Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX5044

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
201201455/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het betoog dat uit art. 20 van het VWEU voortvloeit dat de vreemdeling moet worden toegestaan met haar kinderen in Nederland te verblijven, treft geen doel. Concrete aanwijzingen dat de echtgenoot, al dan niet met behulp van derden, feitelijk niet in staat is de zorg voor de kinderen te dragen, en dat de kinderen niet bij hem kunnen verblijven, zijn door de vreemdeling niet verstrekt. Daartoe wordt het volgende overwogen. De vreemdeling stelt dat haar echtgenoot voor de behandeling van zijn psychische stoornissen, meer in het bijzonder voor het innemen van zijn medicijnen, van haar afhankelijk is en dat hij zonder deze behandeling niet voor hun kinderen kan zorgen. Hiertoe heeft zij een brief van psychiater L.A.C. Nurmohamed van 29 september 2010 overgelegd, waaruit volgt dat de aanwezigheid van de vreemdeling van belang is voor de medicatietrouw van de echtgenoot. Uit deze brief volgt evenwel niet, noch heeft de vreemdeling anderszins aannemelijk gemaakt, dat de medicatietrouw van de echtgenoot niet ook op andere wijze kan worden bewerkstelligd, zoals met hulp van maatschappelijke instellingen hier te lande. Evenmin volgt uit deze brief dat de echtgenoot, indien hij zijn medicijnen trouw inneemt, niet in staat is voor de kinderen te zorgen.

De vreemdeling is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kinderen, burgers van de Unie, zodanig van haar, burger van een derde land, afhankelijk zijn dat de kinderen als gevolg van de besluitvorming van de minister feitelijk worden verplicht met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven. De kinderen wordt derhalve niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201455/1/V1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 januari 2012 in zaak nr. 10/38434 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 januari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 februari 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling en de minister hebben een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De door de vreemdeling als nader stuk overgelegde brief van

5 februari 2012 van psychiater S. Bazargani, de behandelend arts van de echtgenoot van de vreemdeling tijdens diens verblijf in Iran van 2001 tot 2006, kan niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, nu deze brief weliswaar dateert van na de aangevallen uitspraak, maar de inhoud ervan ziet op een periode voor de aangevallen uitspraak. De vreemdeling heeft geen rechtens te honoreren verklaring gegeven waarom zij die informatie niet redelijkerwijs reeds in beroep bij de rechtbank had kunnen inbrengen.

2.3. De vreemdeling, van Iraanse nationaliteit, is getrouwd. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, namelijk op [2003] en op [2009]. De echtgenoot van de vreemdeling en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vreemdeling heeft op 25 januari 2010 een aanvraag om verlening van een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend onder de beperking verband houdend met verblijf bij haar echtgenoot [de echtgenoot].

2.4. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op hem geen positieve verplichting rust om de vreemdeling vrij te stellen van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), onder meer heeft miskend dat het besluit van 6 oktober 2010 in strijd is met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU). Zij voert hiertoe, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011, C 34/09, Ruiz Zambrano (hierna: het arrest Ruiz Zambrano; www.curia.europa.eu), aan dat van haar kinderen, van Nederlandse nationaliteit, niet kan worden gevergd dat zij het grondgebied van de Unie verlaten. Volgens haar worden haar kinderen door het besluit van 6 oktober 2010 gedwongen met haar mee te gaan naar Iran om het besluit op een mvv-aanvraag af te wachten, nu ook haar echtgenoot haar zal moeten volgen omdat hij voor de behandeling van zijn psychische stoornissen van haar afhankelijk is en hij zonder deze behandeling niet in staat is voor de kinderen te zorgen.

2.4.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het VWEU wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. 201108763/1/V2; www.raadvanstate.nl) is uit de overwegingen van het Hof in het arrest van 15 november 2011, C 256/11, Dereci e.a. (hierna: het arrest Dereci; www.curia.europa.eu), waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het arrest Ruiz Zambrano, af te leiden dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punt 68 en 69 van het arrest Dereci, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie , en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de minister geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

2.4.3. Indien het gezin bestaat uit één ouder die burger is van een derde land en één ouder die burger van de Unie is, en ook een minderjarig kind dat burger van de Unie is, komt, zo leidt de Afdeling af uit punt 65 van het arrest Dereci en de verwijzing daarin naar de punten 43 en 44 van het arrest Ruiz Zambrano, bij de beantwoording van vorenbedoelde vraag betekenis toe aan het gegeven dat Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas. Voorts wordt van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij - bijvoorbeeld - zorg en opvoeding geboden.

Van leden van een dergelijk gezin kan dan ook worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen, als daarmee kan worden voorkomen dat een burger van de Unie feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Van de situatie dat een burger van de Unie niettemin zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, zal in dergelijke gevallen dan ook slechts sprake zijn, indien de burger van het derde land aannemelijk maakt dat de andere ouder, ook indien deze van vorenbedoelde mogelijkheid om aanspraken en hulp te ontvangen gebruik maakt, feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij die ouder in Nederland of de Unie, zonder die vreemdeling, in wezen onmogelijk is. In dat geval zal het kind immers gedwongen zijn de ouder die burger van een derde land is, te volgen naar buiten het grondgebied van de Unie.

2.4.4. De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.

2.4.5. In hoger beroep is onbestreden dat de kinderen van de vreemdeling de status van burger van de Unie bezitten, zodat zij zich, ook ten opzichte van Nederland, op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen. Gelet hierop dient te worden beoordeeld of het de vreemdeling tegenwerpen van het mvv-vereiste met zich brengt dat haar kinderen feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.4.6. Het betoog dat uit artikel 20 van het VWEU voortvloeit dat de vreemdeling moet worden toegestaan met haar kinderen in Nederland te verblijven, treft geen doel. Concrete aanwijzingen dat de echtgenoot, al dan niet met behulp van derden, feitelijk niet in staat is de zorg voor de kinderen te dragen, en dat de kinderen niet bij hem kunnen verblijven, zijn door de vreemdeling niet verstrekt. Daartoe wordt het volgende overwogen. De vreemdeling stelt dat haar echtgenoot voor de behandeling van zijn psychische stoornissen, meer in het bijzonder voor het innemen van zijn medicijnen, van haar afhankelijk is en dat hij zonder deze behandeling niet voor hun kinderen kan zorgen. Hiertoe heeft zij een brief van psychiater L.A.C. Nurmohamed van 29 september 2010 overgelegd, waaruit volgt dat de aanwezigheid van de vreemdeling van belang is voor de medicatietrouw van de echtgenoot. Uit deze brief volgt evenwel niet, noch heeft de vreemdeling anderszins aannemelijk gemaakt, dat de medicatietrouw van de echtgenoot niet ook op andere wijze kan worden bewerkstelligd, zoals met hulp van maatschappelijke instellingen hier te lande. Evenmin volgt uit deze brief dat de echtgenoot, indien hij zijn medicijnen trouw inneemt, niet in staat is voor de kinderen te zorgen.

De vreemdeling is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kinderen, burgers van de Unie, zodanig van haar, burger van een derde land, afhankelijk zijn dat de kinderen als gevolg van de besluitvorming van de minister feitelijk worden verplicht met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven. De kinderen wordt derhalve niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.

De grief faalt.

2.5. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Beerse

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2012

488-747.

Verzonden: 6 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser