens het college niet is gebleken van gelijke gevallen waarin het wel een ontheffing als aangevraagd door [appellante] heeft verleend.

2.4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar aanvraag met juistheid heeft getoetst aan de Richtlijnen. De Nieuwe Emmasingel is immers niet in deze Richtlijnen opgenomen waardoor deze niet op die straat van toepassing zijn, aldus [appellante]. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Richtlijnen worden gehanteerd als een bestendige gedragslijn aan de hand waarvan aanvragen om ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990 met betrekking tot het gebied "Rond de Admirant" worden beoordeeld.

    Daarnaast betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet was gehouden in het kader van haar aanvraag een individuele toets te laten verrichten door de Afdeling Economische Zaken van de gemeente Eindhoven in samenwerking met IMK Oost-Brabant, nu dit in de Richtlijnen staat voorgeschreven. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de winkel onder een branche valt die op de zogenoemde "rode lijst" van de Richtlijnen staat, nu het bezorgen van alcoholhoudende dranken tot haar kernactiviteit behoort. Ten onrechte heeft het college nagelaten inhoudelijk onderzoek te verrichten naar haar bedrijfsactiviteiten, aldus [appellante].

    Verder heeft de rechtbank miskend dat nu [appellante] met de gevraagde ontheffing de voetgangerszone slechts enkele meters zal doorkruisen, er een bijzondere omstandigheid is die noopte tot afwijking van de Richtlijnen.

    Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, aldus [appellante]. Ten aanzien van de door haar genoemde winkels/bedrijven aan wie het college wel ontheffing heeft verleend, heeft het college volgens [appellante] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die bedrijven beschikken over een ontheffing van andere aard.

2.4.1.    Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2012 (zaak nr. 201104482/1/A3) is de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990, discretionair van aard.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college bij de aanwending van deze bevoegdheid ten aanzien van het voetgangerswinkelgebied van Eindhoven de Richtlijnen hanteert, ook ten aanzien van de uitbreiding van dat gebied sedert maart 1993. Dat het de omschrijving van het gebied in de inleiding op de Richtlijnen niet aan die uitbreiding heeft aangepast, acht de Afdeling niet van doorslaggevend belang. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de Richtlijnen een bestendige gedragslijn vormen. Het ligt in de rede dat deze gedragslijn voor het gehele aaneengesloten voetgangersgebied wordt gevolgd. Voorts heeft de rechtbank met juistheid bij haar oordeel betrokken dat het college heeft verklaard alle aanvragen om een ontheffing van het verbod de voetgangerszone van het gebied "Rond de Admirant" buiten de venstertijden in te rijden, te toetsen aan de Richtlijnen. De omstandigheid dat het college in andere gevallen is afgeweken van de Richtlijnen, maakt niet dat deze niet als bestendige gedragslijn zijn te kwalificeren. Van een bestendige gedragslijn kan een bestuursorgaan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken. Het college heeft derhalve de aanvraag van [appellante] om een ontheffing mogen toetsen aan de Richtlijnen.

2.4.2.    Met juistheid heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat de winkel onder de in de Richtlijnen genoemde branche "detailhandel in alcohol en alcoholhoudende dranken" valt. Het betreft een winkel waar in de vorm van detailhandel alcoholhoudende dranken aan particulieren worden verkocht. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezorgen van de verkochte alcoholhoudende dranken niet tot de kernactiviteit van de exploitatie van die winkel behoort. Zij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de venstertijden onvoldoende mogelijkheid bieden om de winkel te bevoorraden en de verkochte alcoholhoudende dranken bij de kopers te bezorgen. Met juistheid heeft de rechtbank voorts overwogen dat uit de Richtlijnen niet volgt dat het college in het kader van de beoordeling van de aanvraag van [appellante] om ontheffing een individuele toetsing moest laten verrichten door de Afdeling Economische Zaken van de gemeente Eindhoven in samenwerking met IMK Oost-Brabant. Uit de Richtlijnen volgt, zoals ook het college heeft gesteld, dat zo'n toetsing slechts wordt verricht indien de branche waaronder een winkel valt, op de grijze lijst van de Richtlijnen staat vermeld.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat toepassing van de Richtlijnen tot de conclusie leidt dat [appellante] niet voor ontheffing in aanmerking komt.

2.4.3.    De omstandigheid dat [appellante] slechts enkele meters met een motorvoertuig de voetgangerszone moet doorkruisen om bij de achterkant van de winkel te komen, is geen omstandigheid op grond waarvan het college in afwijking van de Richtlijnen tot inwilliging van de aanvraag had moeten overgaan, nu dit eigen is aan winkels/bedrijven aan de rand van het voetgangersgebied. De omstandigheid dat [appellante] in toenemende mate via internet bestellingen van klanten aanneemt en deze bestellingen bij de klanten moet bezorgen, is evenmin een zodanige omstandigheid. Indien zij deze service wil bieden dient zij haar bedrijfsvoering hierop aan te passen en de opslag van de te verkopen of verkochte dranken elders te situeren.

2.4.4.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. In geen van de door [appellante] genoemde gevallen heeft het college een ontheffing verleend voor een winkel die onder de branche "detailhandel in alcohol en alcoholhoudende dranken" valt of onder een andere branche die op de rode lijst van de Richtlijnen staat vermeld. Daarnaast heeft het college ten aanzien van die gevallen gemotiveerd gesteld waarom het is overgegaan tot het verlenen van een (tijdelijke) ontheffing van het verbod om de voetgangerszone buiten de venstertijden met een motorvoertuig in te rijden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de ontheffingen verleend aan de door [appellante] genoemde winkels/bedrijven van andere aard waren dan de door haar gevraagde ontheffing. Het ging om een verleende dagontheffing in verband met een verhuizing en om ontheffingen die waren verleend in het kader van specifieke kortdurende werkzaamheden. Ter zitting van de Afdeling heeft het college onweersproken gesteld dat de aan Stichting Halm verleende ontheffing een bewonersontheffing is die ook aan [appellante] is toegekend.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom                          w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

195-591.