Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201110460/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Bunde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110460/1/R1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Bunde, gemeente Meerssen,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Bunde, gemeente Meerssen,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te Bunde, gemeente Meerssen,

en

de raad van de gemeente Meerssen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Bunde" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2011, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2011, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2011, beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 oktober 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2012, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. D. van de Weerdt, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Verjans, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door R.M.J.A. Kuppers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in een geactualiseerde en uniforme regeling voor de kom van Bunde. Het plangebied is gelegen in het zuidwesten van de gemeente Meerssen, ten oosten van de Maas en ten westen van de rijksweg A2.

2.2.    Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" en de aanduiding "karakteristiek (ka)" voor het perceel Vliegenstraat 72. Hij betoogt allereerst dat aan het perceel ten onrechte een woonbestemming is toegekend, nu deze bestemming het toekomstige gebruik als winkel niet mogelijk maakt. Hierbij voert hij aan dat  aan dit perceel in het voorheen geldende plan 35 jaar lang de bestemming "Bebouwingsklasse W.t." was toegekend waardoor winkels waren toegestaan en hij kenbaar heeft gemaakt het pand in de toekomst te willen gebruiken voor detailhandel. Verder betoogt hij dat de gemeentelijke beleidsnota "Visie op detailhandel" van februari 2006 (hierna: de Visie op detailhandel), waar de raad naar heeft verwezen als onderbouwing van zijn keuze, onvoldoende concreet is om ten grondslag te liggen aan deze bestemmingswijziging.

2.2.1.    Blijkens de verbeelding zijn aan het perceel Vliegenstraat 72 de bestemming "Wonen", de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" en de aanduiding "karakteristiek (ka)" toegekend.

    Ingevolge artikel 22, lid 22.1, onder 1, van de planregels zijn, voor zover hier van belang, gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, tuinen, erven en verharding, en parkeervoorzieningen uitsluitend voor de bijbehorende woning.

2.2.2.    Uit de Visie op detailhandel en uit de door de raad op 23 april 2009 vastgestelde notitie "Integrale Beleidsnotitie Bunde" volgt als uitgangspunt van gemeentelijk beleid dat (winkel)voorzieningen geconcentreerd worden rond het St. Agnesplein. Met de enkele stelling dat de Visie op detailhandel onvoldoende concreet is, heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de raad dit beleid niet heeft kunnen toepassen en daardoor niet aan de bestemmingswijziging ten grondslag kan liggen. In overeenstemming met dit beleid is aan het perceel [locatie 1], waar thans geen winkel is gevestigd, geen detailhandelsbestemming toegekend. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór de vaststelling van het plan bij het gemeentebestuur een concreet plan had ingediend met betrekking tot de exploitatie van een winkel op het perceel. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat bij de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 1] in redelijkheid kon worden aangesloten bij het bestaande gebruik van het perceel.

    Dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Kern Bunde", welk plan op 30 september 1975 door de raad van de toenmalige gemeente Bunde is vastgesteld en op 17 mei 1976 door het college van gedeputeerde staten van Limburg is goedgekeurd, aan het perceel [locatie 1] de aanduiding "Bebouwingsklasse W.t." was toegekend waardoor de exploitatie van een winkel op het perceel mogelijk was, maakt het voorgaande niet anders nu in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

2.3.    [appellant sub 1] betoogt verder dat ten onrechte aan zijn gehele perceel de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" is toegekend en dat ten onrechte aan zijn woning de aanduiding "karakteristiek (ka)" is toegekend, nu de grond noch de woning aan te merken is als cultuurhistorisch en oudheidkundig waardevol element of patroon en deze dubbelbestemming en aanduiding belemmerend werken ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden. Voorts voert hij aan dat artikel 30, lid 30.4, van de planregels een te grote beperking van zijn woongenot met zich brengt. Verder voert [appellant sub 1] aan dat er strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu aan het pand op het perceel Boschweg 1 niet de aanduiding "karakteristiek (ka)" is toegekend terwijl dit pand eveneens als monument is aangewezen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 30, lid 30.1, onder 1, van de planregels zijn gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)", behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing) en patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld).

