Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
201109936/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2010 heeft het CBR [appellante] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid. Bij besluit van 16 november 2010 heeft het CBR dat besluit ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109936/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 augustus 2011 in zaken nrs. 11/726 en 11/727 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2010 heeft het CBR [appellante] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid. Bij besluit van 16 november 2010 heeft het CBR dat besluit ingetrokken.

Bij besluit van 18 november 2010 heeft zij [appellante] opgedragen zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen.

Bij besluiten van 1 maart 2011 en 10 maart 2011 heeft het CBR de door [appellante] tegen onderscheidenlijk de besluiten van 16 november 2010 en 18 november 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

    Ingevolge artikel 131, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

    Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

    Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994, indien betrokkene ingevolge artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: een EMA).

    Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Regeling zoals dit luidde ten tijde hier van belang, komt betrokkene niet in aanmerking voor een EMA, indien het vermoeden bestaat dat betrokkene verslaafd is aan alcohol.

2.2.    Het CBR heeft aan de intrekking van de verplichting deel te nemen aan een EMA ten grondslag gelegd dat [appellante] niet in aanmerking komt voor een EMA, omdat er ten aanzien van haar een vermoeden van alcoholafhankelijkheid bestaat. Dit vermoeden is gebaseerd op een negatief afloopbericht waaruit volgt dat [appellante] op een tot de EMA behorend voorgesprek onder invloed is verschenen. Hierop heeft het CBR haar opgedragen zich aan een onderzoek naar de geschiktheid te onderwerpen.

2.3.    [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR, naar aanleiding van haar bezwaar tegen het besluit van 16 november 2010, heeft afgezien van het houden van een hoorzitting.

2.3.1.    Op 25 november 2010 heeft [appellante] tegen de besluiten van 16 en 18 november 2010 een bezwaarschrift ingediend. Op 1 februari 2011 heeft vervolgens een hoorzitting plaatsgevonden. Uit het verslag van die hoorzitting volgt dat [appellante] is gehoord over het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan beide besluiten. De besluiten van 1 maart en 10 maart 2011 zijn genomen nadat die hoorzitting had plaatsgevonden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] niet in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren tegen het besluit van 16 november 2010 toe te lichten. Het betoog faalt.

2.4.     [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR terecht een gerechtvaardigd vermoeden van alcoholafhankelijkheid ten aanzien van haar had. Zij voert hiertoe aan dat niet is aangetoond dat zij tijdens het voorgesprek onder invloed was, omdat het negatieve afloopbericht onbetrouwbaar is en de ademalcoholtest niet deugdelijk is afgenomen. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het geconstateerde ademalcoholgehalte niet van belang is, aldus [appellante].

2.4.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR aannemelijk heeft gemaakt dat [appellante] op het tot de EMA behorende voorgesprek onder invloed van alcohol is verschenen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het CBR hiertoe waarde heeft mogen hechten aan het negatieve afloopbericht waaruit volgt dat [appellante] naar alcohol rook en sprak met een dubbele tong. Hierbij is van belang dat dit afloopbericht is opgemaakt door deskundigen op het gebied van alcoholproblematiek, werkzaam bij Stichting Tactus Verslavingszorg (hierna: Tactus). Voor het oordeel dat het negatieve afloopbericht onbetrouwbaar is, bestaat geen grond. Bovendien is het vermoeden van de deskundigen bevestigd door de bij [appellante] afgenomen blaastest. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 augustus 2007 in zaak nr. 200701390/1), mag het CBR waarde hechten aan de uitslag van een afgenomen blaastest. In dit geval is de positieve uitslag van de blaastest bovendien in overeenstemming met de door [appellante] gegeven verklaring dat zij de avond voor het voorgesprek alcohol heeft genuttigd en met een door haar in hoger beroep overgelegde verklaring van een medewerker van Tactus, die bij de blaastest aanwezig was, waaruit volgt dat die medewerker tijdens de blaastest een alcohollucht rook. Daarnaast wist [appellante] dat daags voor de cursus genuttigde alcohol zou kunnen leiden tot de conclusie dat zij onder invloed van alcohol verkeerde, nu dat onder meer in de brief, waarin zij is opgeroepen voor de aan haar opgelegde EMA, is vermeld. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het CBR op grond van voornoemde gegevens geen gerechtvaardigd vermoeden van alcoholafhankelijkheid mocht hebben. Het betoog faalt.

2.5.    Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte en in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet tot oproeping van getuigen is overgegaan in de zin van artikel 8:63, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zij voert hiertoe aan dat zij bij brief van 27 juni 2011 de rechtbank te kennen heeft gegeven dat zij drie getuigen heeft opgeroepen, maar dat geen van hen ter zitting is verschenen.

2.5.1.    De Afdeling begrijpt het betoog aldus dat volgens [appellante] artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM van toepassing is. Tegen [appellante] is geen vervolging ingesteld en evenmin is een sanctie aan haar opgelegd. Noch het besluit van 1 maart 2011 noch het besluit van 10 maart 2011 bevat een "criminal charge" als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het EVRM. Derhalve is die bepaling niet van toepassing. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Ingevolge artikel 8:63, derde lid, van de Awb kan de rechtbank, indien een door een partij opgeroepen getuige of deskundige niet is verschenen, deze oproepen. In dat geval schorst de rechtbank het onderzoek ter zitting. De rechtbank heeft terecht afgezien van het oproepen van de door [appellante] opgeroepen getuigen, omdat hun bevindingen reeds duidelijk waren verwoord in het negatieve afloopbericht. Het betoog faalt.

2.6.    Tenslotte betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in bezwaar. Zij voert hiertoe aan dat het besluit van 18 november 2010 is herroepen en verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2005 in zaak nr. 200410112/1.

2.6.1.    Dit betoog faalt eveneens. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bestaat het recht op een vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen, indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Herroeping vindt plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van het primaire besluit. In dit geval heeft het bezwaar geleid tot een verbetering van de motivering, maar niet tot herroeping van het besluit. Immers, de beslissing tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is bij het besluit op bezwaar gehandhaafd. Daarom bestaat geen recht op vergoeding van de gemaakte kosten op de voet van de voormelde bepaling.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Borman    w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012

317-730.