    Ingevolge lid 30.2, onder 1, mag op gronden met de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)", met daarbinnen ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek (ka)" de beschermde rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zoals opgenomen in bijlage 4. bij de regels, slechts worden gebouwd indien en voor zover zulks nodig is voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande, dat:

    - bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming;

    - geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, zulks met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, zoals vastgelegd in het besluit tot aanwijzing van de rijks- en gemeentelijke monumenten.

    Ingevolge lid 30.3 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de bouwregels voor het bouwen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen onder de volgende voorwaarden:

    - de cultuurhistorische en oudheidkundige waarden worden niet aangetast;

    - de nieuwbouw past binnen c.q. levert een kwalitatieve bijdrage aan de cultuurhistorische en oudheidkundige waarden;

    - er worden geen wezenlijke veranderingen aangebracht in het stedenbouwkundige beeld;

voor zover het monumenten betreft, dient hierover advies te worden ingewonnen van een terzake deskundige instantie.

    Ingevolge lid 30.4, onder 1, is het verboden, op of in de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)", zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

    - het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;

    - het opslaan, deponeren, lozen of storten van al dan niet afgedankte of aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, alsmede het aanleggen of inrichten van opslag-, stort- of bergplaatsen;

    - het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingvergunning is vereist;

    - het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 m, waartoe ook gerekend worden woelen en draineren;

    - het aanleggen van boomgaarden;

    - het bebossen van gronden;

    - het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    - het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    - het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;

    - het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;

    - het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

    Ingevolge lid 30.4, onder 2, is het in lid 30.4, onder 1, bepaalde niet van toepassing voor:

    - werkzaamheden, normale werkzaamheden zijnde;

    - werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;

    - werken of werkzaamheden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en het normale bodemgebruik;

    - werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;

    - het periodiek kappen van hakhout, voor zover betreffende de normale uitoefening van het op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande bodemgebruik.

    Ingevolge lid 30.4, onder 3, zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 30.4, onder 1, slechts toelaatbaar, indien voor de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in lid 30.1 genoemde waarden, belangen en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.   

2.3.2.    Vast staat dat het pand op het perceel [locatie 1] op 3 juni 2004 door de raad als gemeentelijk monument is aangewezen en dat deze aanwijzing in rechte onaantastbaar is. In bijlage 4 behorende bij de planregels wordt een overzicht gegeven van alle rijks- en gemeentelijke monumenten die zich in het plangebied bevinden. Uit de plantoelichting volgt dat gemeentelijke en rijksmonumenten zijn aangeduid met de aanduiding "karakteristiek (ka)" en dat de instandhouding van de afzonderlijke monumentale gebouwen, beeldbepalende panden en bouwwerken wat betreft kapvorm, hoogtematen en gevel- en raamindeling, zoals deze zijn vastgelegd in de aanwijzing tot rijks- of gemeentelijk monument, voorop staat.

2.3.3.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter bescherming van het als gemeentelijk monument aangewezen pand op het perceel [locatie 1] aan dit pand de aanduiding "karakteristiek (ka)" is toegekend. Voorts heeft deze aanduiding uitsluitend gevolgen voor bepaalde toekomstige aanpassingen, in die zin dat geen wezenlijke veranderingen mogen worden aangebracht in het stedenbouwkundig beeld en dat slechts mag worden gebouwd indien en voor zover zulks nodig is voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, hetgeen op zichzelf niet in de weg staat aan bouwkundige aanpassingen aan het gebouw. In dit licht bezien heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat hij door de aanduiding "karakteristiek (ka)" onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij acht de Afdeling verder van belang dat ingevolge artikel 30, lid 30.3, van de planregels onder voorwaarden met een omgevingsvergunning van de in lid 30.2, onder 1, opgenomen bouwregels kan worden afgeweken.

2.3.4.    Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het pand op het perceel Boschweg 1 overweegt de Afdeling als volgt. Vaststaat dat het pand Boschweg 1 te Bunde niet is opgenomen in het overzicht van rijks- en gemeentelijke monumenten zoals vervat in bijlage 4 bij de planregels. Uit het aanwijzingsbesluit van 3 juni 2004 blijkt dat het pand Boschweg 1 te Bunde is aangewezen als gemeentelijk monument. In de plantoelichting, onderdeel Monumenten, en in bijlage 4 bij de planregels is het pand Boschstraat 1 te Bunde vermeld. In de kern Bunde komen zowel de adressen Boschweg 1 als Boschstraatje 1 voor. Ter zitting is gebleken dat mogelijk sprake is van een vergissing en het pand Boschweg 1 weliswaar als monument is aangewezen, maar hieraan per abuis niet de aanduiding "karakteristiek (ka)" is toegekend. De raad heeft aangegeven dat dit dan bij een herziening van het onderhavige plan alsnog zal worden gedaan. Niet in geschil is dat aan andere monumenten in het plangebied wel voornoemde aanduiding is toegekend.

    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2005, zaak nr. 200306911/1, overweegt de Afdeling dat, nu de raad het pand op het perceel Boschweg 1 abusievelijk niet als karakteristiek heeft aangeduid, wat daar ook van zij, dit de consistentie van het bestreden besluit niet in zodanige mate aantast dat daarmee met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan.

2.3.5.    Uit de plantoelichting volgt dat de historische kern van Bunde, waarbinnen het perceel [locatie 1] is gelegen, op de cultuurhistorische waardenkaart van Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie is aangeduid als archeologisch monument. Verder staat in de plantoelichting dat rijks- en gemeentelijke monumenten samen met beeldbepalende panden het historische beeld vormen van de kern Bunde, welk beeld als waardevol kan worden aangemerkt. Naast behoud, herstel en versterking van de afzonderlijke monumentale gebouwen en bouwwerken wordt gestreefd naar bescherming van de samenhangende cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundige beeld van de straatwanden.

2.3.6.    De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het perceel [locatie 1] de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" heeft kunnen toekennen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad heeft gesteld dat monumenten in hoge mate beeldbepalend zijn in de omgeving en bijdragen aan de beleving van de omgeving en het stedenbouwkundige beeld en dat dit beeld niet alleen wordt bepaald door het afzonderlijke gebouw. Volgens de raad vormt het monument een eenheid met de directe omgeving en staan grond en bouwwerk met elkaar in wisselwerking, zodat aan het gehele perceel [locatie 1] de dubbelbestemming is toegekend.

    Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat artikel 30, lid 30.4, van de planregels een te grote beperking van zijn woongenot met zich brengt, overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van lid 30.4, onder 1, van de planregels is voor de plandelen met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" een omgevingsvergunning vereist indien op gronden met deze bestemming werken of werkzaamheden worden uitgevoerd. Ingevolge artikel lid 30.4, onder 2, is de vergunningplicht niet van toepassing op het normale onderhoud en gebruik van de gronden. Voor zover deze bepalingen tot een aantasting van het woongenot van [appellant sub 1] zouden kunnen leiden ziet de Afdeling in hetgeen hij heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de aantasting van zijn woongenot van dien aard zal zijn dat deze als onevenredig moet worden aangemerkt.

2.3.7.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen", de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" en de aanduiding "karakteristiek (ka)" voor het perceel [locatie 1] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

    In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

    Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.4.    Het beroep van [appellante sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor vijf parkeerplaatsen op het perceel Roggeveldstraat 14. Zij betoogt dat aan deze vijf parkeerplaatsen ten onrechte niet de bestemming "Bedrijf" is toegekend, terwijl deze parkeerplaatsen worden gebruikt door bezoekers van haar bedrijf. Verder voert zij aan dat de toegepaste parkeernorm van 1,8/1,9 parkeerplaats per woning te hoog is, zodat voor de drie op het perceel aanwezige woningen geen vijf parkeerplaatsen nodig zijn.

2.4.1.    Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten zuidwesten van de woning op het perceel Roggeveldstraat 14, waar thans vijf parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, de bestemming "Wonen" toegekend.

    Ingevolge artikel 22, lid 22.1, onder h, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor parkeervoorzieningen uitsluitend voor de bijbehorende woning.

2.4.2.    In de Nota zienswijzen staat dat op het perceel Roggeveldstraat 14 drie woningen liggen met de huisnummers 14, 14a en 14b en dat volgens de CROW-normen een eigen woning minimaal 1,8 en maximaal 1,9 parkeerplaats dient te hebben. Uitgaande van drie woningen betekent dit dat op het perceel Roggeveldstraat 14 zes parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden, zodat het gedeelte ten zuidwesten van de woningen waar de vijf bestaande parkeerplaatsen liggen bestemd is voor woondoeleinden. In het verweerschrift stelt de raad dat is gebleken dat de woningen met de huisnummers 14a en 14b illegaal zijn en dat de reactie in de Nota zienswijzen dat op het perceel zes parkeerplaatsen nodig zijn derhalve prematuur was. Ter zitting is niet gebleken dat deze twee woningen gelegaliseerd zullen worden en zo ja, op welke termijn dit zal gaan gebeuren.

    Daargelaten de vraag of aan de desbetreffende gronden een bedrijfsbestemming had moeten worden toegekend, overweegt de Afdeling dat, nu de raad heeft erkend dat in de besluitvorming over de vijf parkeerplaatsen op het perceel ten onrechte is uitgegaan van drie legale woningen op het perceel Roggeveldstraat 14, dit aanleiding vormt voor het oordeel dat het plan in zoverre berust op een onzorgvuldige voorbereiding.

    Het beroep van de [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre, zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.5.    Het beroep van [appellante sub 3] is gericht tegen de omvang van de aanduiding "bouwvlak", voor zover deze aanduiding is toegekend aan het perceel [locatie 2]. Zij betoogt dat het op de verbeelding aangegeven bouwvlak niet overeenkomt met de op 31 januari 2011 door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning ten behoeve van het verbouwen van de bestaande bakkerij en woning op het perceel [locatie 2], welke vergunning thans in rechte onaantastbaar is, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven dat de verbeelding zal worden aangepast overeenkomstig de vergunde situatie. Volgens [appellante sub 3] heeft de raad het plan op dit punt ten onrechte niet gewijzigd vastgesteld en had het bouwvlak moeten worden uitgebreid.

2.5.1.    De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het vergunde bouwvlak niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 7 juli 2011 en ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 3] aanvoert ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

    Het beroep van [appellante sub 3] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dient te worden vernietigd.

2.5.2.    Ter zitting is komen vast te staan dat voornoemde omissie kan worden hersteld door het bouwvlak aan te passen aan de tekening behorende bij het besluit van 31 januari 2011 tot verlening van de omgevingsvergunning. Nu het gaat om een in rechte onaantastbare omgevingsvergunning, is niet aannemelijk dat met de aanpassing van het bouwvlak derden in hun belangen worden geschaad. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de situering en omvang van het bouwvlak aan te passen, zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2, en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd.

2.6.    De raad dient ten aanzien van [appellante sub 2] en [appellante sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellante sub 2] en [appellante sub 3]. gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Meerssen van 7 juli 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Bunde", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Roggeveldstraat 14, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

b. de aanduiding "bouwvlak" die rust op het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel [locatie 2];

III.    bepaalt dat de situering van het bouwvlak, voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 2], wordt aangepast zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak, voor zover het betreft het onderdeel genoemd onder III., in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Meerssen tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 925,32 (zegge: negenhonderdvijfentwintig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Meerssen tot vergoeding van bij [appellante sub 3]. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Meerssen aan de hierna te noemen appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 2] en € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga    w.g. Driessen

voorzitter            ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

634.

<hr><img src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2011p10460-1a.jpg" width="750"><hr><img src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2011p10460-1b.jpg" width="750">